Archief

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

De euro is nog niet in veilig vaarwater

15 augustus 2017 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 15 augustus

Tien jaar geleden begon de kredietcrisis. In de zomer van 2007 werd duidelijk dat het globale financiële stelsel was geïnfecteerd met Amerikaanse rommelleningen en smolt het vertrouwen in banken als sneeuw voor de zon. Centrale banken moesten op grote schaal geld in het systeem pompen om het overeind te houden. Een jaar later werd na het omvallen van de zakenbank Lehman Brothers de crisis zichtbaarder voor het grote publiek. Een diepe en langdurige recessie volgde, waarin veel welvaart, groei en banen verloren gingen. De crisis was tevens de vuurdoop voor de euro. Griekse begrotingsperikelen en instortende huizenmarkten in Ierland en Spanje deden de eurozone trillen op haar grondvesten.

En toch bestaat de Euro nog. Sterker nog, het vertrouwen in de euro is nu op het hoogste niveau sinds het uitbreken van de crisis. Terwijl nog maar een paar jaar geleden vele experts het uiteenvallen van de eurozone voorspelden. Heeft deze ommekeer dankzij of ondanks het gevoerde beleid plaatsgevonden? En betekent dit dat de euro nu in veilig vaarwater is?

Vriend en vijand zijn het erover eens dat zonder het leiderschap van de Europese Centrale Bank de euro niet meer zou bestaan. Vanaf het begin van de crisis stond de ECB klaar om een implosie van het Europese bankwezen te voorkomen en de kapitaalvlucht uit Zuid-Europa op te vangen. ECB president Draghi’s “finest hour” kwam in juli 2012 toen hij met zijn befaamde “whatever it takes” uitspraak de onrust in de financiële markten over de toekomst van de euro wist te bezweren. Het opbreekrisico nam daarna drastisch af. In 2015 begon de ECB met het in Noord-Europa controversiële opkoopprogramma van staatsobligaties, om de economie te stimuleren en het deflatiegevaar te bestrijden. De effectiviteit hiervan is moeilijk aan te tonen, omdat we nooit zullen weten hoe de Europese economie zich zou hebben ontwikkeld zonder dit programma. Het is wel een feit dat sindsdien de economische groei is aangetrokken en het deflatiegevaar is geweken.

Gezien het economisch herstel is het logisch dat er nu volop wordt nagedacht over een stapsgewijze normalisatie van het monetair beleid. Waarschijnlijk zal de ECB eerst de maandelijkse aankopen van staatsobligaties in omvang terugbrengen, alvorens ze helemaal stop te zetten. Gedurende dit proces zal de ECB tevens de rente verhogen. In de laatste fase zal de ECB overgaan tot de verkoop van de staatsobligaties die ze in de loop der jaren heeft verzameld. Om twee redenen is hierbij geleidelijkheid en voorzichtigheid geboden. Ten eerste moet de ECB vermijden dat de normalisatie teveel verwarring en onrust in de financiële markten teweeg brengt. Ten tweede is het economisch herstel in veel Europese landen nog fragiel en ligt de inflatie nog steeds onder de ECB doelstelling van 2%. Ook is de euro de afgelopen maanden sterker geworden, wat een dempend effect op de inflatie heeft. Er is dan ook absoluut geen reden om nu abrupt aan de monetaire rem te trekken. 

Dankzij de ECB heeft de euro de crisis overleeft, maar er zijn grenzen aan wat monetair beleid kan bereiken. Monetair beleid kan de fundamenten van de muntunie niet sterker maken. Dat blijft hard nodig, maar politici hebben het hierbij helaas grotendeels laten afweten.

De meeste progressie is nog geboekt bij de vorming van een Europese bankenunie. Europees bankentoezicht en het op Europees niveau afwikkelen van probleembanken moeten de financiële stabiliteit bevorderen. Dit project blijft vooralsnog werk in uitvoering. De bankenunie heeft niet kunnen voorkomen dat de Italiaanse belastingbetaler recentelijk moest meebetalen aan de redding van twee Italiaanse banken. En veel Europese banken hebben nog steeds een te hoge blootstelling aan de staatsschuld van hun eigen overheid. Wanneer de zorgen over de overheidsfinanciën in Zuid-Europese landen terugkeren, zullen die wederom een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het Europese bankwezen.

