Uur U voor de Europese bankenunie

13 december 2016 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in ND van 13 december

Het Italiaanse referendum heeft ons de afgelopen weken eraan herinnert dat het Europese bankwezen nog steeds niet gezond is. Een aantal Italiaanse banken heeft dringend kapitaalversterking nodig omdat ze door slechte kredieten ernstig zijn verzwakt. De politieke onzekerheid volgend op de nee-stem schrikt private investeerders echter af. Als vers kapitaal uitblijft, dan zullen de Italiaanse banken op een andere manier gezond moeten worden gemaakt. De Italiaanse overheid zou graag de banken redden met overheidsgeld. Op een staatsschuld van € 2 biljoen kunnen de benodigde € 40 miljard er nog wel bij, zo redeneren Italiaanse politici. Maar staatssteun verlenen gaat niet zomaar. De Europese regels verlangen in dat geval een substantiële financiële aderlating van de schuldeisers van banken, een zogenaamde bail-in. Onder die schuldeisers bevinden zich veel kleine Italiaanse beleggers. Als zij vanwege Brussel hun geld niet terugzien, dan is dat koren op de molen van de anti-Europese populisten in Italië.

De volkswoede zou zich echter niet op Europa, maar in de eerste plaats op de eigen regering moeten richten. Die heeft veel te lang gedraald om de problemen in het bankwezen aan te pakken. Ook slaagt de regering er maar niet in om met hervormingen de economie te laten groeien. Daardoor is zij mede debet aan de verslechtering van de kredietportefeuille van de Italiaanse banken. De woede zou zich ook moeten richten op de banken zelf, die met misleidende verkooppraktijken hun klanten hebben opgezadeld met riskante bankaandelen en bankobligaties en die er ook niet in slagen om hun bedrijfstak efficiënter en winstgevender te maken. Het land heeft meer bankkantoren dan pizzeria’s. De Italianen mogen ook boos zijn op zichzelf. Ze hebben bij het referendum een sclerotisch politiek systeem intact gelaten, dat broodnodige hervormingen tegenhoudt.

Europa kan hooguit worden verweten dat ze in de Italiaanse bankencrisis niet voortvarend genoeg te werk gaat. Onlangs heeft de Europese rekenkamer ernstige kritiek geuit op het functioneren van de ECB als Europese bankentoezichthouder. De ECB slaagt er niet snel genoeg in om eigen toezichtcapaciteit op te bouwen en leunt sterk op de nationale toezichthouders. Dit betekent dat het toezicht grotendeels wordt uitgevoerd door dezelfde mensen die jarenlang de problemen op hun beloop hebben gelaten. Voor de geloofwaardigheid van de bankenunie is dit een slechte zaak. Het is daarom van groot belang dat de ECB nu doorpakt bij de huidige testcase, de redding van Banca Monte dei Paschi di Siena. Het bericht dat de ECB bij de kapitaalversterking van deze bank geen verder uitstel duldt, kan erop duiden zij beseft dat haar reputatie op het spel staat.

Voor een geloofwaardige bankenunie is het ook van belang dat het bail-in principe niet overboord wordt gegooid. Het laten bloeden van private schuldeisers beschermt de belastingbetaler en zorgt ervoor dat beleggers beter opletten wanneer zij geld in banken steken. De enige reden om hier vanaf te zien is wanneer een bail-in de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou brengen. Ik denk dat dit in het geval van Monte dei Paschi wel meevalt. De problemen bij deze bank zijn al lang en breed bekend en kunnen de financiële markten onmogelijk verrassen. Dat sommige bankiers toch pleiten voor staatssteun in plaats van een bail-in zegt vooral iets over hun ingebakken neiging om de rekening van bankfalen bij de belastingbetaler neer te leggen.

De testcase Monte dei Paschi zal binnenkort uitwijzen of de Europese toezichthouders het bail-in principe in Italië durven toe te passen. Zo niet, dan moeten we helaas concluderen dat bail-in geen adequate bescherming van Europese belastingbetalers biedt. In dat geval moet het ontwerp van de Europese bankenunie terug naar de tekentafel. De bankenunie 2.0 zal dan moeten worden uitgerust met een geloofwaardig alternatief voor bail-in. Wat mij betreft is het enige alternatief een forse verhoging van de kapitaalbuffers van banken, om de kans te verkleinen dat in de toekomst belastingbetalers toch weer opdraaien voor het falen van bankiers.

