Geen alternatief voor een Europees depositogarantiestelsel

3 december 2015 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in ND, 3 december

Vorige week presenteerde de Europese Commissie een voorstel voor een Europees depositogarantiestelsel. Het voorstel stuit op veel weerstand in Nederland en Duitsland, waar het visioenen oproept van Noord-Europese betalingen aan de spaarders van omvallende Zuid-Europese banken. Toch zou het zeer welkom moeten zijn, om de simpele reden dat we niet verder kunnen met het volstrekt ongeloofwaardige Nederlandse stelsel.

Garanties op spaargeld helpen om de stabiliteit van het bankwezen te verhogen. Wanneer een bank in de problemen raakt, voorkomt een geloofwaardig stelsel dat kleine spaarders massaal hun geld van de bank halen. Ze krijgen het immers toch wel terug via het garantiestelsel. Wie de website van De Nederlandsche Bank raadpleegt leert dat in Nederland de kosten hiervan “in principe” worden omgeslagen over de rest van het bankwezen. Zo staat het althans in de bankwet. Gezien de structuur van ons bankwezen is dit echter een papieren werkelijkheid. Toen Dirk Scheringa’s DSB Bank over de kop ging konden de kosten nog wel worden omgeslagen over de rest van de sector. Maar in het geval dat één van de drie grootbanken zou omvallen, kunnen de overblijvers dit absoluut niet dragen. Hun reserves zijn te klein in verhouding tot de gegarandeerde spaargelden. Kortom, als er één Nederlandse grootbank in de problemen komt sleept deze via het depositogarantiestelsel de rest mee in haar val. De overheid moet dan wel inspringen, waardoor de rekening toch weer bij de belastingbetaler terecht komt. Dit probleem wordt nog verergerd doordat ING, ABN-AMRO en Rabobank via hun internetbanken veel buitenlands spaargeld aantrekken dat onder de Nederlandse garantieregeling valt. Als het mis gaat, staan ook Europese spaarders bij onze Minister van Financiën op de stoep. Een Europese garantieregeling biedt een oplossing voor deze problemen.

De beste manier om een depositogarantie vorm te geven is als een verzekering. Banken betalen dan een premie, liefst op basis van hun risicoprofiel, aan een fonds waaruit gedupeerde spaarders van failliete banken schadeloos worden gesteld. Dat werkt goed als er veel banken deelnemen die klein zijn ten opzichte van de totale markt, zoals in de Verenigde Staten. In Nederland kan dit verzekeringsprincipe niet goed functioneren, vanwege het feit dat drie grootbanken de markt domineren. Vanuit dit oogpunt is een Europese garantieregeling een goede zaak. Het zorgt voor een betere spreiding van risico, omdat het aantal deelnemende banken zeer hoog zal zijn.

Daarnaast is een Europese garantieregeling een logisch sluitstuk van de bankenunie. Om goede redenen is er in 2013 voor gekozen om het toezicht op de banken Europees te regelen, onder regie van de ECB. Dan is het raar als de garantie op spaargeld nog nationaal is geregeld. Een Europese garantieregeling helpt tevens de afhankelijkheid tussen banken en landen te doorbreken. Het vertrouwen in een bank wordt nu nog mede bepaald door het vertrouwen in het land waar de bank is gevestigd. Zolang de garantie op spaargeld nationaal is geregeld bestaat er immers het risico dat een overheid moet bijspringen wanneer de garantieregeling ontoereikend is. Banken in zwakke landen hebben dan een concurrentienadeel, puur vanwege hun vestigingsplaats. In een interne markt is dit ongewenst. Bovendien zijn kleine landen met grote banken en veel gegarandeerd spaargeld extra kwetsbaar bij een nationale regeling.