Die zorgen zijn niet denkbeeldig. In veel Europese landen zijn overheidsfinanciën nog niet op orde. Wanneer de ECB haar opkoopprogramma afbouwt en de rentelasten stijgen, kan de staatsschuld in een aantal eurolanden onbeheersbaar worden. Het is de vraag of het noodfonds dat tijdens de crisis in allerijl is opgetuigd dan volstaat. De eurozone heeft een structurele oplossing voor de beheersing van begrotingsrisico’s nodig. In dit verband roept de terugkeer van Griekenland naar de kapitaalmarkt vraagtekens op. In juli haalde de Griekse overheid € 3 mld op bij private beleggers, tegen een rente van 4,6%. Deze actie werd gezien als een teken dat Griekenland op de goede weg is en binnenkort wellicht geen Europese steun meer nodig heeft. Dit is een illusie. Als Griekenland haar volledige staatsschuld van meer dan €300 miljard tegen zo’n hoge rente zou moeten financieren wordt haar schuld onbeheersbaar. De Europese partners proberen met een zachte rente en looptijdverlenging de Griekse schuld draagbaar te houden en worden onder druk gezet om tot kwijtschelding over te gaan. Intussen worden private beleggers op een mooi rendement getrakteerd. Deze verdeling van lusten en lasten kan beter, dunkt mij.

Zelfs met een stabiel bankwezen en gezonde overheidsfinanciën is de euro niet in veilig vaarwater. Daarvoor zijn groei en banen nodig. Als burgers het gevoel krijgen dat de eurozone synoniem is voor economische stagnatie blijft er altijd het politieke risico dat er ergens een partij aan de macht komt die beweert dat het gras groener is buiten de eurozone. In veel eurolanden kan het groeipotentieel worden verhoogd met structurele hervormingen, gericht op een versterking van het ondernemingsklimaat en een efficiënt en goed openbaar bestuur. Europa kan hierbij helpen, maar uiteindelijk zullen de landen het zelf moeten doen. Niet omdat het van Europa moet, maar omdat het in hun eigenbelang is. Voor de euro betekent dit dat haar voortbestaan op de lange termijn afhankelijk is van de hervormingsbereidheid van individuele lidstaten. Een ongemakkelijke conclusie.

 

 

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

Niet de euro, maar de loonvorming is het probleem

Opiniebijdrage ND, 22 juni

Stel je voor dat Mark Rutte zou twitteren dat de Amerikanen “bad, very bad” zijn omdat ze veel te veel geneesmiddelen en medische apparatuur naar Nederland exporteren, dat het handelstekort van Nederland met de VS ($ 24 miljard in de goederenhandel in 2016) aantoont dat de VS op een oneerlijke manier concurreert en dat de dollar veel te goedkoop is. Rutte kijkt wel uit, want hij zou zichzelf voor gek zetten. Waarschijnlijk weet hij ook wel beter.

Toch is dit de redenering waarvan Donald Trump zich bedient wanneer hij klaagt over de zwakke euro en over de miljoenen Duitse auto’s die op oneerlijke wijze naar de VS worden verscheept. Zijn Duitsland-bashing valt goed in de Angelsaksische wereld, waarschijnlijk omdat men daar het gevoel heeft dat de Duitse exportprestatie toch niet helemaal normaal is. De kritiek raakt ook Nederland, omdat wij met onze lage lonen en hoog handelsoverschot in economisch opzicht sterk op Duitsland lijken.

Trump’s redenering bevat echter twee denkfouten die verhullen waar het echte probleem zit in de economische relatie tussen Duitsland en de rest van de wereld. Handelstekorten tussen landen onderling, zeker wanneer het gaat over individuele producten, zeggen meer over de industriële structuur van landen dan over oneerlijke handelspraktijken. Duitsland maakt al decennia mooie auto’s die buitenlanders graag kopen. In 2011, toen de euro een tijdje boven de 1,40 $/€ stond, was Duitsland ook al ’s werelds grootste auto-exporteur. Onze Oosterburen zijn gewoon goed in het maken van auto’s; dat kun je ze niet kwalijk nemen. Het wordt anders wanneer een land jarenlang een tekort of overschot in alle handel met de rest van de wereld heeft. Dat kan duiden op een onderliggend macro-economisch probleem. Zo wordt er in de VS weinig gespaard en veel geconsumeerd. Dit vertaalt zich in een handelstekort.

De tweede denkfout heeft betrekking op het gebruik van de wisselkoers als indicator voor concurrentiekracht. Sinds 2014 is de euro ten opzichte van de dollar sterk verzwakt. Als deze verzwakking hand-in-hand was gegaan met een evenzo grote loonstijging in de Duitse industrie, dan was er van het concurrentievoordeel niets overgebleven. De concurrentiepositie wordt dus niet alleen door de wisselkoers beïnvloedt, maar ook door de loon- en prijsontwikkeling. Als je daar rekening mee houdt resulteert voor Europa een divers beeld. Het Britse World Economics heeft berekend dat Duitsland momenteel 12% goedkoper is dan de VS. Daar staat tegenover dat Frankrijk 8% en Griekenland zelfs 20% duurder is dan de VS. Ten opzichte van Duitsland is Griekenland dus maar liefst 32% te duur! Dat probleem los je niet op met een sterkere euro, die niets doet aan de interne concurrentiepositie binnen het eurogebied. Integendeel, een sterkere euro zou het alleen maar moeilijker maken voor landen als Frankrijk en Griekenland om concurrerend te worden ten opzichte van handelspartners buiten de eurozone.