 

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

Verengelsing heeft ook voordelen

7 september 2016 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 7 September

In de Volkskrant maakte commentator Martin Sommer zich de afgelopen weken tot tweemaal toe kwaad over de onstuitbare verengelsing van het wetenschappelijk onderwijs. Hij vindt het dom dat wetenschappers onze moedertaal zo achteloos terzijde schuiven. Maar zijn ongenuanceerde kruistocht tegen verengelsing is even plat als de kritiekloze manier waarop sommige onderwijsbestuurders het Engels omarmen.

Het is gemakkelijk om een karikatuur te maken van de verengelsing van het onderwijs. Natuurlijk is het raar wanneer Nederlandse docenten en studenten onderling in steenkolenengels communiceren. Ook spreekt het voor zich dat er dan informatieverlies kan optreden. Engelstalig onderwijs draagt ook niet bij aan een betere beheersing van de Nederlandse taal onder studenten. Dat is allemaal waar. Maar Sommer vergeet dat de verengelsing van het wetenschappelijk onderwijs ook kwaliteitsverbeteringen kan opleveren. Die doen zich vooral voor wanneer een opleiding erin slaagt om een internationale onderwijsomgeving te scheppen, waarin buitenlandse wetenschappers en studenten iets toevoegen aan de opleiding. De discussie zou dan ook moeten gaan over de vraag onder welke condities de verengelsing van een opleiding zinvol is. Met andere woorden, wanneer zijn de voordelen van verengelsing groter dan de nadelen?

Een antwoord op deze vraag begint met de constatering dat Engels de taal van de wetenschap is. Zelfs Sommer erkent dat dit voor de topwetenschap het geval is. Een voor de hand liggende implicatie hiervan is dat voor de meeste vakgebieden, uitzonderingen zoals rechtsgeleerdheid daargelaten, de beste wetenschappelijke literatuur alleen in het Engels beschikbaar is. Voor veel opleidingen is de voorgeschreven literatuur dan ook al lang verengelst. De kwaliteitsvoordelen hiervan wegen ruimschoots op tegen het eventuele informatieverlies dat optreedt wanneer een Nederlandse student een Engelstalig artikel moet lezen.

Een tweede implicatie is dat elke jonge wetenschapper met enige ambitie zich zal richten op schrijven en spreken in het Engels. Dit zijn immers noodzakelijke vaardigheden om zich te mengen in het wetenschappelijke discours. Met bloemrijk Nederlands kom je er niet. Jonge wetenschappers willen ook graag deel uitmaken van een goede onderzoeksgroep, waarvan de leden worden geworven uit de internationale wetenschappelijke gemeenschap. Het aantrekken van buitenlandse wetenschappers kan de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek bevorderen. Er wordt immers in een grotere talentvijver gevist. Maar het heeft ook consequenties voor het onderwijs. Buitenlandse wetenschappers zijn immers minder gemakkelijk inzetbaar in het Nederlandstalig onderwijs. Naarmate de wetenschappelijke staf internationaler worden, ligt verengelsing dan ook meer voor de hand.

Dan de vraag naar Engelstalig onderwijs. Buitenlandse studenten komen graag naar Nederland vanwege de gunstige prijs-kwaliteitsverhouding van ons universitair onderwijs. Nederlandse opleidingen zijn in het algemeen beter van kwaliteit dan opleidingen in de rest van continentaal Europa en goedkoper dan de topopleidingen in de Angelsaksische landen. Als het echt zo slecht gesteld zou zijn met het Engels aan onze universiteiten, dan vraag je je af waarom er zoveel buitenlandse studenten naar Nederland komen. Natuurlijk vinden universiteitsbestuurders buitenlandse studenten een financieel aantrekkelijke doelgroep. Na jaren van kaalslag waarin de overheidsbijdrage per student substantieel is gedaald, kun je het ze ook niet echt kwalijk nemen. Maar buitenlandse studenten louter als melkkoe zien, doet hen onrecht.