Ondanks deze evidente voordelen kan een overstap naar een Europees stelsel pas op een verantwoorde manier plaatsvinden wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er voldoende vertrouwen bestaan in het Europese bankentoezicht. Dat is net van start gegaan, dus het kan geen kwaad om dat nog een aantal jaren aan te kijken. Ten tweede zou het helpen wanneer de kapitaalbuffers van de Europese banken nog verder worden opgeschroefd, om de kans te verkleinen dat de garantieregeling ooit moet worden aangesproken. Ten derde moeten Europese banken hun excessieve blootstelling aan de staatsschuld van hun eigen overheid afbouwen, om te voorkomen dat banken in de problemen komen omdat de overheidsfinanciën niet op orde zijn. Als Zuid-Europese landen echt gezonde banken willen, moeten ze deze niet meer volstoppen met hun eigen staatsschuld. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan een Europese garantieregeling een belangrijke bijdrage leveren aan een stabieler financieel systeem. En voor Nederland zou het betekenen dat we eindelijk een geloofwaardig depositogarantiestelsel zouden hebben.

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

Waarom sportscholen harde muziek draaien

28 november 2015 2 reacties

Al meer dan tien jaar ga ik met enige regelmaat naar een sportschool in Rotterdam. Daar kom je een diverse groep mensen tegen. Jongemannen die aan hun spierbundels werken, maar ook mensen van middelbare leeftijd die, net zoals ikzelf, willen voorkomen dat het zittend kantoorbestaantje tot een al te grote opeenhoping van buikvet leidt. In toenemende mate zie je er ook mensen van hoge leeftijd, die gezond en vitaal oud willen worden.

Je zou verwachten dat een sportschool haar best doet om het al deze klanten zo goed mogelijk naar de zin te maken. Helaas lukt dat niet op alle fronten. Mijn grootste ergernis betreft de muziek. Elke keer als ik met mijn koptelefoon probeer te genieten van een rustig muziekje terwijl ik op de loopband aan mijn conditie werk, verstoren de pompende beats uit de geluidsinstallatie van de sportschool mijn genot.

Blijkbaar hoort het bij de cultuur van de fitnessbranche om klanten met harde muziek op te zwepen tot sportieve prestaties. Zo is het waarschijnlijk ooit begonnen, maar eigenlijk is deze praktijk niet meer van deze tijd. Het fitnesspubliek is diverser dan vroeger en de muzieksmaken zullen dan ook meer uiteenlopen. We kennen nu ook personal audio, die iedereen in staat stelt om tijdens het sporten naar zijn eigen muziek te luisteren. Mijn inschatting is dat circa tweederde van de sportschoolbezoekers oordopjes in heeft. Deze klanten hebben geen enkele behoefte aan harde muziek op de achtergrond. Welbeschouwd kan die herrie dus wel uit.

Het management van mijn sportschool bleek ongevoelig voor deze logica. Er waren immers ook klanten die de harde muziek op prijs stelden. Waarom de oordopdragende meerderheid moet lijden onder de terreur van de minderheid en waarom de minderheid niet zelf oordopjes kan meenemen werd mij niet uitgelegd. Ook werd als oplossing aangedragen dat ik mijn koptelefoon dan maar zó hard moest zetten, dat ik de sportschoolbeats niet meer zou horen. Niet echt een bevredigend antwoord. Ik ga naar de sportschool voor mijn gezondheid en niet om gehoorschade op te lopen.

Hoe kunnen we deze apert klantonvriendelijke houding bij een commercieel bedrijf verklaren? Ik denk dat we daarvoor de fictie moeten loslaten dat iedereen in een bedrijf automatisch het belang van de klant voorop stelt. Medewerkers streven ook hun eigenbelang na. Wie zijn die medewerkers die rondlopen in de fitnessruimte en de stereo bedienen? Meestal zijn dat sportieve jongens of meiden die van hippe en harde muziek houden. Het gebruik van personal audio tijdens het werk is voor hen geen optie, want ze moeten aanspreekbaar blijven voor de klant. De hele dag in een stille fitnessruimte werken is ook maar saai. De herrie is er dus niet voor de klant, maar dient als arbeidsvitaminen voor het personeel.

Sportscholen komen hiermee weg omdat ze het allemaal doen. Overstappen naar een andere sportschool heeft dan ook weinig zin. Maar de branche doet zichzelf hiermee wel tekort. Potentiële klanten die in rust aan hun fitness willen werken – en dat worden er door de vergrijzing steeds meer – zullen niet naar de sportschool gaan. Een gat in de markt? Ik houd me graag aanbevolen.