Wat is dan wel de oplossing? Net als in de VS duidt de Duitse (en Nederlandse) onbalans in de internationale handel op een macro-economisch probleem. In Noord-Europa wordt te veel gespaard en te weinig geconsumeerd en geïnvesteerd. In Nederland is de koopkracht van werknemers er sinds de crisis nauwelijks op vooruit gegaan. Zelfs het CPB en DNB roepen nu op tot hogere lonen. Ook in Duitsland is volgens het IMF ruimte voor verdere loongroei. Hogere lonen maken Nederland en Duitsland duurder ten opzichte van zowel Zuid-Europa als de VS. Precies wat nodig is om de handelsonevenwichtigheden te herstellen.

Als iedereen het hierover eens is, waarom gebeurt het dan niet? Er wordt wel gewezen op de onmacht van de vakbonden om loonsverhogingen af te dwingen. De opkomst van de flexwerker zou hierin een rol spelen. Daarnaast zou ook de overheid weinig kunnen doen om loonsverhogingen af te dwingen. Dit laatste argument lijkt mij onzin. Als grootste werkgever is de overheid ook de grootste partij op de Nederlandse arbeidsmarkt. Wanneer de overheid meer banen gaat scheppen en haar werknemers beter gaat betalen, na jarenlang schraalhans keukenmeester in de publieke sector, dan zal dat tot loonstijgingen leiden, ook in de private sector. Een nieuwe regering doet er dan ook goed aan om het pleidooi voor loonsverhoging van CPB en DNB kracht bij te zetten door zelf het goede voorbeeld te geven. Dan moet ze wel het tegenstrijdige advies van CPB en DNB om de hand op de knip te houden maar even laten voor wat het is.

Categorieën:Uncategorized

De economische agenda van Rutte III

Opiniebijdrage in het ND van 20 maart

De borstklopperij dat Nederland sterk uit de crisis is gekomen werd tijdens de verkiezingscampagne voor zoete koek geslikt. In het EenVandaag debat vergeleek Rutte Nederland in positieve zin met Frankrijk en Italië. Daar deed de regering niets en blijft de economie kwakkelen. Maar willen wij ons echt met deze zwakke broeders vergelijken? Een betere vraag is hoe Nederland uit de crisis was gekomen als Rutte had gekozen voor een beleidsmix die meer was gericht op structurele hervormingen en minder op het te snel terugbrengen van een begrotingstekort met bezuinigingen en lastenverzwaringen. Ik denk dat Nederland er dan veel beter had voorgestaan.

De verkiezingsuitslag geeft Rutte de kans zich te revancheren. Ook al speelde de economie geen hoofdrol in de campagne, zij zal wel de agenda van Rutte III bepalen. Het ligt voor de hand dat een nieuw kabinet zich gaat richten op de hervormingen die onder Rutte II zijn mislukt (arbeidsmarkt), nog niet zijn voltooid (woningmarkt, zorg) of zijn doorgeschoven (belastinghervorming; pensioenen). Natuurlijk verwacht de burger nieuw beleid van een nieuw kabinet, zeker na de beleidsarmoede van de afgelopen twee jaar, maar ik wil mijn persoonlijke top vijf toch beginnen met wat een nieuw kabinet vooral niet moet doen.

1. Geen korte-termijn begrotingsbeleid

Het zou wenselijk zijn als een nieuwe minister van financiën minder krampachtig stuurt op het korte-termijn begrotingstekort. De riante vermogenspositie van de Nederlandse staat, met haar hoge belastingclaims op de toekomstige pensioenuitkeringen, betekent dat de kredietwaardigheid van Nederland niet ter discussie staat. Dit betekent dat het begrotingsbeleid zich kan richten op het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Er geen enkele noodzaak om politieke energie te besteden aan het micro-managen van het tekort op de korte termijn. As de economie even tegenzit loopt het tekort op en vice versa. Laat het gebeuren, zou ik zeggen.