Mijn ervaring is dat buitenlandse studenten een sterk positief effect op de kwaliteit van het onderwijs hebben. Met hun komst naar Nederland plegen zij een flinke investering die niet mag mislukken. In het algemeen zijn buitenlandse studenten dan ook gemotiveerder, ijveriger en veeleisender dan Nederlandse studenten (en, niet onbelangrijk voor de docent, ook beleefder). Wanneer hetzelfde onderwijs zowel in het Nederlands als in het Engels wordt aangeboden, blijkt dat in de internationale groepen de beste cijfers worden gehaald. Het onderwijs vaart dan ook wel bij de aanwezigheid van internationale studenten. Docenten geven graag college in internationale opleidingen. Veel ambitieuze Nederlandse studenten studeren ook graag in een internationale onderwijsomgeving. Niet alleen omdat er een betere studiementaliteit heerst, maar ook omdat de culturele diversiteit een verrijking is voor de student.

Kortom, verengelsing van het onderwijs is een noodzakelijke, maar nog geen voldoende voorwaarde voor succesvolle internationalisering. Dat laatste vereist dat de wetenschappelijke staf en de studentenpopulatie een internationale samenstelling kennen. De kwaliteitsvoordelen wegen dan op tegen het nadeel dat docenten en studenten niet in hun moerstaal kunnen communiceren. Maar als Engelstalige opleidingen er niet in slagen om echt te internationaliseren, kunnen ze maar weer beter vernederlandsen.

Categorieën:Uncategorized

Klaas Knot is geen bankier

31 maart 2016 2 reacties

Als iets eruitziet als een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het waarschijnlijk een eend. Maar deze eendentest gaat niet altijd op. Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank (DNB), ziet eruit als een bankier, verdient als een bankier en praat als een bankier. Maar dat maakt Knot nog geen bankier en DNB nog geen gewone bank.

Bij de presentatie van het jaarverslag van DNB werd veel bankierstaal gebezigd. In een interview met het NRC sprak Knot over buffers, verliezen en gaten in de balans van de centrale bank. DNB zet de komende jaren € 500 miljoen per jaar opzij als voorziening voor mogelijke verliezen op de aankopen van staatsleningen door de ECB. Knot uitte ook zijn bezorgdheid over het omstreden idee om centrale banken geld te laten uitstrooien onder de bevolking, ook wel bekend als helikoptergeld. Hij is bevreesd dat het een gat in de balans van de centrale bank slaat. Knot appelleert met zijn uitspraken aan het verlangen naar financiële degelijkheid dat leeft bij veel burgers, net als VVD politici die midden in de crisis beweerden dat de overheid haar huishoudboekje op orde moest maken. In beide gevallen is de economische logica echter ver te zoeken. De bezuinigingen tijdens de crisis hebben de recessie juist verergerd. En een centrale bank hoeft zich echt niet druk maken over een gat op haar balans. Een centrale bank is immers geen gewoon bedrijf.

Vanzelfsprekend heeft het recente monetaire beleid de balansen van centrale banken verzwakt. De kwaliteit van het onderpand dat banken aanleveren is verslechterd en ook aan het opkopen van overheidsobligaties kleven risico’s. Maar we moeten hier niet al te dramatisch over doen. Vanwege haar monopolie op de gelduitgifte kan een centrale bank altijd aan haar verplichtingen voldoen, zelfs wanneer verliezen tot een negatief eigen vermogen zou leiden. Solvabiliteit is geen halszaak als je geld kunt drukken. Dit is de reden dat er voor centrale banken geen kapitaaleisen gelden. Dit betekent ook dat de voorziening van 500 miljoen euro niet noodzakelijk is, in tegenstelling tot wat DNB in haar jaarverslag schrijft. Het kapitaal van DNB als percentage van het balanstotaal kon de afgelopen jaren ongemerkt dalen van rond de 10% in 2006 naar 4% nu. Een echte bankier had zo’n daling van de solvabiliteit niet overleefd.