Categorieën:Uncategorized

Hoe overbodig is de lastenverlichting?

15 september 2015 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 16 september

De lastenverlichting van € 5 miljard die het kabinet voor 2016 in petto heeft oogst hoon van vele economen. Met enige reden. Nadat eerder midden in de crisis de economie werd belast met lastenverzwaringen en bezuinigingen, wordt nu een stimulans gegeven terwijl de economie toch al weer aantrekt. Procyclisch begrotingsbeleid noemen we dat. Het versterkt de schommelingen in de economie, daar waar je van de overheid juist een stabiliserende rol zou mogen verwachten. Zo blijkt maar weer eens dat voor politici vooral de verkiezingscyclus telt. In 1972, aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, stuurde kandidaat Richard Nixon een brief aan uitkeringstrekkers met de welkome mededeling dat hun uitkering met 20% zou worden verhoogd. Zo bont maken Rutte c.s. het nog net niet, maar er is geen principieel verschil met Nixon. Het paaien van de kiezer vlak voor de verkiezingen is een cynische praktijk die maar moeilijk uit te bannen is.

Een tweede punt van kritiek is het ontbreken van belastinghervormingen. Ons belastingstelsel is met zijn toeslagencircus veel te ingewikkeld en behoeft een grondige herziening. Omdat zo’n operatie altijd verliezers kent, is er smeergeld nodig om hen te compenseren en daarmee draagvlak te creëren. Het kabinet geeft het smeergeld nu al uit, zonder dat er noemenswaardige hervormingen worden gerealiseerd. Dat lijkt prematuur.

Beide kritiekpunten zijn terecht. Maar zijn ze zwaarwegend genoeg om dan maar van de lastenverlichting af te zien? Ik denk van niet.

De mislukking van de belastinghervorming is een politiek gegeven. De coalitiegenoten zijn te verdeeld en het politieke landschap is te versnipperd om de weerstand van belanghebbenden het hoofd te bieden. Als zoiets voor de hand liggends als het gelijktrekken van BTW-tarieven al niet lukt, begrijp ik wel dat het kabinet de handdoek in de ring gooit. Treuren over deze gemiste kans mag, maar we zullen de lastenverlichting op haar eigen macro-economische merites moeten beoordelen.

Dan het procyclische begrotingsbeleid. De grootste fout is helaas al gemaakt, door € 15 miljard aan lastenverzwaringen en bezuinigingen te laten vallen in het crisisjaar 2013. We hebben het gemerkt aan de sterke daling van het besteedbaar inkomen en de consumptieve bestedingen. Het resulteerde in een onnodige verslechtering van de economie, die op dat moment ook al onder de crisis in de woningmarkt te lijden had. Onnodig, omdat alleen al de pensioenhervormingen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën sterk hebben verbeterd. Onnodig ook, omdat de riante vermogenspositie van Nederlandse staat, met zijn hoge belastingclaims op de toekomstige pensioenuitkeringen, geen enkele twijfel had mogen geven over de Nederlandse kredietwaardigheid.

Is de € 5 miljard aan lastenverlichting ook onnodig? Als we erop mogen vertrouwen dat de economische groei nu voldoende momentum heeft, dan kunnen we het geld beter gebruiken om staatsschuld af te lossen. Bij een volgende recessie heeft de overheid dan weer voldoende ruimte om te stimuleren. Of is het herstel toch nog te broos?

Voor 2016 voorspellen de meeste instanties een BBP-groei van rond de 2,5%. Dit mooie cijfer suggereert dat de economie wel zonder lastenverlichting kan. Maar dat gaat voorbij aan een aantal risico’s. De vooruitzichten voor de wereldeconomie zijn recentelijk onzekerder geworden, nu de Chinese groei afzwakt en de Amerikaanse centrale bank zich opmaakt voor een renteverhoging. En als kleine open economie is Nederland sterk afhankelijk van de wereldhandel. Dichter bij huis blijft het herstel van de eurozone zwak en blijft de muntunie kwetsbaar voor politieke onrust. Een sterkere groei en hogere inflatie zijn broodnodig om de schuldenproblemen te beheersen en de werkloosheid omlaag te brengen. De ECB doet met haar opkoopprogramma wat zij kan, maar het zou beter zijn als de lidstaten zelf meer doen om de groei te bevorderen. Dit betekent structurele hervormingen in landen waar het nodig is en een stimulerend begrotingsbeleid in landen waar daarvoor de ruimte is. Met Duitsland behoort Nederland tot de laatste categorie.

Tot slot. We komen uit een ongekend lange en hevige recessie die veel schade heeft toegebracht aan de private sector. Zo’n economie kan wel een steuntje in de rug gebruiken. Tijdens de Grote Depressie in de Verenigde Staten en de langdurige stagnatie in Japan dachten beleidsmakers te vroeg dat de economie wel weer op eigen benen kon staan. Laten we in Europa niet dezelfde fout maken.

Alles afwegend mogen we blij zijn dat de regering eindelijk het juiste werktuig in haar macro-economische gereedschapskist heeft gevonden. Dan moeten economen misschien maar niet al te kritisch zijn over de motieven van de gebruiker.

 

Voltooi de Europese bankenunie

Opiniebijdrage in het ND van 9 juli

Onvoorstelbaar, dat een kleine regio binnen de eurozone – de Griekse economie heeft een aandeel van nog geen 2% in het totale BBP – voor zoveel ophef kan zorgen. Al lang leggen de Grieken beslag op een onevenredig groot deel van de aandacht van Europese politici en bestuurders. Nu zijn ze er ook nog eens in geslaagd om het financiële verkeer in eigen land plat te leggen. Als heel Europa meedenkt over de details van het Griekse beleid, doen we iets niet goed. De vraag of Santorini een BTW-vrijstelling verdient zou eigenlijk in Athene moeten worden beantwoord. Micro- en crisismanagement slurpt dus de energie van regeringsleiders; aan de grote vraagstukken komen ze niet meer toe.

Dat het ook anders kan, laat een vergelijkbaar drama aan de overkant van de Atlantische oceaan zien (zie ook deze publicatie van Daniel Gros). Het Caribische eiland Puerto Rico is een onderdeel van de Verenigde Staten. Puerto Ricanen zijn Amerikaanse staatsburgers en gebruiken de dollar. In economisch opzicht is Puerto Rico het Griekenland van Amerika. De economie blijft ver achter bij die van de rest van de VS, de locale regering slaagt er maar niet in om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en jonge mensen zoeken hun heil elders. Eind juni maakte de gouverneur bekend dat de schuld van $ 72 miljard niet kan worden terugbetaald. Maar er is geen paniek in Washington. Niemand bepleit een Prexit uit de dollar. En er staan geen rijen voor de pinautomaten in San Juan.

Hoe kunnen we het Griekse probleem reduceren tot Puerto Ricaanse proporties? Een oplossing is méér Europese integratie. De instabiele monetaire unie zou dan moeten worden gestut met een begrotingsunie. Dit betekent meer risicodeling tussen de eurolanden, via een ruimere Europese begroting en de uitgifte van gemeenschappelijke obligaties (eurobonds). Substantiële geldoverdrachten worden dan ingebouwd in de unie en hoeven niet telkens tot conflicten te leiden. Deze oplossing heeft de charme van economische consistentie, maar getuigt ook van politieke naïviteit.

Terecht of niet, zes jaar eurocrisis heeft Europa er niet populairder op gemaakt bij de kiezer. Een begrotingsunie is dus vooralsnog een politieke droom. Bovendien ontbreekt een belangrijke randvoorwaarde. Begrotingssolidariteit vereist dat binnen de unie het openbaar bestuur van vergelijkbare kwaliteit is. Je wilt bijvoorbeeld niet dat burgers in landen met een goed functionerende belastingdienst meer bijdragen aan de publieke middelen dan burgers in landen met een ineffectieve of corrupte belastingdienst. Aan deze voorwaarde is in Europa nog lang niet voldaan. Maar zelfs een begrotingsunie biedt geen garantie tegen stagnatie. Ondanks jarenlange overdrachten vanuit de VS is Puerto Rico economisch achterop geraakt.

Het valt dus nooit helemaal uit te sluiten dat er een zwart schaap in de Amerikaanse of Europese kudde zit. Het beste is dan om te voorkomen dat het schaap het verpest voor de rest. Daarin is de VS veel beter geslaagd dan Europa. Dat heeft vooral te maken met de banken. De banken in Puerto Rico hebben niet of nauwelijks geld geleend aan hun overheid. Ze vallen dan ook niet meteen om als die haar schulden niet afbetaalt. Natuurlijk zijn ze vatbaar voor de economische malaise op het eiland, maar de Amerikaanse toezichthouder waakt over hun gezondheid. Indien nodig wordt een bank gesloten, geherstructureerd of verkocht met Amerikaanse middelen. In de afgelopen jaren is dat ook een aantal keren gebeurd. De gewone burger maakt zich hierover geen zorgen, want zijn spaartegoeden vallen onder het Amerikaanse depositogarantiestelsel. Daarom is er geen bankrun in San Juan.

Hiermee vergeleken heeft de eurozone een halfbakken bankenunie. Recent is de verantwoordelijkheid voor het bankentoezicht bij de ECB gelegd. Maar Europese banken lenen nog steeds teveel geld uit aan de eigen overheid. Er zijn nog geen Europese middelen beschikbaar voor het opdoeken van banken zijn en er is geen Europees depositogarantiestelsel. De voor de hand liggende les uit deze vergelijking is dat de Europese bankenunie dringend moet worden voltooid. Knip die navelstreng tussen overheden en banken definitief door voordat we soortgelijke problemen krijgen in Italië. Europese banken moeten stoppen met het uitlenen aan hun eigen overheid en snel fondsen vormen voor het opdoeken van falende banken en het garanderen van spaargeld. Een stevige bankenunie maakt het gemakkelijker om een land failliet te laten gaan binnen de eurozone.

De Puerto Ricanen kunnen nog pinnen, maar zullen het faillissement wel gaan merken. Uit geldgebrek zal hun regering meteen snijden in overheidsdiensten of de belastingen verhogen. En zo hoort het ook. Als een overheid haar kredietwaardigheid heeft verloren moet die het probleem zelf aanpakken, in plaats van het af te wentelen op anderen.

Tijd voor een Grieks referendum over de euro

Opiniebijdrage in het ND van 16 juni

Een deal met Griekenland had er als volgt uit kunnen zien. De Europese partners rollen de miljardenleningen door tegen zachte voorwaarden en dringen minder aan op bezuinigingen die de arme onderlaag van de Griekse samenleving treffen. Van haar kant gaat de Syriza regering voortvarend door met structurele hervormingen om de Griekse economie moderner en productiever te maken. Haar lange takenlijst is bekend: de belastinginning, de bureaucratie, het clientelisme, de oligarchen en de privileges van gevestigde belangen zoals kerk en leger zouden allemaal moeten worden aangepakt. De kans dat zo’n deal er komt wordt echter met de dag kleiner. Tsipras en zijn communistische consorten zijn vooral geïnteresseerd in schuldreductie en het in stand houden van een omvangrijke publieke sector. Zij lijken niet te beseffen dat in Europa de landen zelf verantwoordelijk zijn voor het genereren van welvaart voor hun burgers en niet blijvend een beroep kunnen doen op Europese solidariteit.

Griekenland is geen kale kip, zoals Arnon Grunberg onlangs in de Volkskrant beweerde, maar een bonte verzameling van kale kippen en plofkippen die hun gouden eieren verbergen. In plaats van de strijd aan te binden met de rijke elite, zet de Griekse regering zich liever af tegen haar Europese crediteuren. Los van het feit dat het niet zo verstandig is om de hand die je voert te bijten, heeft Tsipras met zijn halsstarrige opstelling de Griekse economie een slechte dienst bewezen. De maandenlange economische onzekerheid heeft het economisch herstel in Griekenland in de knop gebroken.

Terwijl het vertrouwen in de competentie en de goede trouw van de Griekse regering bij de Europese partners volledig is verdwenen, blijft Tsipras onverminderd populair bij de Grieken zelf. Blijkbaar hebben de Grieken een groot vertrouwen in zijn vermogen om de problemen het hoofd te bieden. Tenminste, als je naar de opiniepeilingen kijkt. De geldstromen lijken een ander verhaal te vertellen. Sinds de regeringswisseling hebben de Grieken miljarden spaargeld naar het buitenland gebracht of omgezet in duurzame consumptiegoederen. Dit geld komt niet ten goede aan de Griekse economie, maar verdwijnt naar buitenlandse financiële instellingen of Duitse autoproducenten.

Als de Grieken oprecht vertrouwen in Tsipras zouden hebben, zouden die op hol geslagen spaargelden gemakkelijk te mobiliseren zijn ter dekking van de geldbehoefte van de Griekse staat. Minister van Financiën Varoufakis zou eens moeten proberen om de populariteit van Tsipras te verzilveren door een rechtstreeks beroep te doen op de binnenlandse spaarder, via de uitgifte van speciaal op de kleine spaarder toegesneden staatsleningen. Dit is een beproefd middel wanneer samenlevingen in extreme omstandigheden middelen moeten mobiliseren voor een nationale inspanning. Hiermee worden de Grieken uitgedaagd om de daad bij het woord te voegen. Hebben zij zoveel vertrouwen in Tsipras dat ze willen bijdragen aan de financiering van zijn beleid? Of wordt het een flop en blijven de Grieken hun euro’s liever onder het matras of op een buitenlandse bankrekening bewaren? Alleen in het eerste geval berust de populariteit van Tsipras op het vertrouwen dat hij de economie echt kan hervormen en een verantwoordelijk financieel-economisch beleid kan voeren. In het tweede geval is de basis van zijn populariteit goedkoop anti-EU sentiment, gericht op het afdwingen van Europese solidariteit daar waar interne Griekse solidariteit tekort schiet.

Varoufakis zal zo’n uitgifte niet aandurven. Hij beseft dat de Grieken hun premier graag aanmoedigen in zijn strijd met Brussel maar liever niet hun eigen centen inzetten op het succes van zijn beleid. Kortom, het Griekse vertrouwen in Tsipras is flinterdun. Voeg daarbij het feit dat Tsipras is gekozen met de misleidende belofte dat de Grieken met behoud van soevereiniteit de euro kunnen behouden en de tijd is rijp voor een nieuwe gang naar de stembus. Dat zou dan een referendum over de euro moeten worden, waarbij voor elke Griekse kiezer glashelder moet zijn dat deelname aan de euro verregaande beperkingen oplegt aan de soevereiniteit. Kiezen de Grieken voor een eigen munt die hun incompetente politici naar hartelust kunnen bijdrukken om pensioenen en ambtenaren te betalen en hervormingen voor zich uit te schuiven? Of willen ze een ultieme poging wagen om met de euro en onder Europese regie de kwaliteit van hun bestuur en beleid structureel te verbeteren?

Categorieën:Uncategorized

Hoezo perverse financiële prikkel?

In de discussie over het rendementsdenken in het wetenschappelijk onderwijs worden de pijlen vaak gericht op de bekostigingssystematiek. Het geld dat de universiteiten elk jaar van het Ministerie van OCW krijgen wordt bepaald op basis van een ingewikkelde berekening. Het aantal gediplomeerden dat een instelling aflevert maakt hiervan onderdeel uit. Dit is de basis voor de veel gehoorde klacht dat het huidige systeem de instellingen een perverse prikkel geeft om uit financiële overwegingen zoveel mogelijk studenten zo snel mogelijk door de opleiding heen te jagen, ten koste van de kwaliteit van het onderwijs en van het eindniveau van de afgestudeerden.

Dit beeld strookt echter niet met de feiten. Universiteiten zijn juist een dief van de eigen portemonnee wannneer ze studenten sneller laten afstuderen. De reden hiervan is dat met elk jaar dat een student sneller afstudeert de instelling € 1906 aan collegegeld misloopt. Dit bedrag weegt ruimschoots op tegen de eventuele meerkosten van een langstudeerder en het uitstel van de diplomafinanciering. De Oblomov-student die jarenlang collegegeld betaalt maar niet weet waar de campus is, is vanuit het perspectief van de instelling zeer profijtelijk, net als de sportschool-abonnee die nooit komt opdagen. Een onlangs door OCW vrijgegeven onderzoeksrapport maakt een inschatting van dit effect en toont duidelijk aan dat universiteiten een prijs betalen voor snel studeren. Helaas heeft dit rapport niet dezelfde media-aandacht gekregen als de bezetters van het Maagdenhuis.