2. Wijsheid in Europees beleid

De grootste risico’s voor de Nederlandse welvaart komen van buiten. Nederland zal binnenkort de gevolgen van Brexit voelen. Daarnaast is de stabiliteit van het eurogebied nog allerminst gegarandeerd. Het is zaak dat het nieuwe kabinet hier vanuit weloverwogen eigenbelang mee omgaat en de emotie buiten de deur houdt. Als handelsnatie hebben wij belang bij een zo zacht mogelijke Brexit en een zo sterk mogelijke Europese Unie. Nederland moet dan ook een matigend tegenwicht bieden aan Europese partners die de Britten graag zien bloeden. Met betrekking tot Griekenland blijft het zaak de halsstarrige Griekse regering tot hervormingen te bewegen. Hiervoor is engelengeduld nodig, maar het Grexit alternatief is allerminst aantrekkelijk. Nog een mislukte staat erbij in een explosieve regio kunnen we in Europa niet gebruiken.

3. Aandacht voor uitvoering

Dan nu de binnenlandse hervormingen. Voorop moet staan dat er meer aandacht komt voor de kwaliteit van de uitvoering. Het stapelen van nieuw beleid op een onmachtig uitvoeringsapparaat is vragen om problemen, zoals we hebben gezien bij de belastingdienst en in het PGB-dossier. In een vierpartijencoalitie zal iedere partij zich willen profileren en snel zijn stokpaardjes willen verwezenlijken. Ik vrees dan ook een ingewikkeld regeerakkoord met voor elk wat wils, met als risico dat het wederom mis gaat in de uitvoering. Het land heeft er baat bij als de nieuwe regering een beperkt aantal zaken goed en zorgvuldig aanpakt, in plaats van het ambtenarenapparaat te laten verzuipen in de beleidsinitiatieven. Ik zou prioriteit geven aan belastinghervorming en arbeidsmarkthervorming.

4. Belastinghervorming

Het reduceren van complexiteit is het meest urgent op het terrein van de belastingen. Ons belastingstelsel is met zijn toeslagencircus veel te ingewikkeld en behoeft een grondige herziening. De uitdaging is om versimpeling samen te laten gaan met vergroening. Ook kan de hypotheekrenteaftrek verder worden teruggebracht door de fiscale behandeling van de eigen woning over te hevelen naar box 3. Een omvangrijke belastinghervorming kent altijd verliezers. Gelukkig staan de overheidsfinanciën er goed voor en is er smeergeld om de verliezers te compenseren.

5. Arbeidsmarkthervorming

Er is alom onvrede over de Wet Werk en Zekerheid en de Wet Deregulering Arbeidsrelaties. Beide wetten zijn gemaakt door Rutte II en doen niet wat ze beogen. Hoe je ook denkt over de wenselijkheid van flexwerken versus vaste loondienst, de huidige regelgeving voldoet niet. Een nieuw kabinet zal hier iets aan moeten doen. Veel werknemers hebben behoefte aan vastigheid, maar we moeten niet de illusie hebben dat werkgevers de baan voor het leven kunnen garanderen. Voor werkgevers is het daarentegen van belang dat de kosten bij ziekte en ontslag draagbaar zijn. Welke keuze op het spectrum vast-flex ook wordt gemaakt, in alle gevallen is het van belang dat onze beroepsbevolking bij blijft in een tijd waarin de technologische ontwikkelingen razendsnel gaan. Een goed arbeidsmarktbeleid gaat dus ook over investeren in onderwijs en over het stimuleren van permanente educatie.

Categorieën:Uncategorized

Uur U voor de Europese bankenunie

13 december 2016 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in ND van 13 december

Het Italiaanse referendum heeft ons de afgelopen weken eraan herinnert dat het Europese bankwezen nog steeds niet gezond is. Een aantal Italiaanse banken heeft dringend kapitaalversterking nodig omdat ze door slechte kredieten ernstig zijn verzwakt. De politieke onzekerheid volgend op de nee-stem schrikt private investeerders echter af. Als vers kapitaal uitblijft, dan zullen de Italiaanse banken op een andere manier gezond moeten worden gemaakt. De Italiaanse overheid zou graag de banken redden met overheidsgeld. Op een staatsschuld van € 2 biljoen kunnen de benodigde € 40 miljard er nog wel bij, zo redeneren Italiaanse politici. Maar staatssteun verlenen gaat niet zomaar. De Europese regels verlangen in dat geval een substantiële financiële aderlating van de schuldeisers van banken, een zogenaamde bail-in. Onder die schuldeisers bevinden zich veel kleine Italiaanse beleggers. Als zij vanwege Brussel hun geld niet terugzien, dan is dat koren op de molen van de anti-Europese populisten in Italië.