De president van DNB is dan ook geen bankier, maar in de eerste plaats een overheidsdienaar. Hij heeft van de politiek de opdracht gekregen om voor prijsstabiliteit te zorgen en te waken over de stabiliteit van het financiële stelsel. De balans van een centrale bank is daarbij een hulpmiddel, niet een doel op zichzelf. Wanneer het monetair beleid de balans van een centrale bank verzwakt, dan hoeft dat op zichzelf geen ramp te zijn. Veel belangrijker is de vraag of de doelstelling van prijsstabiliteit wordt bereikt.

Over de effectiviteit van het opkoopbeleid van de ECB is veel te doen. Het is moeilijk om daar stellige uitspraken over te doen. We weten immers niet hoe de economie zich zou hebben ontwikkeld als de ECB niets zou hebben gedaan. Mijn eigen inschatting is dat de ECB het economisch herstel heeft bevorderd, via lagere rentestanden en een zwakkere wisselkoers. Knot mag zijn twijfels over dit beleid uiten, maar dan wel met deugdelijke argumenten. Schermen met risico’s voor de balans van de centrale bank is stemmingmakerij. De relevante risico’s zijn dat het beleid te goed werkt en op termijn tot hyperinflatie leidt of dat het vervelende bijwerkingen heeft, zoals zeepbelvorming in de financiële markten. Het risico voor de balans van de centrale bank is onbelangrijk.

Intussen is wel duidelijk geworden dat de ECB de kar niet alleen kan trekken. Voor een krachtiger herstel van de Europese economie is meer nodig: een stimulerend begrotingsbeleid in landen die het zich kunnen veroorloven en structurele hervormingen in landen waar dat nodig is. DNB voegt hier in haar jaarverslag aan toe dat er in Nederland ruimte is voor verdere loonstijgingen in de private sector, die kunnen bijdragen aan de consumptieve bestedingen en de groei. Dat is een prima suggestie, maar het ontslaat de centrale bank niet van haar taak. Om te voorkomen dat loonstijgingen de concurrentiepositie buiten Europa aantasten, blijft een zwakke euro wenselijk. Ook moeten we voorkomen dat de lonen in de publieke sector achterblijven en dat dit tot een kwaliteitsverarming van het overheidsapparaat leidt. Laat DNB daarom die 500 miljoen euro alsnog aan Dijsselbloem uitkeren ten behoeve van een stijging van de ambtenarensalarissen.

Weg met de instellingstoets in het hoger onderwijs

2 februari 2016 1 reactie

Opiniebijdrage in het ND van 2 februari

In januari debatteerde de Tweede Kamer over de toekomst van het accreditatiestelsel hoger onderwijs. Dit is het systeem waarmee de overheid de kwaliteit van het hoger onderwijs probeert te bewaken. Sinds 2011 bestaat het uit twee lagen. De opleidingsaccreditatie heeft tot doel de kwaliteit van individuele studies te beoordelen. Daar bovenop moet de instellingstoets vaststellen of een onderwijsinstelling zelf een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. Het is een inefficiënt systeem, waaraan ook na het Kamerdebat helaas geen einde komt.

Bij de invoering van de instellingstoets is door de minister een veel te rooskleurig beeld geschetst van het effect op de administratieve lastendruk. Die zou dalen, omdat de opleidingstoets in omvang zou worden beperkt. Maar het tegenovergestelde is gebeurd. Opleidingsaccreditaties kosten meer tijd dan vroeger, door de toegenomen aandacht voor de kwaliteit van toetsen en scripties. En onder druk van de instellingstoets is de bureaucratie binnen de instellingen sterk uitgedijd. Een evaluatie uit 2013 concludeert dan ook eufemistisch dat ‘de vermindering van de administratieve lasten nog niet overal is gerealiseerd’.

De onderwijsinstellingen hebben om twee redenen hieraan meegewerkt. Met de instellingstoets hebben colleges van bestuur een instrument in handen gekregen om de organisatie te centraliseren en uniformeren. Ook hoopten ze dat het dubbele stelsel de overgang zou vormen naar een nieuw stelsel met alleen de instellingstoets. Dit is internationaal de norm en zou veel bureaucratie besparen.

Deze hoop blijkt nu ijdel. De minister wilde aanvankelijk wel de onderwijsinstellingen de ruimte geven zelf hun opleidingen te beoordelen. Maar er is er geen politiek draagvlak om de opleidingsaccreditatie volledig af te schaffen. VVD, SP en GroenLinks vrezen voor ‘onzichtbaarheid van de feitelijke kwaliteit’ in het hoger onderwijs. Zij hechten aan de opleidingsaccreditatie om de waarde van het diploma te borgen.