Aan de Erasmus Universiteit was dit effect al langer bekend. Toen een aantal jaren geleden maatregelen werden genomen om het studiesucces te verbeteren, werd onder ogen gezien dat het de universiteit geld zou gaan kosten wanneer de maatregelen succesvol zouden zijn, juist vanwege de gederfde collegegelden. Kortom, die perverse financiële prikkel bestaat niet. Het voordeel van studiesucces komt voornamelijk terecht bij de student zelf, die minder tijd, collegegeld en andere kosten kwijt is aan zijn opleiding en eerder de arbeidsmarkt kan betreden.

Categorieën:Uncategorized

Kanttekeningen bij het deflatieonderzoek van de BIS

Onderzoek dat uit de koker van de BIS (Bank for International Settlements) komt kan altijd op mijn warme belangstelling rekenen. Het is meestal empirisch, relevant en eigenwijs. Zo hadden de economen van de BIS al oog voor het belang van vermogensprijzen voor de macro-economie toen de meeste academische macro-economen nog met hun theoretische DSGE-modellen (zonder financiële sector!) zaten te spelen.

In een recent BIS-paper van Borio, Erdem, Filardo & Hofmann (The costs of deflation: a historical perspective, BIS Quarterly Review, Maart 2015) wordt een poging gedaan het deflatiegevaar te relativeren. Om deze reden heeft het paper veel media-aandacht gekregen. De auteurs hebben de beschikking over een indrukwekkende dataset (140 jaren, 38 landen), waarmee ze aantonen dat de correlatie tussen de economische groei en deflatie (gemeten met het consumentenprijsindexcijfer (CPI)) zwak is en hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de Grote Depressie. In tegenstelling hiermee is het verband tussen de groei en vermogensprijsdeflatie (dalingen van aandelenprijzen en huizenprijzen) veel sterker. Vermogensprijsdeflatie drukt CPI-deflatie weg als deze variabelen tegelijkertijd in het regressiemodel worden opgenomen. Gegeven de aard van de data en de keuze van het model zijn deze bevindingen niet verrassend. Maar de conclusie dat CPI-deflatie niet correleert met economische groei is volstrekt onvoldoende om te beweren dat we ons hierover geen zorgen hoeven te maken. Hieronder een aantal kritische kanttekeningen.

1) De auteurs maken o.a. gebruik van een lineair panelregressiemodel waarin de economische groei wordt verklaard met de verandering van aandelenprijzen, huizenprijzen en consumentenprijzen (daarnaast rekenen ze een variant door met interactie dummies, waardoor het kwantitatieve effect op de groei kan verschillen tussen periodes van inflatie en deflatie). Dat de eerste twee prijsmaatstaven het beter doen dan het CPI is geen wonder. Aandelenprijzen en huizenprijzen fluctueren sterker dan consumentenprijzen. Een hogere volatiliteit en meer variatie in de data maken het statistisch gemakkelijker om een significante correlatie te krijgen (als er tenminste een verband is). In CPI-inflatie zit daarentegen veel minder tijdreeksvariatie. Ook de lineariteit van het model werkt in het voordeel van vermogensprijzen. Dalingen van vermogensprijzen zijn slecht voor de economie; stijgingen zijn goed (althans op de korte termijn via positieve welvaartseffecten op de consumptie). Toen de Nederlandse huizenprijzen eind jaren ’90 sterk stegen (tussen de 10 en 20% per jaar) was iedereen in jubelstemming en had dat een duidelijk positief effect op de economie. Overigens laten de BIS-berekeningen wel zien dat het jubel-effect minder groot is dan het negatieve effect bij vermogensprijsdalingen. Bij CPI-inflatie ligt het verband heel anders. Hoge CPI-inflatie is schadelijk voor de economie. Dit is ook de reden waarom een centrale bank zal ingrijpen als de inflatie uit de hand loopt. Met renteverhogingen zal de centrale bank de inflatie omlaag proberen te brengen. Zo’n disinflatie gaat meestal gepaard met hoge outputkosten. Op grond hiervan mag je een niet-lineair verband tussen economische groei en CPI-inflatie verwachten: deflatie en hoge inflatie gaan samen met lage groei, lage inflatie met hoge groei (ceteris paribus natuurlijk). De consequentie hiervan is dat een lineair model misschien een redelijke benadering mag zijn voor vermogensprijzen, maar ongeschikt is voor CPI-inflatie (dit geldt ook voor de dummy variant, die geen onderscheid maakt tussen lage en hoge inflatie). Kortom, door de modelkeuze staat de CPI-maatstaf bij voorbaat op een achterstand.