De volkswoede zou zich echter niet op Europa, maar in de eerste plaats op de eigen regering moeten richten. Die heeft veel te lang gedraald om de problemen in het bankwezen aan te pakken. Ook slaagt de regering er maar niet in om met hervormingen de economie te laten groeien. Daardoor is zij mede debet aan de verslechtering van de kredietportefeuille van de Italiaanse banken. De woede zou zich ook moeten richten op de banken zelf, die met misleidende verkooppraktijken hun klanten hebben opgezadeld met riskante bankaandelen en bankobligaties en die er ook niet in slagen om hun bedrijfstak efficiënter en winstgevender te maken. Het land heeft meer bankkantoren dan pizzeria’s. De Italianen mogen ook boos zijn op zichzelf. Ze hebben bij het referendum een sclerotisch politiek systeem intact gelaten, dat broodnodige hervormingen tegenhoudt.

Europa kan hooguit worden verweten dat ze in de Italiaanse bankencrisis niet voortvarend genoeg te werk gaat. Onlangs heeft de Europese rekenkamer ernstige kritiek geuit op het functioneren van de ECB als Europese bankentoezichthouder. De ECB slaagt er niet snel genoeg in om eigen toezichtcapaciteit op te bouwen en leunt sterk op de nationale toezichthouders. Dit betekent dat het toezicht grotendeels wordt uitgevoerd door dezelfde mensen die jarenlang de problemen op hun beloop hebben gelaten. Voor de geloofwaardigheid van de bankenunie is dit een slechte zaak. Het is daarom van groot belang dat de ECB nu doorpakt bij de huidige testcase, de redding van Banca Monte dei Paschi di Siena. Het bericht dat de ECB bij de kapitaalversterking van deze bank geen verder uitstel duldt, kan erop duiden zij beseft dat haar reputatie op het spel staat.

Voor een geloofwaardige bankenunie is het ook van belang dat het bail-in principe niet overboord wordt gegooid. Het laten bloeden van private schuldeisers beschermt de belastingbetaler en zorgt ervoor dat beleggers beter opletten wanneer zij geld in banken steken. De enige reden om hier vanaf te zien is wanneer een bail-in de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar zou brengen. Ik denk dat dit in het geval van Monte dei Paschi wel meevalt. De problemen bij deze bank zijn al lang en breed bekend en kunnen de financiële markten onmogelijk verrassen. Dat sommige bankiers toch pleiten voor staatssteun in plaats van een bail-in zegt vooral iets over hun ingebakken neiging om de rekening van bankfalen bij de belastingbetaler neer te leggen.

De testcase Monte dei Paschi zal binnenkort uitwijzen of de Europese toezichthouders het bail-in principe in Italië durven toe te passen. Zo niet, dan moeten we helaas concluderen dat bail-in geen adequate bescherming van Europese belastingbetalers biedt. In dat geval moet het ontwerp van de Europese bankenunie terug naar de tekentafel. De bankenunie 2.0 zal dan moeten worden uitgerust met een geloofwaardig alternatief voor bail-in. Wat mij betreft is het enige alternatief een forse verhoging van de kapitaalbuffers van banken, om de kans te verkleinen dat in de toekomst belastingbetalers toch weer opdraaien voor het falen van bankiers.

 

Categorieën:Uncategorized

Verengelsing heeft ook voordelen

7 september 2016 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 7 September

In de Volkskrant maakte commentator Martin Sommer zich de afgelopen weken tot tweemaal toe kwaad over de onstuitbare verengelsing van het wetenschappelijk onderwijs. Hij vindt het dom dat wetenschappers onze moedertaal zo achteloos terzijde schuiven. Maar zijn ongenuanceerde kruistocht tegen verengelsing is even plat als de kritiekloze manier waarop sommige onderwijsbestuurders het Engels omarmen.

Het is gemakkelijk om een karikatuur te maken van de verengelsing van het onderwijs. Natuurlijk is het raar wanneer Nederlandse docenten en studenten onderling in steenkolenengels communiceren. Ook spreekt het voor zich dat er dan informatieverlies kan optreden. Engelstalig onderwijs draagt ook niet bij aan een betere beheersing van de Nederlandse taal onder studenten. Dat is allemaal waar. Maar Sommer vergeet dat de verengelsing van het wetenschappelijk onderwijs ook kwaliteitsverbeteringen kan opleveren. Die doen zich vooral voor wanneer een opleiding erin slaagt om een internationale onderwijsomgeving te scheppen, waarin buitenlandse wetenschappers en studenten iets toevoegen aan de opleiding. De discussie zou dan ook moeten gaan over de vraag onder welke condities de verengelsing van een opleiding zinvol is. Met andere woorden, wanneer zijn de voordelen van verengelsing groter dan de nadelen?