Volgens het politieke compromis dat er nu ligt, kunnen onderwijsinstellingen experimenteren met een instellingstoets die tot een verlichte opleidingsaccreditatie kan leiden. Maar dit is gekrabbel in de marge. Politici belijden wel met de mond dat zij de administratieve lasten willen reduceren, maar het echte probleem wordt niet aangepakt. Het hoger onderwijs blijft immers doormodderen met een dubbel stelsel.

In 2013 hield ik in deze krant een pleidooi voor de afschaffing van de instellingstoets. We zijn nu meer dan twee jaar verder. In de tussentijd heeft ook de gezaghebbende Onderwijsraad hetzelfde geadviseerd. Volgens de Onderwijsraad ligt de primaire verantwoordelijkheid voor onderwijskwaliteit bij de opleiding en zijn ‘de aspecten van een kwaliteitscultuur die ertoe doen, … bij een instellingstoets moeilijk inzichtelijk te maken’. De Onderwijsraad vindt ook dat de instellingstoets ‘onwenselijke centralisatie’ aanwakkert. Een instellingstoets gaat over processen en beleid en staat te ver van de opleidingen, docenten en studenten af. Een instellingstoets leidt tot navelstaarderij over een instellingsbrede kwaliteitscultuur of onderwijsvisie, waar opleidingen zich slecht in herkennen. Een geslaagde instellingstoets betekent dat de beleidsmedewerkers hun werk goed hebben gedaan, maar zegt weinig over de opleidingskwaliteit.

Dat laatste blijkt ook uit een rapport van de accreditatieorganisatie NVAO uit 2015. De NVAO constateert dat instellingen met een positieve instellingstoets zich niet sterk onderscheiden van het gemiddelde. De huidige instellingstoets, concludeert de NVAO, heeft ‘op dit moment nog slechts een beperkte waarde als het gaat om het voorkómen van kwaliteitsproblemen bij bestaande of nieuwe opleidingen’. Dit is een omfloerste manier om te zeggen dat de instellingstoets niets toevoegt. Maar voor het advies van de Onderwijsraad en de feiten van de NVAO is de politiek helaas blind.

Kwaliteitscontrole in het hoger onderwijs is nodig. Enige bureaucratie is daarbij onvermijdelijk. Een goed systeem vereist dat wordt nagedacht over de vraag welke administratieve lasten nuttig zijn. Externe experts die een kijkje nemen in de keuken van de opleiding, concrete verbeterpunten aandragen of misstanden aankaarten, daar heb je wat aan. En veel meer is er ook niet nodig.

De minister en de Tweede Kamer brengen nu verfijningen aan in een slecht systeem. Daar schiet het hoger onderwijs weinig mee op. Het zou beter zijn als de politiek een keuze maakt en de onderwijsinstellingen hun verlies nemen. Een systeem met alleen een instellingsaccreditatie gaat er in Nederland niet komen. Dan hebben we aan de opleidingstoetsen genoeg. Afschaffen dus, die instellingstoets.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Geen alternatief voor een Europees depositogarantiestelsel

3 december 2015 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in ND, 3 december

Vorige week presenteerde de Europese Commissie een voorstel voor een Europees depositogarantiestelsel. Het voorstel stuit op veel weerstand in Nederland en Duitsland, waar het visioenen oproept van Noord-Europese betalingen aan de spaarders van omvallende Zuid-Europese banken. Toch zou het zeer welkom moeten zijn, om de simpele reden dat we niet verder kunnen met het volstrekt ongeloofwaardige Nederlandse stelsel.