2) De auteurs merken terecht op dat het antwoord op de vraag of deflatie een probleem vormt sterk afhangt van de oorzaak. Prijsdalingen die voortkomen uit productiviteitsstijgingen of olieprijsdalingen (goede deflatie) verschillen van prijsdalingen die het gevolg zijn van vraaguitval (slechte deflatie). Dan is het wel vreemd dat de BIS-economen met dit inzicht helemaal niets doen in hun statistische analyse. Je zou verwachten dat ze proberen de goede en de slechte deflatieschokken te identificeren en dat ze vervolgens de afzonderlijke effecten op de economische groei berekenen. Niets van dat alles: goede en slechte deflatieschokken worden op één hoop gegooid. Dit beperkt echter de bruikbaarheid van hun analyse. Stel dat in de BIS dataset in 90% van de gevallen de CPI-deflatie van de goede soort is en dat dit de uitkomsten van de regressieanalyse bepaalt. Betekent dit dan dat beleidsmakers zich niet druk hoeven te maken om de 10% gevallen van slechte deflatie? Natuurlijk niet. Voor beleidsmakers is het juist van belang om het verschil te zien. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Zo hebben we in Europa nu te maken met een mix van goede deflatie (olieprijsdaling) en slechte deflatie (loon- en prijsdalingen in een aantal Zuid-Europese landen).

3) Het panelregressiemodel dat de auteurs gebruiken is erg eenvoudig. Er wordt geen rekening gehouden met andere factoren die de economische groei van landen kunnen verklaren. Het model maakt gebruik van “fixed effects”, wat betekent dat voor elk land een eigen constante gemiddelde groei (bbp per capita) wordt verondersteld. Gezien de lange periode (140 jaar) lijkt me dat een onrealistische veronderstelling. Over zo’n lange periode kent elk land substantiële tijdsvariatie in de economische groei die niet afhangt van de inflatie. Een voorbeeld. Op p. 36 merken de auteurs het volgende op:

Indeed, in the postwar period, in which transitory deflations dominate, the growth rate has actually been higher during deflation years, at 3.2% versus 2.7%.

Dat is niet zo verrassend wanneer je je realiseert dat de naoorlogse prijsdalingen overwegend plaatsvonden in de jaren ’50, een periode van hoge groei vanwege de wederopbouw na een destructieve wereldoorlog.

4) Naast bovengenoemd regressiemodel onderzoeken de auteurs ook de effecten van persistente deflatie op de economische groei. Wat hier vooral opvalt is de bijna-afwezigheid van persistente deflatie in de naoorlogse periode (op Japan, China en Hong Kong na). Blijven over de ervaringen uit het interbellum (Grote Depressie) en de klassieke gouden standaard (pre-1914). De Grote Depressie wordt vervolgens in het paper weggezet als een aberratie. Dat lijkt me te kort door de bocht.

Kortom, er is om begrijpelijke redenen veel meer evidentie voor het schadelijke effect van vermogensprijsdeflatie dan dat van CPI-deflatie. Vermogensprijsdeflatie is extremer en komt veel vaker voor. Bovendien is het verband met de economische groei eenduidiger en gemakkelijker te meten. Maar dat betekent nog niet dat beleidsmakers hun ogen mogen sluiten voor het gevaar van slechte CPI-deflatie.