Een antwoord op deze vraag begint met de constatering dat Engels de taal van de wetenschap is. Zelfs Sommer erkent dat dit voor de topwetenschap het geval is. Een voor de hand liggende implicatie hiervan is dat voor de meeste vakgebieden, uitzonderingen zoals rechtsgeleerdheid daargelaten, de beste wetenschappelijke literatuur alleen in het Engels beschikbaar is. Voor veel opleidingen is de voorgeschreven literatuur dan ook al lang verengelst. De kwaliteitsvoordelen hiervan wegen ruimschoots op tegen het eventuele informatieverlies dat optreedt wanneer een Nederlandse student een Engelstalig artikel moet lezen.

Een tweede implicatie is dat elke jonge wetenschapper met enige ambitie zich zal richten op schrijven en spreken in het Engels. Dit zijn immers noodzakelijke vaardigheden om zich te mengen in het wetenschappelijke discours. Met bloemrijk Nederlands kom je er niet. Jonge wetenschappers willen ook graag deel uitmaken van een goede onderzoeksgroep, waarvan de leden worden geworven uit de internationale wetenschappelijke gemeenschap. Het aantrekken van buitenlandse wetenschappers kan de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek bevorderen. Er wordt immers in een grotere talentvijver gevist. Maar het heeft ook consequenties voor het onderwijs. Buitenlandse wetenschappers zijn immers minder gemakkelijk inzetbaar in het Nederlandstalig onderwijs. Naarmate de wetenschappelijke staf internationaler worden, ligt verengelsing dan ook meer voor de hand.

Dan de vraag naar Engelstalig onderwijs. Buitenlandse studenten komen graag naar Nederland vanwege de gunstige prijs-kwaliteitsverhouding van ons universitair onderwijs. Nederlandse opleidingen zijn in het algemeen beter van kwaliteit dan opleidingen in de rest van continentaal Europa en goedkoper dan de topopleidingen in de Angelsaksische landen. Als het echt zo slecht gesteld zou zijn met het Engels aan onze universiteiten, dan vraag je je af waarom er zoveel buitenlandse studenten naar Nederland komen. Natuurlijk vinden universiteitsbestuurders buitenlandse studenten een financieel aantrekkelijke doelgroep. Na jaren van kaalslag waarin de overheidsbijdrage per student substantieel is gedaald, kun je het ze ook niet echt kwalijk nemen. Maar buitenlandse studenten louter als melkkoe zien, doet hen onrecht.

Mijn ervaring is dat buitenlandse studenten een sterk positief effect op de kwaliteit van het onderwijs hebben. Met hun komst naar Nederland plegen zij een flinke investering die niet mag mislukken. In het algemeen zijn buitenlandse studenten dan ook gemotiveerder, ijveriger en veeleisender dan Nederlandse studenten (en, niet onbelangrijk voor de docent, ook beleefder). Wanneer hetzelfde onderwijs zowel in het Nederlands als in het Engels wordt aangeboden, blijkt dat in de internationale groepen de beste cijfers worden gehaald. Het onderwijs vaart dan ook wel bij de aanwezigheid van internationale studenten. Docenten geven graag college in internationale opleidingen. Veel ambitieuze Nederlandse studenten studeren ook graag in een internationale onderwijsomgeving. Niet alleen omdat er een betere studiementaliteit heerst, maar ook omdat de culturele diversiteit een verrijking is voor de student.

Kortom, verengelsing van het onderwijs is een noodzakelijke, maar nog geen voldoende voorwaarde voor succesvolle internationalisering. Dat laatste vereist dat de wetenschappelijke staf en de studentenpopulatie een internationale samenstelling kennen. De kwaliteitsvoordelen wegen dan op tegen het nadeel dat docenten en studenten niet in hun moerstaal kunnen communiceren. Maar als Engelstalige opleidingen er niet in slagen om echt te internationaliseren, kunnen ze maar weer beter vernederlandsen.

Categorieën:Uncategorized

Klaas Knot is geen bankier

31 maart 2016 2 reacties

Als iets eruitziet als een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het waarschijnlijk een eend. Maar deze eendentest gaat niet altijd op. Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank (DNB), ziet eruit als een bankier, verdient als een bankier en praat als een bankier. Maar dat maakt Knot nog geen bankier en DNB nog geen gewone bank.