Garanties op spaargeld helpen om de stabiliteit van het bankwezen te verhogen. Wanneer een bank in de problemen raakt, voorkomt een geloofwaardig stelsel dat kleine spaarders massaal hun geld van de bank halen. Ze krijgen het immers toch wel terug via het garantiestelsel. Wie de website van De Nederlandsche Bank raadpleegt leert dat in Nederland de kosten hiervan “in principe” worden omgeslagen over de rest van het bankwezen. Zo staat het althans in de bankwet. Gezien de structuur van ons bankwezen is dit echter een papieren werkelijkheid. Toen Dirk Scheringa’s DSB Bank over de kop ging konden de kosten nog wel worden omgeslagen over de rest van de sector. Maar in het geval dat één van de drie grootbanken zou omvallen, kunnen de overblijvers dit absoluut niet dragen. Hun reserves zijn te klein in verhouding tot de gegarandeerde spaargelden. Kortom, als er één Nederlandse grootbank in de problemen komt sleept deze via het depositogarantiestelsel de rest mee in haar val. De overheid moet dan wel inspringen, waardoor de rekening toch weer bij de belastingbetaler terecht komt. Dit probleem wordt nog verergerd doordat ING, ABN-AMRO en Rabobank via hun internetbanken veel buitenlands spaargeld aantrekken dat onder de Nederlandse garantieregeling valt. Als het mis gaat, staan ook Europese spaarders bij onze Minister van Financiën op de stoep. Een Europese garantieregeling biedt een oplossing voor deze problemen.

De beste manier om een depositogarantie vorm te geven is als een verzekering. Banken betalen dan een premie, liefst op basis van hun risicoprofiel, aan een fonds waaruit gedupeerde spaarders van failliete banken schadeloos worden gesteld. Dat werkt goed als er veel banken deelnemen die klein zijn ten opzichte van de totale markt, zoals in de Verenigde Staten. In Nederland kan dit verzekeringsprincipe niet goed functioneren, vanwege het feit dat drie grootbanken de markt domineren. Vanuit dit oogpunt is een Europese garantieregeling een goede zaak. Het zorgt voor een betere spreiding van risico, omdat het aantal deelnemende banken zeer hoog zal zijn.

Daarnaast is een Europese garantieregeling een logisch sluitstuk van de bankenunie. Om goede redenen is er in 2013 voor gekozen om het toezicht op de banken Europees te regelen, onder regie van de ECB. Dan is het raar als de garantie op spaargeld nog nationaal is geregeld. Een Europese garantieregeling helpt tevens de afhankelijkheid tussen banken en landen te doorbreken. Het vertrouwen in een bank wordt nu nog mede bepaald door het vertrouwen in het land waar de bank is gevestigd. Zolang de garantie op spaargeld nationaal is geregeld bestaat er immers het risico dat een overheid moet bijspringen wanneer de garantieregeling ontoereikend is. Banken in zwakke landen hebben dan een concurrentienadeel, puur vanwege hun vestigingsplaats. In een interne markt is dit ongewenst. Bovendien zijn kleine landen met grote banken en veel gegarandeerd spaargeld extra kwetsbaar bij een nationale regeling.

Ondanks deze evidente voordelen kan een overstap naar een Europees stelsel pas op een verantwoorde manier plaatsvinden wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er voldoende vertrouwen bestaan in het Europese bankentoezicht. Dat is net van start gegaan, dus het kan geen kwaad om dat nog een aantal jaren aan te kijken. Ten tweede zou het helpen wanneer de kapitaalbuffers van de Europese banken nog verder worden opgeschroefd, om de kans te verkleinen dat de garantieregeling ooit moet worden aangesproken. Ten derde moeten Europese banken hun excessieve blootstelling aan de staatsschuld van hun eigen overheid afbouwen, om te voorkomen dat banken in de problemen komen omdat de overheidsfinanciën niet op orde zijn. Als Zuid-Europese landen echt gezonde banken willen, moeten ze deze niet meer volstoppen met hun eigen staatsschuld. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan een Europese garantieregeling een belangrijke bijdrage leveren aan een stabieler financieel systeem. En voor Nederland zou het betekenen dat we eindelijk een geloofwaardig depositogarantiestelsel zouden hebben.

Categorieën:Uncategorized

Waarom sportscholen harde muziek draaien

28 november 2015 3 reacties

Al meer dan tien jaar ga ik met enige regelmaat naar een sportschool in Rotterdam. Daar kom je een diverse groep mensen tegen. Jongemannen die aan hun spierbundels werken, maar ook mensen van middelbare leeftijd die, net zoals ikzelf, willen voorkomen dat het zittend kantoorbestaantje tot een al te grote opeenhoping van buikvet leidt. In toenemende mate zie je er ook mensen van hoge leeftijd, die gezond en vitaal oud willen worden.

