Archief

Archive for the ‘Onderwijs’ Category

Eerstejaarsrendement

Samen met Gerard Baars van het Risbo heb ik voor het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs een themanummer over eerstejaarsrendement geredigeerd. Het is te vinden via deze link.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

The Vision Thing

De Vrije Universiteit ligt onder vuur (zie het NRC van vandaag). Nu heb ik geen oordeel over de interne perikelen bij mijn Amsterdamse collegae, maar op één punt kunnen ze op mijn sympathie rekenen. Volgens een intern onderzoek is de onderwijsvisie van de VU “onvoldoende concreet”. Het zou één van de redenen zijn waarom de VU de instellingsaudit heeft uitgesteld. Maar dat lijkt me nu juist een groot pluspunt. Als scholier zou ik kiezen voor de universiteit met de minst concrete onderwijsvisie. Concrete onderwijsvisies kunnen namelijk heel gevaarlijk zijn, vooral als bestuurders ze proberen uit te voeren.

Het schoolvoorbeeld van een in de praktijk gebrachte onderwijsvisie is natuurlijk InHolland, waar competentiegericht onderwijs instellingsbreed werd ingevoerd. Kennisoverdracht door docenten werd in de ban gedaan. We weten allemaal hoe het daar is afgelopen. Een universiteit zonder concrete onderwijsvisie is de beste bescherming tegen dit soort onderwijskundige hypes.

Een universiteit is een plek waar vele hoogopgeleide medewerkers proberen om zo goed mogelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen, elk in hun eigen vakgebied en voor hun eigen opleiding. Zo dat al wenselijk is, is het een illusie om te denken dat je al deze wetenschappers in een keurslijf van een gemeenschappelijke onderwijsvisie kunt persen. Daar zijn ze veel te slim en eigenwijs voor.

Een goed College van Bestuur (CvB) koestert de heterogeniteit en eigenwijsheid van zijn personeel en schept de voorwaarden waaronder het individuele talent kan schitteren. Dit talent ondergeschikt maken aan een collectieve visie staat haaks op de academische gedachte. Een universiteit is geen Shell. De volgende uitspraak van VU-docent Slijper in het NRC bevat dan ook een kern van waarheid:

Het kost heel veel moeite om het college uit te leggen dat wij de universiteit zijn en zij het ondersteunend personeel.

Nu is deze statement ietwat overdreven. Een CvB heeft namelijk ook een belangrijke strategische rol, door de omvang, samenstelling en kwaliteit van de activiteiten te bewaken (in het jargon van de commissie Veerman heet dit profilering). Je zou een universiteit dus kunnen opvatten als een houdstermaatschappij van onderzoeksprogramma’s en opleidingen. Als er rotte appels tussen zitten, grijpt een CvB in. Als activiteiten goed zijn, worden ze verder gestimuleerd. Maar dat is een kwestie van governance en heeft weinig te maken met een onderwijsvisie.

Het misverstand dat je voor de bewaking van de onderwijskwaliteit een instellingsbrede
onderwijsvisie moet hebben is er helaas ingeslopen bij de invoering van de instellingsaccreditatie. Ik citeer eerst de relevante passage uit het toetsingskader van de NVAO:

Het doel van de instellingstoets kwaliteitszorg is vast te kunnen stellen of het bestuur van een instelling vanuit zijn visie op de kwaliteit van het onderwijs een doeltreffend systeem van kwaliteitszorg hanteert waarmee het de kwaliteit van de aangeboden opleidingen kan garanderen. Het gaat bij de instellingstoets kwaliteitszorg uitdrukkelijk niet om de
beoordeling van de kwaliteit van de afzonderlijke opleidingen.

In de uitwerking hiervan schrijft de NVAO:

De instelling beschikt over een breed gedragen visie op de kwaliteit van haar onderwijs en op het ontwikkelen van een kwaliteitscultuur. Deze visie heeft betrekking op de ambitie van de instelling ten aanzien van de kwaliteit van haar onderwijs en de eisen die de instelling stelt aan de kwaliteit van haar opleidingen.

Ik heb deze regels meerdere malen gelezen en weet nog steeds niet wat er precies wordt bedoeld. Wat wil de NVAO? Is dat:

1) Een visie op onderwijs (hoe ziet goed onderwijs er uit?) of
2) Een visie op kwaliteitsbewaking (hoe zorgt de instelling ervoor dat de kwaliteit van het onderwijs wordt bewaakt?).

Interpretatie 2) sluit het meeste aan bij de geest van de instellingsaccreditatie. De instelling moet dan aantonen dat ze de kwaliteitsbewaking goed heeft georganiseerd (en dus “in control” is). Dat kan geheel visieloos. Het gaat dan om de vraag welke eindtermen de opleidingen hebben vastgesteld, of deze aan de internationale maatstaven voldoen, hoe de opleidingen die eindtermen denken te realiseren en of dit ook in de praktijk ook gebeurt. Opleidingen verschillen sterk in hun eindtermen en dus ook in de manieren om die te realiseren. En zelfs binnen hetzelfde wetenschapsgebied zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden. Een breed gedragen onderwijsvisie is dan ook niet nodig voor een sluitend kwaliteitssysteem. De eis dat er een “breed gedragen visie” moet zijn illustreert overigens hoe ver de NVAO van de universitaire werkelijkheid af staat. Een universiteit is immers een broedplaats van meningsverschil. Dat zit nu eenmaal in de aard van het beestje.

De vraag is nu hoe een CvB een instellingstoets ingaat. Kiest het CvB de tweede interpretatie en probeert het aan te tonen dat het “in control” is. Of wordt er voor de zekerheid toch maar een onderwijskundige beleidsmedewerker aan het werk gezet om iets van een onderwijsvisie te produceren die concreet genoeg is om de NVAO tevreden te stellen maar vaag genoeg is om de diversiteit binnen de instelling te accommoderen. Arme beleidsmedewerker, want dat lukt natuurlijk nooit.

Dit brengt me bij de vraag waarom we de instellingstoets überhaupt hebben. In de beperkte opleidingsaccreditatie – die verplicht blijft, ook als je de instellingstoets doorstaat – zit eigenlijk alles wat je nodig hebt om de kwaliteit van een opleiding te beoordelen. Scripties lezen, onderwijsmateriaal en toetsen beoordelen, studenten en docenten spreken. Dat is het nuttige handwerk van de opleidingsaccreditaties. De instellingstoets resulteert daarentegen alleen maar in beleidsdiarree. En het werk van het CvB wordt al beoordeeld via de prestatieafspraken die de minister met de universiteiten heeft gemaakt. Afschaffen dus, die instellingstoets.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Wiens belang behartigt de langstudeerdersvakbond?

20 januari 2013 2 reacties

De Erasmus Universiteit heeft onlangs gepubliceerd over de positieve tussenresultaten van haar project Nominaal = Normaal. Dit project is erop gericht om eerstejaars studenten te stimuleren om de propedeuse in één keer te halen. Het project omvat een scala aan maatregelen, waaronder de verhoging van de norm voor het bindend studieadvies (bsa) tot 60 credits en het gebruik van compensatieregelingen.

Over dat laatste windt de LSVb – de langstudeerdersvakbond – zich nu heel erg op. Het kan toch niet zo zijn dat studenten hun eerste jaar halen met onvoldoendes. Schande! “De Erasmus Universiteit legt de lat lager!” Een populistische boodschap waar bijvoorbeeld een krant als de Telegraaf wel gevoelig voor is.

Maar terwijl in de media de discussie over compensatie van onvoldoendes periodiek oplaait, is het onderwerp onomstreden in de onderwijskundige literatuur. In de psychometrie is immers al lang geleden aangetoond dat het veel beter is om een oordeel over iemands geschiktheid (voor bijvoorbeeld een studie) te baseren op het gemiddelde van veel metingen dan op een heleboel afzonderlijke metingen. Tentamens zijn imperfecte metingen van de beheersing van de stof door een student. De kwaliteit van tentamens varieert door de tijd heen en een student kan altijd een mindere dag hebben. Deze imperfecties middel je uit wanneer je compensatie toelaat (zie dit opiniestuk voor meer argumenten). De lat wordt dus betrouwbaarder. En met de verhoging van de bsa-norm naar 60 credits door de Erasmus Universiteit wordt deze lat ook nog eens hoger gelegd. Een betere lat hoger leggen, dat is dus waar het om gaat.

Met het alternatief – studenten laten herkansen tot ze erbij neervallen – hebben we binnen het hoger onderwijs helaas ruime ervaring. Er is geen betere manier om uitstelgedrag van studenten aan te moedigen dan het overvloedig aanbieden van herkansingen. En wat is een zesje nu eigenlijk waard na tien pogingen? De kans wordt steeds groter dat het een toevalstreffer is.

De logica van compensatieregelingen is zo sterk dat je ze – ondanks de onterechte negatieve beeldvorming – regelmatig tegenkomt. Niet alleen in het hoger onderwijs, maar ook in het voortgezet onderwijs. Niet alleen in Nederland, maar ook internationaal. Niet alleen tegenwoordig, maar ook in het verleden. Toen ik studeerde (begin jaren ’80) bestonden ze in ieder geval ook al. Natuurlijk moet een opleiding goed nadenken over de precieze vorm van compensatie. Persoonlijk heb ik een voorkeur voor een examenregeling waarin alleen lichte onvoldoendes kunnen worden gecompenseerd en waarin compensatie plaatsvindt tussen soortgelijke vakken. En dan alleen in de eerste, brede fase van de bacheloropleiding, niet in de specialisatiefase of in de master. Maar afhankelijk van de inhoud en opbouw van het curriculum zijn er verschillen tussen opleidingen mogelijk.

Het opgewonden persbericht van de langstudeerdersvakbond kan dus niet worden onderbouwd.
Waarom maken ze dan zoveel mediakabaal? Volgens mij is voor de langstudeerdersvakbond de echte steen des aanstoots de verhoging van de bsa-norm naar 60 credits. De LSVb is altijd al een fel tegenstander geweest van het bindend studieadvies, overigens om mij onduidelijke redenen. De aanscherping hiervan door de Erasmus Universiteit is de LSVb dan ook een doorn in het oog. Dit beleid moet blijkbaar met alle middelen worden bestreden, onderbouwing of geen onderbouwing.

Met de komst van het sociaal leenstelsel zal studievertraging tot een nog hogere studieschuld leiden. De hoge bsa-norm (met daarbij de invoering van compensatieregelingen en een gelijktijdige afbouw van herkansingsmogelijkheden) reduceert het uitstelgedrag en stimuleert de student tot een onmiddelijke studieinspanning. In het sociaal leenstelsel zal zo’n vliegende start worden beloond met een lagere studieschuld. En van harder werkende studenten verschraalt het onderwijs niet, hooguit het ledenbestand van de langstudeerdersvakbond. Ik vraag me onderhand af wie de belangen van de student beter dient, de langstudeerdersvakbond of de Erasmus Universiteit.

Categorieën:Onderwijs

Zolang hoogleraren niet kloonbaar zijn blijft het hoorcollege zinvol

8 januari 2013 Plaats een reactie

In de Volkskrant is een discussie losgebarsten over het nut van hoorcolleges in het universitaire onderwijs. Hoogleraar Jan Derksen pleit voor afschaffing van deze onderwijsvorm:

De universiteit zou moeten aansluiten bij de nieuwe psychologische identiteit van jongeren. Ze zijn individualistisch en narcistisch geworden, mede onder invloed van de technologie. Dat is geen verloedering, maar iets waar je op moet inspelen.

Geef studenten de vrijheid om hun eigen interesses na te jagen. Colleges kunnen het internet op. Toetsen kunnen ook online worden afgenomen.

In de onderwijskunde wordt echter vaak gewezen op het belang van sociale en academische integratie voor de studievoortgang (de guru op dit terrein is de Amerikaanse hoogleraar Vincent Tinto). De column van Floor Rusman in nrcnext, waarin ze het onder meer heeft over het belang van gezamenlijkheid, sluit hierbij aan. Als je de “individualistische en narcistische student” moederziel alleen laat surfen op het internet voorspelt dat volgens Tinto dan ook weinig goeds voor de studievoortgang. [Overigens heb ik in mijn loopbaan meer narcisme gezien onder hoogleraren dan onder studenten, maar dit terzijde].

Voor elke onderwijsvorm geldt dat het succes staat of valt met de kwaliteit van de uitvoering. Zo ook voor het hoorcollege. Je hebt goede en je hebt slechte hoorcolleges. Goede hoorcolleges brengen structuur aan, boeien de student en motiveren hem/haar tot zelfstudie. Net als bij een concert is een goed hoorcollege “live” een betere ervaring dan via het internet, zie ook de uitstekende repliek van Eva van Gemert. Maar er zijn helaas ook minder inspirerende hoorcolleges waarin docenten voorlezen uit collegedictaten of powerpoints.

Met name de grootschalige hoorcolleges vormen een uitdaging voor zowel de docent als de student. Interactie met individuele studenten is immers nauwelijks mogelijk. Deze onderwijsvorm verlangt van de docent doceerkwaliteiten die erop gericht zijn om een groot publiek te bereiken. Niet iedere docent heeft deze van nature in huis. Er worden op veel universiteiten dan ook cursussen theatervaardigheden aangeboden aan universitair docenten. En van de student wordt twee uur stilte en aandacht gevraagd. Dat is natuurlijk een lange tijdspanne in het smartphone-tijdperk met alle sociale media-afleidingen. Maar juist het hoorcollege zou een prikkelvrije omgeving kunnen bieden waarin de student zich volledig concentreert op de spreker. Dan moet natuurlijk wel de smartphone uitstaan. In de bioscoop en de concertzaal is dit vanzelfsprekend; dat zou het ook moeten zijn in de collegezaal. En thuis op de studentenflat zijn er zoveel prikkels en afleidingen dat er van het geconcentreerd afluisteren van een webcast weinig terecht komt. Niet voor niets zoeken studenten voor zelfstudie een ouderwetse bibliotheek op.

In een andere repliek breekt Tom van Hoven een lans voor meer kleinschalig contact tussen docent en student:

De klaagzang van Derksen komt voort uit het geven van hoorcolleges aan groepen van vijfhonderd eerstejaars in een grote collegezaal. Iedere student zal beamen dat deze colleges op zijn zachtst gezegd niet de meest inspirerende zijn. De oplossing van Derksen zal echter deze situatie niet verbeteren maar slechts verslechteren. Een echte oplossing is het verkleinen van de grote groepen studenten en meer college geven in werkgroepvorm naast de reguliere hoorcolleges. Op deze manier kunnen studenten elkaar stimuleren en is er genoeg ruimte voor vragen en discussie. De gedachte dat hier rijen docenten en hoogleraren voor nodig zijn is onjuist. Ouderejaars studenten kunnen door het volgen van cursus didactiek werkgroepen geven aan jongere studenten. Deze ouderejaars weten vaak nog goed waar pijnpunten in een vak lagen en kunnen goed inspelen op de behoeftes en interesses van de studenten. Daarnaast zullen de ouderejaars hun eigen sociale en didactische vaardigheden uitbreiden – twee vliegen in een klap.

Een mix van hoorcolleges door hoogleraren en kleinschalige werkgroepen door ouderejaars studenten of PhD-studenten lijkt me voor de meeste grootschalige opleidingen inderdaad de beste combinatie. Maar het defaitisme van Van Hoven ten aanzien van de hoorcolleges deel ik niet. Juist de hoorcolleges zouden moeten inspireren. De wetenschappelijke bevlogenheid komt niet van een ouderejaars student; die moet toch echt van de hoogleraar komen.

Ik denk overigens dat in het huidige onderwijsklimaat de voordelen van kleinschalige interactie tussen studenten iets worden overschat. Als student luisterde ik liever naar een prof dan naar een mede-student, ook al was in het eerste geval de zaal wat groter. Hoogleraren hebben meer te vertellen, maar zijn helaas niet te klonen voor kleinschalig onderwijs. Ook nu nog luister ik liever naar een boeiende expert dan dat ik een groepsdiscussie bijwoon. Maar luisteren is in het hoger onderwijs helaas een ondergewaardeerde activiteit geworden; meepraten zonder kennis een overgewaardeerde. De ironie wil dat ik ooit een pleitbezorger van probleem-gestuurd onderwijs (geen hoorcolleges maar praatgroepen) een geweldig hoorcollege heb horen geven.

Categorieën:Onderwijs

Verlos de universiteiten van een belangenconflict

30 oktober 2012 1 reactie

Onderstaande blog verscheen eerder in HO management, Oktober 2012

De overheid wil dat universiteiten zowel een hoge kwaliteit als een hoog studierendement leveren. Een probleem hierbij is dat deze doelstellingen kunnen conflicteren, zoals de InHolland-affaire heeft aangetoond. Het antwoord van de vorige regering op dit belangenconflict was een drastische toename van de bureaucratie. Een nieuwe minister van onderwijs zal echter moeten inzien dat extra bureaucratie het onderliggende probleem niet oplost. Het belangenconflict kan beter bij de wortel worden aangepakt, door de verantwoordelijkheid voor de studievoortgang bij de student zelf te leggen. De universiteiten kunnen zich dan richten op het handhaven van het niveau van de opleidingen.

Het is een bekend gegeven dat de wekelijkse studie-inspanning van studenten bij de overgang van het vwo naar het wo fors daalt. Onderwijskundigen zijn gewend de oorzaak hiervan bij het onderwijs zelf te zoeken. Dat zou niet activerend genoeg zijn. De student moet daarom tot een studieinspanning worden verleid met intensieve onderwijsvormen. Maar intensieve onderwijsvormen zijn dure onderwijsvormen. In een tijd waarin de overheid fors bezuinigt wekt het pamperen van een jonge bevoorrechte elite een extravagante indruk. We moeten af van het idee dat we alleen goede studieprestaties mogen verlangen in ruil voor een verdere intensivering van het onderwijs.

Er zijn goedkope manieren om de studieprestaties te bevorderen. Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam wordt bijvoorbeeld het nominaal studeren bevorderd door de norm voor het bindend studieadvies te verhogen naar de maximale 60 studiepunten. De hogere lat daagt studenten uit om onmiddellijk een goede prestatie neer te zetten. Ook zou het een goed idee zijn om studenten na een tweede negatief bindend studieadvies de verdere toegang tot het wo te ontzeggen. Een door de samenleving gefinancierde plek in het hoger onderwijs is immers een schaars goed, waar een student op een verantwoorde wijze mee moet omspringen. Mede dankzij de langstudeerregeling dringt dit besef langzaam door bij studenten. De beschamende manier waarop politici tijdens de verkiezingscampagne hiervan afstand namen, doet echter vrezen dat zij studenten niet durven aan te spreken op hun studievoortgang. De gemakkelijke weg is dan om de universiteiten verantwoordelijk te maken voor de inspanning van de student, bovenop hun verantwoordelijkheid voor het eindniveau van afgestudeerden.

Een nieuwe minister moet de universiteiten verlossen van dit belangenconflict. Leg de verantwoordelijkheid voor het eindniveau bij de universiteit en die voor het rendement bij de student. Verlos de instellingen ook van een perverse prikkel door de bekostiging te baseren op onderwijsdeelname in plaats van op rendement. Zonder belangenconflict hoeven we minder bang te zijn voor InHolland-toestanden en kan het kostbare, op wantrouwen gebaseerde accreditatiecircus worden teruggesnoeid.

De lastenreductie die bij de invoering van de instellingsaccreditatie werd beloofd is niet waargemaakt. De instellingsaccreditatie komt bovenop de al bestaande opleidingsaccreditatie. Ook is de interne bureaucratie binnen de universiteiten sterk toegenomen, als risicomijdende reactie op de instellingsaccreditatie. Het ligt dan ook voor de hand om de instellingsaccreditatie weer af te schaffen. De zaken waar het echt om draait in het onderwijs, zoals de kwaliteit van de docenten en de toetsing, liggen immers op opleidingsniveau.

Een bijkomend voordeel hiervan is dat het een halt toeroept aan de tendens tot centralisatie in het hoger onderwijs. Bij de invoering van de instellingsaccreditatie is de denkfout gemaakt dat goed bestuur gelijk staat aan centraal beleid. Zo wordt van een instelling een ‘breed gedragen visie’ op de kwaliteit van het onderwijs verwacht. Dit doet me erg denken aan InHolland, waar elke docent mee moest in de hype van het competentiegerichte onderwijs. We weten hoe het daar is afgelopen. Grote onderwijsinstellingen hebben meer baat bij diversiteit dan bij eenheidsworst.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Motivatiegesprekken als profileringsinstrument

3 oktober 2012 Plaats een reactie

De Universiteit Utrecht is zeer bekwaam in het zich profileren als een excellente onderwijsinstelling. Afgelopen maandag barstte een mediaoffensief los rond de motivatiegesprekken die deze instelling met aankomende studenten wil voeren. De Universiteit Utrecht wil deze gebruiken om de student en studie beter te “matchen” en zo het studierendement te verbeteren. Dat klinkt in ieder geval als een hele sympathieke maatregel.

Gelukkig zijn er ook nog kritische media. Zo schrijft de Volkskrant van vandaag over onderzoek bij de Hogeschool van Amsterdam waaruit zou blijken dat motivatiegesprekken niet effectief zijn. In algemene zin wijst de Volkskrant ook op de gebrekkige wetenschappelijke onderbouwing van het gebruik van selectieinstrumenten in het hoger onderwijs.

Ik kan hier mijn eigen negatieve ervaring met motivatiegesprekken aan toevoegen. Aan de Erasmus School of Economics (ESE) starten elk jaar tientallen studenten met de studie economie die een jaar eerder een negatief bindend studieadvies bij de studie bedrijfskunde kregen. Bij de ESE weten we uit ervaring dat deze studenten een zeer hoge faalkans hebben. Economie is pittiger dan bedrijfskunde. Lukt het bij de laatste opleiding niet, dan zeker niet bij de eerste. In dit specifieke geval is er aan empirische evidentie dus geen gebrek. Een paar jaar geleden zijn we daarom gestart met motivatiegesprekken voor deze specifieke doelgroep. Studieadviseurs drukten de studenten de uitvalpercentages onder de neus en gaven een negatief startadvies. Vervolgens bleek dat 80% van de studenten zich hiervan niets aantrok en zich toch inschreef voor economie. Het gros hiervan viel natuurlijk in het eerste jaar uit. De ESE is toen maar met deze tijdsverslindende exercitie gestopt. Motivatiegesprekken voeren zonder dat het consequenties heeft heeft weinig zin.

Een fundamenteler probleem met de focus op studiekeuzegesprekken is dat het uitgaat van een verkeerde diagnose. De politiek correcte premisse is dat iedere scholier met een vwo-diploma over voldoende intellect, motivatie, doorzettingsvermogen en discipline beschikt om een academische opleiding met goed gevolg te voltooien. Het falen van de student wordt gereduceerd tot een verkeerde studiekeuze. Dit sluit aan bij de menselijke neiging om de oorzaak van falen te externaliseren. Wanneer je een student vraagt waarom het niet is gelukt, zal deze zelden antwoorden dat zijn inzet onvoldoende was. Hij heeft de verkeerde studie gekozen of, erger nog, de studie was “niet leuk”. Maar studiesucces is de resultante van een goede keuze (je moet inderdaad geen economie gaan studeren als je slecht bent in wiskunde) en een goede inzet.

Als de studiekeuze echt het probleem zou zijn, zou dat impliceren dat studenten het na een negatief bindend studieadvies beter doen in een volgende opleiding. Een ezel stoot zich immers niet tweemaal aan dezelfde steen. Onderzoek hiernaar bij de ESE laat echter zien dat de tweede studiekeuze in veel gevallen niet veel beter uitpakt dan de eerste. Dit doet vermoeden dat gebrek aan doorzettingsvermogen en discipline belangrijkere verklaringen zijn van studieuitval dan een verkeerde studiekeuze. Overdreven aandacht voor de studiekeuze is dan verspilde moeite.

Met de komst van Zijlstra’s prestatieafspraken lijkt het erop dat profileren een doel op zich is geworden in onderwijsland. Dan krijg je geldverslindende initiatieven zoals die van de Universiteit Utrecht. De instelling zelf zal het wel terugverdienen met geld uit het potje van de reviewcommissie hoger onderwijs en onderzoek. Maar het onderwijs wordt echt niet beter van dit soort rent-seeking activiteiten. En van mij mag het allemaal wel wat meer evidence-based.

Categorieën:Onderwijs

Praat over de prikkels, niet over de financiele dekking

24 augustus 2012 Plaats een reactie

Een triest vertoon van de politiek gisteren over de langstudeerboete. En dan niet zozeer omdat ze er (nog) niet in zijn geslaagd om de boete af te schaffen. Het is immers helemaal geen ramp als trage studenten een hogere bijdrage leveren aan de kosten van het hoger onderwijs. De paniekreactie van het CDA was volstrekt onnodig en ongeloofwaardig. De vertoning was bovenal triest omdat de discussie vooral ging over de financiele dekking van het terugdraaien van de boete en niet over het inhoudelijke probleem van de trage student. Dit is vreemd omdat een succesvol beleid tav langstudeerders sowieso tot het opdrogen van de boeteinkomsten zou leiden.

Universiteiten besteden veel publieke middelen om de studiehouding van studenten te verbeteren en ze aan het studeren te krijgen. Deze pogingen worden nu ondermijnd door het zwalkende beleid ten aanzien van de langstudeerders. Den Haag geeft immers het signaal af dat langstudeerders moeten worden ontzien. Is het niet nu, dan maar na de formatie.

Politici zien helaas alleen de politieke en financiele kanten van deze kwestie en durven zelf geen stevige prikkels aan de student op te leggen. De onderwijskundige uitdaging om studenten snel af te laten studeren ligt na de formatie dus weer op het bordje van de universiteiten, waarschijnlijk zonder steun van de politiek en met een lager budget. Daarmee zaait Den Haag nieuwe InHolland schandalen.

Categorieën:Onderwijs