Bij de presentatie van het jaarverslag van DNB werd veel bankierstaal gebezigd. In een interview met het NRC sprak Knot over buffers, verliezen en gaten in de balans van de centrale bank. DNB zet de komende jaren € 500 miljoen per jaar opzij als voorziening voor mogelijke verliezen op de aankopen van staatsleningen door de ECB. Knot uitte ook zijn bezorgdheid over het omstreden idee om centrale banken geld te laten uitstrooien onder de bevolking, ook wel bekend als helikoptergeld. Hij is bevreesd dat het een gat in de balans van de centrale bank slaat. Knot appelleert met zijn uitspraken aan het verlangen naar financiële degelijkheid dat leeft bij veel burgers, net als VVD politici die midden in de crisis beweerden dat de overheid haar huishoudboekje op orde moest maken. In beide gevallen is de economische logica echter ver te zoeken. De bezuinigingen tijdens de crisis hebben de recessie juist verergerd. En een centrale bank hoeft zich echt niet druk maken over een gat op haar balans. Een centrale bank is immers geen gewoon bedrijf.

Vanzelfsprekend heeft het recente monetaire beleid de balansen van centrale banken verzwakt. De kwaliteit van het onderpand dat banken aanleveren is verslechterd en ook aan het opkopen van overheidsobligaties kleven risico’s. Maar we moeten hier niet al te dramatisch over doen. Vanwege haar monopolie op de gelduitgifte kan een centrale bank altijd aan haar verplichtingen voldoen, zelfs wanneer verliezen tot een negatief eigen vermogen zou leiden. Solvabiliteit is geen halszaak als je geld kunt drukken. Dit is de reden dat er voor centrale banken geen kapitaaleisen gelden. Dit betekent ook dat de voorziening van 500 miljoen euro niet noodzakelijk is, in tegenstelling tot wat DNB in haar jaarverslag schrijft. Het kapitaal van DNB als percentage van het balanstotaal kon de afgelopen jaren ongemerkt dalen van rond de 10% in 2006 naar 4% nu. Een echte bankier had zo’n daling van de solvabiliteit niet overleefd.

De president van DNB is dan ook geen bankier, maar in de eerste plaats een overheidsdienaar. Hij heeft van de politiek de opdracht gekregen om voor prijsstabiliteit te zorgen en te waken over de stabiliteit van het financiële stelsel. De balans van een centrale bank is daarbij een hulpmiddel, niet een doel op zichzelf. Wanneer het monetair beleid de balans van een centrale bank verzwakt, dan hoeft dat op zichzelf geen ramp te zijn. Veel belangrijker is de vraag of de doelstelling van prijsstabiliteit wordt bereikt.

Over de effectiviteit van het opkoopbeleid van de ECB is veel te doen. Het is moeilijk om daar stellige uitspraken over te doen. We weten immers niet hoe de economie zich zou hebben ontwikkeld als de ECB niets zou hebben gedaan. Mijn eigen inschatting is dat de ECB het economisch herstel heeft bevorderd, via lagere rentestanden en een zwakkere wisselkoers. Knot mag zijn twijfels over dit beleid uiten, maar dan wel met deugdelijke argumenten. Schermen met risico’s voor de balans van de centrale bank is stemmingmakerij. De relevante risico’s zijn dat het beleid te goed werkt en op termijn tot hyperinflatie leidt of dat het vervelende bijwerkingen heeft, zoals zeepbelvorming in de financiële markten. Het risico voor de balans van de centrale bank is onbelangrijk.

Intussen is wel duidelijk geworden dat de ECB de kar niet alleen kan trekken. Voor een krachtiger herstel van de Europese economie is meer nodig: een stimulerend begrotingsbeleid in landen die het zich kunnen veroorloven en structurele hervormingen in landen waar dat nodig is. DNB voegt hier in haar jaarverslag aan toe dat er in Nederland ruimte is voor verdere loonstijgingen in de private sector, die kunnen bijdragen aan de consumptieve bestedingen en de groei. Dat is een prima suggestie, maar het ontslaat de centrale bank niet van haar taak. Om te voorkomen dat loonstijgingen de concurrentiepositie buiten Europa aantasten, blijft een zwakke euro wenselijk. Ook moeten we voorkomen dat de lonen in de publieke sector achterblijven en dat dit tot een kwaliteitsverarming van het overheidsapparaat leidt. Laat DNB daarom die 500 miljoen euro alsnog aan Dijsselbloem uitkeren ten behoeve van een stijging van de ambtenarensalarissen.

Weg met de instellingstoets in het hoger onderwijs

2 februari 2016 1 reactie

Opiniebijdrage in het ND van 2 februari

In januari debatteerde de Tweede Kamer over de toekomst van het accreditatiestelsel hoger onderwijs. Dit is het systeem waarmee de overheid de kwaliteit van het hoger onderwijs probeert te bewaken. Sinds 2011 bestaat het uit twee lagen. De opleidingsaccreditatie heeft tot doel de kwaliteit van individuele studies te beoordelen. Daar bovenop moet de instellingstoets vaststellen of een onderwijsinstelling zelf een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. Het is een inefficiënt systeem, waaraan ook na het Kamerdebat helaas geen einde komt.