Je zou verwachten dat een sportschool haar best doet om het al deze klanten zo goed mogelijk naar de zin te maken. Helaas lukt dat niet op alle fronten. Mijn grootste ergernis betreft de muziek. Elke keer als ik met mijn koptelefoon probeer te genieten van een rustig muziekje terwijl ik op de loopband aan mijn conditie werk, verstoren de pompende beats uit de geluidsinstallatie van de sportschool mijn genot.

Blijkbaar hoort het bij de cultuur van de fitnessbranche om klanten met harde muziek op te zwepen tot sportieve prestaties. Zo is het waarschijnlijk ooit begonnen, maar eigenlijk is deze praktijk niet meer van deze tijd. Het fitnesspubliek is diverser dan vroeger en de muzieksmaken zullen dan ook meer uiteenlopen. We kennen nu ook personal audio, die iedereen in staat stelt om tijdens het sporten naar zijn eigen muziek te luisteren. Mijn inschatting is dat circa tweederde van de sportschoolbezoekers oordopjes in heeft. Deze klanten hebben geen enkele behoefte aan harde muziek op de achtergrond. Welbeschouwd kan die herrie dus wel uit.

Het management van mijn sportschool bleek ongevoelig voor deze logica. Er waren immers ook klanten die de harde muziek op prijs stelden. Waarom de oordopdragende meerderheid moet lijden onder de terreur van de minderheid en waarom de minderheid niet zelf oordopjes kan meenemen werd mij niet uitgelegd. Ook werd als oplossing aangedragen dat ik mijn koptelefoon dan maar zó hard moest zetten, dat ik de sportschoolbeats niet meer zou horen. Niet echt een bevredigend antwoord. Ik ga naar de sportschool voor mijn gezondheid en niet om gehoorschade op te lopen.

Hoe kunnen we deze apert klantonvriendelijke houding bij een commercieel bedrijf verklaren? Ik denk dat we daarvoor de fictie moeten loslaten dat iedereen in een bedrijf automatisch het belang van de klant voorop stelt. Medewerkers streven ook hun eigenbelang na. Wie zijn die medewerkers die rondlopen in de fitnessruimte en de stereo bedienen? Meestal zijn dat sportieve jongens of meiden die van hippe en harde muziek houden. Het gebruik van personal audio tijdens het werk is voor hen geen optie, want ze moeten aanspreekbaar blijven voor de klant. De hele dag in een stille fitnessruimte werken is ook maar saai. De herrie is er dus niet voor de klant, maar dient als arbeidsvitaminen voor het personeel.

Sportscholen komen hiermee weg omdat ze het allemaal doen. Overstappen naar een andere sportschool heeft dan ook weinig zin. Maar de branche doet zichzelf hiermee wel tekort. Potentiële klanten die in rust aan hun fitness willen werken – en dat worden er door de vergrijzing steeds meer – zullen niet naar de sportschool gaan. Een gat in de markt? Ik houd me graag aanbevolen.

Categorieën:Uncategorized

Hoe overbodig is de lastenverlichting?

15 september 2015 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 16 september

De lastenverlichting van € 5 miljard die het kabinet voor 2016 in petto heeft oogst hoon van vele economen. Met enige reden. Nadat eerder midden in de crisis de economie werd belast met lastenverzwaringen en bezuinigingen, wordt nu een stimulans gegeven terwijl de economie toch al weer aantrekt. Procyclisch begrotingsbeleid noemen we dat. Het versterkt de schommelingen in de economie, daar waar je van de overheid juist een stabiliserende rol zou mogen verwachten. Zo blijkt maar weer eens dat voor politici vooral de verkiezingscyclus telt. In 1972, aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, stuurde kandidaat Richard Nixon een brief aan uitkeringstrekkers met de welkome mededeling dat hun uitkering met 20% zou worden verhoogd. Zo bont maken Rutte c.s. het nog net niet, maar er is geen principieel verschil met Nixon. Het paaien van de kiezer vlak voor de verkiezingen is een cynische praktijk die maar moeilijk uit te bannen is.

Een tweede punt van kritiek is het ontbreken van belastinghervormingen. Ons belastingstelsel is met zijn toeslagencircus veel te ingewikkeld en behoeft een grondige herziening. Omdat zo’n operatie altijd verliezers kent, is er smeergeld nodig om hen te compenseren en daarmee draagvlak te creëren. Het kabinet geeft het smeergeld nu al uit, zonder dat er noemenswaardige hervormingen worden gerealiseerd. Dat lijkt prematuur.

Beide kritiekpunten zijn terecht. Maar zijn ze zwaarwegend genoeg om dan maar van de lastenverlichting af te zien? Ik denk van niet.

De mislukking van de belastinghervorming is een politiek gegeven. De coalitiegenoten zijn te verdeeld en het politieke landschap is te versnipperd om de weerstand van belanghebbenden het hoofd te bieden. Als zoiets voor de hand liggends als het gelijktrekken van BTW-tarieven al niet lukt, begrijp ik wel dat het kabinet de handdoek in de ring gooit. Treuren over deze gemiste kans mag, maar we zullen de lastenverlichting op haar eigen macro-economische merites moeten beoordelen.

Dan het procyclische begrotingsbeleid. De grootste fout is helaas al gemaakt, door € 15 miljard aan lastenverzwaringen en bezuinigingen te laten vallen in het crisisjaar 2013. We hebben het gemerkt aan de sterke daling van het besteedbaar inkomen en de consumptieve bestedingen. Het resulteerde in een onnodige verslechtering van de economie, die op dat moment ook al onder de crisis in de woningmarkt te lijden had. Onnodig, omdat alleen al de pensioenhervormingen de houdbaarheid van de overheidsfinanciën sterk hebben verbeterd. Onnodig ook, omdat de riante vermogenspositie van Nederlandse staat, met zijn hoge belastingclaims op de toekomstige pensioenuitkeringen, geen enkele twijfel had mogen geven over de Nederlandse kredietwaardigheid.

Is de € 5 miljard aan lastenverlichting ook onnodig? Als we erop mogen vertrouwen dat de economische groei nu voldoende momentum heeft, dan kunnen we het geld beter gebruiken om staatsschuld af te lossen. Bij een volgende recessie heeft de overheid dan weer voldoende ruimte om te stimuleren. Of is het herstel toch nog te broos?

Voor 2016 voorspellen de meeste instanties een BBP-groei van rond de 2,5%. Dit mooie cijfer suggereert dat de economie wel zonder lastenverlichting kan. Maar dat gaat voorbij aan een aantal risico’s. De vooruitzichten voor de wereldeconomie zijn recentelijk onzekerder geworden, nu de Chinese groei afzwakt en de Amerikaanse centrale bank zich opmaakt voor een renteverhoging. En als kleine open economie is Nederland sterk afhankelijk van de wereldhandel. Dichter bij huis blijft het herstel van de eurozone zwak en blijft de muntunie kwetsbaar voor politieke onrust. Een sterkere groei en hogere inflatie zijn broodnodig om de schuldenproblemen te beheersen en de werkloosheid omlaag te brengen. De ECB doet met haar opkoopprogramma wat zij kan, maar het zou beter zijn als de lidstaten zelf meer doen om de groei te bevorderen. Dit betekent structurele hervormingen in landen waar het nodig is en een stimulerend begrotingsbeleid in landen waar daarvoor de ruimte is. Met Duitsland behoort Nederland tot de laatste categorie.

Tot slot. We komen uit een ongekend lange en hevige recessie die veel schade heeft toegebracht aan de private sector. Zo’n economie kan wel een steuntje in de rug gebruiken. Tijdens de Grote Depressie in de Verenigde Staten en de langdurige stagnatie in Japan dachten beleidsmakers te vroeg dat de economie wel weer op eigen benen kon staan. Laten we in Europa niet dezelfde fout maken.

Alles afwegend mogen we blij zijn dat de regering eindelijk het juiste werktuig in haar macro-economische gereedschapskist heeft gevonden. Dan moeten economen misschien maar niet al te kritisch zijn over de motieven van de gebruiker.