Bij de invoering van de instellingstoets is door de minister een veel te rooskleurig beeld geschetst van het effect op de administratieve lastendruk. Die zou dalen, omdat de opleidingstoets in omvang zou worden beperkt. Maar het tegenovergestelde is gebeurd. Opleidingsaccreditaties kosten meer tijd dan vroeger, door de toegenomen aandacht voor de kwaliteit van toetsen en scripties. En onder druk van de instellingstoets is de bureaucratie binnen de instellingen sterk uitgedijd. Een evaluatie uit 2013 concludeert dan ook eufemistisch dat ‘de vermindering van de administratieve lasten nog niet overal is gerealiseerd’.

De onderwijsinstellingen hebben om twee redenen hieraan meegewerkt. Met de instellingstoets hebben colleges van bestuur een instrument in handen gekregen om de organisatie te centraliseren en uniformeren. Ook hoopten ze dat het dubbele stelsel de overgang zou vormen naar een nieuw stelsel met alleen de instellingstoets. Dit is internationaal de norm en zou veel bureaucratie besparen.

Deze hoop blijkt nu ijdel. De minister wilde aanvankelijk wel de onderwijsinstellingen de ruimte geven zelf hun opleidingen te beoordelen. Maar er is er geen politiek draagvlak om de opleidingsaccreditatie volledig af te schaffen. VVD, SP en GroenLinks vrezen voor ‘onzichtbaarheid van de feitelijke kwaliteit’ in het hoger onderwijs. Zij hechten aan de opleidingsaccreditatie om de waarde van het diploma te borgen.

Volgens het politieke compromis dat er nu ligt, kunnen onderwijsinstellingen experimenteren met een instellingstoets die tot een verlichte opleidingsaccreditatie kan leiden. Maar dit is gekrabbel in de marge. Politici belijden wel met de mond dat zij de administratieve lasten willen reduceren, maar het echte probleem wordt niet aangepakt. Het hoger onderwijs blijft immers doormodderen met een dubbel stelsel.

In 2013 hield ik in deze krant een pleidooi voor de afschaffing van de instellingstoets. We zijn nu meer dan twee jaar verder. In de tussentijd heeft ook de gezaghebbende Onderwijsraad hetzelfde geadviseerd. Volgens de Onderwijsraad ligt de primaire verantwoordelijkheid voor onderwijskwaliteit bij de opleiding en zijn ‘de aspecten van een kwaliteitscultuur die ertoe doen, … bij een instellingstoets moeilijk inzichtelijk te maken’. De Onderwijsraad vindt ook dat de instellingstoets ‘onwenselijke centralisatie’ aanwakkert. Een instellingstoets gaat over processen en beleid en staat te ver van de opleidingen, docenten en studenten af. Een instellingstoets leidt tot navelstaarderij over een instellingsbrede kwaliteitscultuur of onderwijsvisie, waar opleidingen zich slecht in herkennen. Een geslaagde instellingstoets betekent dat de beleidsmedewerkers hun werk goed hebben gedaan, maar zegt weinig over de opleidingskwaliteit.

Dat laatste blijkt ook uit een rapport van de accreditatieorganisatie NVAO uit 2015. De NVAO constateert dat instellingen met een positieve instellingstoets zich niet sterk onderscheiden van het gemiddelde. De huidige instellingstoets, concludeert de NVAO, heeft ‘op dit moment nog slechts een beperkte waarde als het gaat om het voorkómen van kwaliteitsproblemen bij bestaande of nieuwe opleidingen’. Dit is een omfloerste manier om te zeggen dat de instellingstoets niets toevoegt. Maar voor het advies van de Onderwijsraad en de feiten van de NVAO is de politiek helaas blind.

Kwaliteitscontrole in het hoger onderwijs is nodig. Enige bureaucratie is daarbij onvermijdelijk. Een goed systeem vereist dat wordt nagedacht over de vraag welke administratieve lasten nuttig zijn. Externe experts die een kijkje nemen in de keuken van de opleiding, concrete verbeterpunten aandragen of misstanden aankaarten, daar heb je wat aan. En veel meer is er ook niet nodig.

De minister en de Tweede Kamer brengen nu verfijningen aan in een slecht systeem. Daar schiet het hoger onderwijs weinig mee op. Het zou beter zijn als de politiek een keuze maakt en de onderwijsinstellingen hun verlies nemen. Een systeem met alleen een instellingsaccreditatie gaat er in Nederland niet komen. Dan hebben we aan de opleidingstoetsen genoeg. Afschaffen dus, die instellingstoets.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized