Archief

Archive for the ‘Onderwijs’ Category

Domheid gaat verder: ministerie wil ook middelmatigheid subsidiëren

1 december 2013 Plaats een reactie

Onderstaande opiniebijdrage verscheen in het NRC van 30 november

Op 26 november ageert Leo Prick tegen de beslissing van minister Bussemaker om excellente studenten dubbel collegegeld te laten betalen: inderdaad onbegrijpelijk. Maar de domheid in het ministeriële prijsbeleid gaat verder: de minister wil ook middelmatigheid subsidiëren. Aangezien studenten met een hbo-bachelor de kennis missen om rechtstreeks door te stromen naar een wo- master, bieden universiteiten al jaren schakelprogramma’s aan. Het gaat hier op zijn zachtst gezegd niet om de meest talentvolle groep die zich aan de poorten van de universiteit meldt. De nieuwe wet verplicht universiteiten om voor schakelprogramma’s tot 30 studiepunten maximaal een proportioneel gedeelte van het wettelijk tarief te vragen. Voor grotere schakelprogramma’s kan het gedeelte boven de 30 studiepunten worden afgerekend voor maximaal twee keer het wettelijk tarief, terwijl het ministerie dit onderwijs niet bekostigt. Gevolg is dat het schakelonderwijs ver onder de kostprijs van de opleiding moet worden aangeboden. Het levert de opleiding weinig op en het kost veel moeite om hbo- studenten naar het gewenste academische eindniveau te brengen. Kwaliteit verhogen kan juist door de middelmaat te weren en de excellente student aan zich te binden. Aan de Erasmus School of Economics hebben we de instroom in schakelprogramma’s substantieel gereduceerd, zodat alleen nog de top uit het hbo wordt toegelaten. Tegelijker bieden we aan excellente studenten de mogelijkheid om twee studies te combineren.

Categorieën:Onderwijs

De prijs voor schakelprogramma’s moet omhoog

13 november 2013 Plaats een reactie

Ik ben geen fan van “Kwaliteit in Verscheidenheid” (KiV), de vergaarbak van politiek correcte maatregelen in het hoger onderwijs die Minister Bussemaker deze zomer door de kamer wist te loodsen. In een eerdere blog heb ik me kwaad gemaakt over de vrijblijvende vormgeving van de studiekeuzeactiviteiten die universiteiten aan scholieren moeten gaan aanbieden. Hieronder gaat het over Bussemaker’s prijsingreep op de markt voor schakelprogramma’s.

Wat is er aan de hand? Studenten met een HBO bachelor missen de kennis en academische vaardigheden om rechtstreeks door te stromen naar een WO master. Vandaar dat universiteiten al sinds jaar en dag schakelprogramma’s aanbieden om HBO afgestudeerden voor te bereiden op een academische masteropleiding.

In KiV wordt een nieuwe tariefstructuur voor HBO-WO schakelprogramma’s vastgelegd. De wet verplicht universiteiten om voor schakelprogramma’s tot 30 studiepunten maximaal een proportioneel gedeelte van het wettelijk tarief (dit jaar € 1835) te vragen. Voor grotere schakelprogramma’s kan het gedeelte boven de 30 studiepunten worden afgerekend voor maximaal twee keer het wettelijk tarief. Voor een schakelprogramma van 60 studiepunten kan de universiteit dus maximaal € 2752,50 rekenen. Aangezien het schakelonderwijs niet door de minister wordt bekostigd en er – in ieder geval aan de EUR – € 1835 door het College van Bestuur wordt afgeroomd om de overhead te betalen, resteert voor de opleiding het luttele bedrag van € 917,50 om aan een schakelstudent een jaar lang onderwijs te geven. Een verlieslatend schijntje.

De studentenorganisaties ISO en LSVb reageerden enthousiast op de prijsingreep. Ze stoorden zich aan de wildgroei van naar hun mening te hoge schakeltarieven. Maar het is de vraag of deze ingreep echt in het belang van de schakelstudent is. Het standaardvoorbeeld over maximumprijzen gaat over gereguleerde huren in New York (te vinden in menig inleidend studieboek micro-economie, maar binnen studentenorganisaties zijn helaas zelden studenten economie actief). Op de korte termijn oogt het sympathiek om de huurder te beschermen tegen huurstijgingen. De negatieve gevolgen komen later aan het licht, wanneer blijkt dat woningen niet meer worden onderhouden of aan het huuraanbod worden onttrokken. Dan kan de huur wel laag zijn, maar is er geen woning meer te vinden.

Gaat iets dergelijks ook gebeuren bij de schakelprogramma’s? Ik denk het wel. Het wordt steeds onaantrekkelijker om HBO schakelprogramma’s aan te bieden. Het levert de opleiding weinig op en het kost veel moeite om HBO studenten naar het gewenste academische eindniveau te brengen. Gemiddeld genomen heeft een HBO student bijvoorbeeld meer scriptiebegeleiding nodig dan een WO student. De kwaliteitszorg is bovendien zo streng geworden dat opleidingen zich geen kwaliteitsrisico’s meer kunnen veroorloven. En die risico’s zijn groter bij studenten die instromen vanuit het HBO. Voor universiteiten die internationaal willen opereren en streven naar de academische top, is de schakelpopulatie ook strategisch oninteressant. Kortom, het ligt voor de hand dat opleidingen zullen overwegen om dan maar geen schakelprogramma’s meer aan te bieden.

Als de politiek toch van mening is dat de HBO-WO doorstroomroute in stand moet blijven, dan kan de rekening daarvoor niet eenzijdig bij de opleiding worden gelegd. De schakelstudent of de minister zal in de buidel moeten tasten. Voor niets gaat de zon op.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Keynote EAIR

4 september 2013 1 reactie

Vorige week mocht ik een keynote verzorgen op het 2013 Forum van de EAIR (The European Higher Education Society) in Rotterdam. Over uitstelgedrag en de introductie van rendementsbevorderende maatregelen aan de ESE.

De slides zijn hier te vinden:

Keynote EAIR Ivo Arnold 30august 2013

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Effecten van een hogere lat

27 augustus 2013 1 reactie

Onder het motto “Nominaal = Normaal” heeft de Erasmus Universiteit het afgelopen jaar de strijd aangebonden met de endemische studievertraging in het hoger onderwijs. Eén van de meest in het oog springende maatregelen is de ophoging van de minimumnorm voor een positief bindend studieadvies van 40 studiepunten naar het maximum van 60 studiepunten. Waarom deze maatregel en zal het werken?

De lage lat

Nederlandse universiteiten zijn gewend om vanaf dag één de academische lat te laag te leggen. De BSA-norm ligt bij de meeste instellingen tussen de 30 en 45 studiepunten. Zo’n lage waarde biedt volop ruimte aan het uitstelgedrag van studenten. Een deel van de studenten springt calculerend om met de BSA-norm en ziet deze meer als een streefwaarde dan als een minimum. Sommige studenten beginnen voortvarend aan de studie, maar verslappen zodra het minimum is bereikt. Anderen beginnen te laat met serieus studeren en weten met een eindspurt nog net aan het minimum te voldoen.

Wanneer studenten streven naar het minimum is het gevolg dat een deel van de studiepunten wordt doorgeschoven naar een volgend studiejaar. Dit uitstelgedrag leidt er toe dat de studieinspanning op een inefficiënte manier wordt versnipperd over meerdere jaren en vele tentamenpogingen. Op halve kracht studeren kost de student uiteindelijk meer tijd en energie dan een serieuze eerste inspanning. Bovendien is het slecht voor de studiemotivatie.

Ook om onderwijskundige redenen is de lage lat onwenselijk. De meeste academische curricula kennen een volgtijdelijke opbouw, die wordt ondermijnd met het doorschuiven van eerstejaarsvakken naar later. Dit probleem valt natuurlijk op te lossen met het vaststellen van voorkennisvereisten per vak, maar daarmee veroorzaakt een opleiding alleen maar meer studievertraging. Een belangrijk onderwijskundig inzicht is verder dat de student zich het beste op een beperkt aantal vakken kan concentreren. Daarom is het beter als een student met een blanco blad aan zijn tweede jaar begint. Docenten die college geven in het tweede jaar klagen terecht dat studenten zich niet volledig inzetten, omdat ze hun aandacht versnipperen over vakken uit het eerste en tweede jaar.

De lage lat is dus onwenselijk. De vraag is nu of een verhoging van de lat studenten ook echt aanspoort om harder te werken, of alleen maar tot meer studieuitval leidt. Een pilotstudie bij de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit liet positieve resultaten zien (zie Adriaans, Baars, Van der Molen & Smeets, 2013, TH&MA 1, 30-34). Ik voeg daaraan enkele waarnemingen vanuit de Erasmus School of Economics toe.

Enkele observaties

Hieronder wordt het cohort 2012-2013 van de opleiding Economie & Bedrijfseconomie (met een BSA-norm van 60 studiepunten) vergeleken met twee eerdere cohorten (met een norm van 40). Deze twee eerdere cohorten zijn ook gebruikt in dit artikel. Afgezien van de verhoging van de BSA-norm is er in het onderwijssysteem niets veranderd. Dat neemt niet weg dat het geen gecontroleerd experiment is. De studenten en ook sommige docenten verschillen tussen de cohorten. Desalniettemin zijn de verschillen hieronder zo groot dat deze niet zo gemakkelijk door student- of docentvariatie kunnen worden verklaard.

Eerst de einduitkomst. De eerste grafiek laat zien dat percentage studenten dat 60 studiepunten haalt sterk is gestegen na de verhoging van de norm (ter verduidelijking: het betreft de groep studenten die een BSA-advies heeft ontvangen, dus exclusief vroege uitschrijvers). De middengroep (40<60) is sterk uitgedund.

PictureN=N1

De tweede grafiek geeft aan wat studenten uit de herkansingsronde halen. Bij de ESE worden herkansingen ontmoedigd. Er geldt een maximum van drie herkansingen (uit tien vakken) en alle herkansingen worden midden in de zomer gepland. Op de horizontale as staat het aantal studiepunten dat een student gedurende de reguliere onderwijsperiode (dus voor de herkansingen) heeft gehaald. Verticaal staat de oogst uit de herkansingen.

PictureN=N2

Laten we eerst kijken naar de oude cohorten (de blauwe lijn). Met name de piek van die lijn is boeiend. Studenten die de herkansingsronde ingingen met 28 studiepunten, haalden vervolgens dertien studiepunten in de herkansingen, waarmee ze gemiddeld genomen net aan de oude BSA-norm voldeden. Ook studenten die begonnen met 32-36 punten, haalden met hun herkansingen net de minimumeis. Opvallend genoeg presteerden onder het oude regime studenten die met 40 studiepunten aan de herkansingen begonnen slechter dan de groep tussen de 28 en 36 punten. Het heilige moeten was er blijkbaar niet meer. De inspanning daalde. Toch moest deze groep op grond van de studieprestaties gedurende het collegejaar in staat worden geacht om beter te presteren. Dat doen ze dan ook prompt als de lat hoger wordt gelegd (de rode lijn). Tussen de 32 en 48 studiepunten gaapt een groot gat tussen de rode en de blauwe lijn. Studenten halen blijkbaar beduidend meer uit de herkansingsronde wanneer ze onder druk worden gezet om te presteren.

Tot slot een indicator die alleen iets zegt over het gedrag van de student en volkomen onafhankelijk is van tentamenresultaten. Onderstaande grafiek laat zien of studenten deelnemen aan de reguliere tentamens (dus niet de herkansingen). Na ophoging van de BSA-norm stijgt het percentage studenten dat aan alle reguliere tentamens deelneemt van 68% naar 78%. Kortom, de hogere lat zorgt ervoor dat studenten gemiddeld vaker komen opdagen bij de tentamens.

PictureN=N3

Conclusie

Er lijkt sprake te zijn voor een substantieel gedragseffect van een ophoging van de BSA-norm, waardoor studenten vaker naar de reguliere tentamens gaan, een beter gebruik maken van de geboden herkansingsmogelijkheiden en als gevolg daarvan in hun eerste jaar meer studiepunten halen.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Schaf de instellingstoets in het hoger onderwijs af

2 augustus 2013 Plaats een reactie

Opinieartikel in het Nederlands Dagblad van 2 augustus

Velen in het hoger onderwijs zullen reikhalzend hebben uitgezien naar de brief die Minister Bussemaker onlangs naar de Tweede Kamer stuurde over de vermindering van de regeldruk in het onderwijs. Die brief stelt helaas zwaar teleur. Er staat heel weinig in over het hoger onderwijs, de sector waar onder de “liberale” staatssecretaris Zijlstra de regeldruk explodeerde. En wat de minister daarover in de brief schrijft overtuigt niet.

Nog niet zo heel lang geleden kende het hoger onderwijs alleen de opleidingsaccreditatie. De kwaliteit van elke opleiding werd periodiek onder de loep genomen door een externe commissie. Op basis daarvan werd al dan niet de accreditatie verlengd. Nu zuchten de hogescholen en universiteiten onder vier lagen toezicht: de opleidingsaccreditatie en de nieuwe instellingsaccreditatie (beiden onder auspiciën van de NVAO), het toezicht op de met de minister gemaakte prestatieafspraken door de Review Commissie Hoger Onderwijs en tot slot het meer incidentele onderzoek door de Onderwijsinspectie. Deze stapeling van toezicht komt voort uit de overreactie van de politiek op de kwaliteitsproblemen bij hogeschool InHolland.

In haar brief suggereert de minister dat met de instellingsaccreditatie de bureaucratie zal afnemen. De opleidingen van onderwijsinstellingen die deze toets met succes doorlopen hoeven immers alleen nog maar via een beperkte opleidingstoets te worden beoordeeld. Maar daarmee schetst de minister een veel te rooskleurig beeld. Iedereen die op de universitaire werkvloer met kwaliteitszorg te maken heeft weet dat het dubbele accreditatiestelsel veel meer werk oplevert.

Het probleem zit niet bij de opleidingsaccreditatie. In de beperkte opleidingsaccreditatie zit alles wat je nodig hebt om de kwaliteit van een opleiding te beoordelen. Scripties lezen, onderwijsmateriaal en toetsen beoordelen, studenten en docenten spreken. Dat is het nuttige en onontbeerlijke handwerk van de opleidingsaccreditaties. Maar het kost niet minder tijd dan vroeger. Integendeel, door de terechte recente aandacht voor toetskwaliteit en scriptiekwaliteit is de kwaliteitszorg op opleidingsniveau juist veel arbeidsintensiever geworden. Als opleidingen daar beter van worden is dat niet erg.

Het echte probleem zit bij de instellingstoets. Deze heeft een sterk procesmatig karakter en is erop gericht om vast te stellen of een onderwijsinstelling een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. De instellingstoets gaat niet over de inhoud of over de opleidingskwaliteit, maar over procedures, processen en beleid. Geen college van bestuur wil zakken voor de instellingstoets. Het gevolg is dan ook een toename van de interne bureaucratie en beleidsdiarree binnen de onderwijsinstellingen, als logische risicomijdende reactie op de instellingsaccreditatie. Van al deze inspanningen is de relatie met de opleidingskwaliteit ver te zoeken.

Maar dat is nog niet eens het ergste. Bij de invoering van de instellingsaccreditatie is door de NVAO de denkfout gemaakt dat goede kwaliteitszorg gelijk staat aan centraal beleid. Zo verlangt de NVAO van een instelling een ‘breed gedragen visie’ op de kwaliteit van het onderwijs. Dat doet mij erg denken aan InHolland, het schoolvoorbeeld van een in de praktijk gebrachte onderwijsvisie. Bij InHolland werd competentiegericht onderwijs instellingsbreed ingevoerd. Kennisoverdracht door docenten werd in de ban gedaan. We weten allemaal hoe het daar is afgelopen. Een onderwijsinstelling zonder instellingsbrede onderwijsvisie is de beste bescherming tegen dit soort onderwijskundige hypes. Grote onderwijsinstellingen hebben mijns inziens meer baat bij diversiteit dan bij van bovenaf opgelegde eenheidsworst. Maar helaas duwt de instellingstoets het hoger onderwijs juist in de omgekeerde richting van verdere centralisatie.

De eis dat er een ‘breed gedragen visie’ moet zijn illustreert overigens hoe ver de NVAO van de universitaire werkelijkheid af staat. Een universiteit is een plek waar vele hoogopgeleide medewerkers proberen om zo goed mogelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen, elk in hun eigen vakgebied en voor hun eigen opleiding. Zo dat al wenselijk is, is het een illusie om te denken dat je al deze wetenschappers in een keurslijf van een instellingsbrede visie kunt persen.

De zaken waar het echt om draait in het hoger onderwijs, zoals de kwaliteit van de docenten en de toetsing, liggen op opleidingsniveau. Als Bussemaker echt de regeldruk wil verminderen dan kan ze de overbodige instellingstoets onmiddellijk afschaffen. In de kamerbrief durft ze dat nog niet aan. De enige concrete maatregel die de minister aankondigt is dat de NVAO, de Inspectie en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs hun “werkprocessen” beter zullen afstemmen. Een bureaucratische oplossing voor de overdaad aan bureaucratie, dat gaat niet werken.

Maar er is nog hoop. Minister Bussemaker heeft aan de Tweede Kamer toegezegd dat ze zich verder wil beraden op de samenhang in en de afbakening van de taken tussen de Onderwijsinspectie, de NVAO en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs. Ook zal het accreditatiestelsel nog in 2013 worden geëvalueerd. Ik ben benieuwd.

Categorieën:Onderwijs

Boekhoudkundige truc of gedragsverandering?

Publicist Rutger Bregman trok vandaag in de Volkskrant ongenuanceerd en ongeïnformeerd van leer tegen de Erasmus Universiteit, die met het project “Nominaal=Normaal” de eerstejaars student uitdaagt om alle 60 studiepunten in één jaar te halen. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van compensatieregelingen. En daar is, in tegenstelling tot wat Bregman suggereert, niets mis mee.

Ik heb in eerdere blogs geprobeerd de statistische logica van compensatorische toetsing uit te leggen, maar moet me er blijkbaar bij neerleggen dat argumenten die in de onderwijskunde onomstreden zijn, in het publieke debat niet worden geaccepteerd. Uit onwil of onbegrip.

Een terechte vraag is echter of de mogelijke rendementsverbetering dankzij “Nominaal=Normaal” vooral het gevolg is van de invoering van compensatorische toetsing (wat Bregman badinerend “boekhoudkundige truc” noemt) of dat studenten werkelijk worden uitgedaagd om meer hun best te doen. Met andere woorden, is er enige evidentie van een gedragsverandering bij de student als gevolg van N=N?

Bij de meeste opleidingen aan de EUR zijn simultaan met N=N veel veranderingen in het onderwijssysteem doorgevoerd. Dat maakt het lastig om het effect van de hogere BSA-eis te isoleren. Maar aan mijn eigen faculteit (Erasmus School of Economics) is per september 2012 alleen de BSA-eis verhoogd van 40 naar 60 studiepunten. Verder is het onderwijssysteem precies hetzelfde als in voorafgaande jaren. Compensatie kennen we aan de ESE al sinds de jaren tachtig en de huidige compensatieregeling stamt van 2007. Dus als het ESE-cohort 2012 enige verbetering laat zien ten opzichte van voorgaande jaren kan dat niet het gevolg zijn van een “boekhoudkundige truc”.

Wat ik hieronder laat zien is enigszins prematuur, omdat cohort 2012 nog niet klaar is. Deze maand zijn de herkansingen en pas eind augustus zullen we de uiteindelijke resultaten zien. De grafiek laat de stand van zaken na de reguliere onderwijsperiode (dus vóór de herkansingsronde) zien bij de opleiding economie. In blauw de verdeling van de behaalde studiepunten van het huidige BSA-cohort, in rood de verdeling van twee eerdere cohorten (de oude data komen uit dit artikel in THEMA). De grafiek laat zien dat er dit jaar een duidelijke verbetering heeft plaatsgevonden. Het percentage studenten dat al vóór de herkansingen zijn jaar heeft gehaald is gestegen van 24% naar 36%. En nogmaals, het enige dat de ESE heeft veranderd is de BSA-eis.

Verder onderzoek is nodig, maar deze eerste gegevens suggereren dat studenten harder gaan werken als je de lat hoger legt. En bij harder werkende studenten heeft iedereen baat, vooral de student zelf. Geen boekhoudkundige truc dus, maar gedragsverandering!

CreditverdelingNisN

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Geen kwaliteit met vrijblijvendheid

12 april 2013 2 reacties

Deze blog – geschreven met Gerard Baars – verscheen eerder in HO-Management, April 2013

Het is een bekend probleem dat de studieuitval in het eerste jaar van het hoger onderwijs veel te hoog is. Maar het probleem is nog schrijnender dan je puur op basis van de eerstejaars rendementen zou denken. Recent onderzoek laat namelijk zien dat al heel vroeg in het eerste studiejaar duidelijk wordt wie het jaar gaat halen en wie niet. Bij de bacheloropleiding Economie en Bedrijfseconomie aan de Erasmus Universiteit kan al na de eerste tentamenronde in oktober met grote nauwkeurigheid een groep uitvallers worden geïdentificeerd (zie Arnold & Baars, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 2012(3)). Idealiter zou je deze studenten meteen willen laten instromen in een andere opleiding, maar dat is lastig in een onderwijsbestel dat een uniforme academische jaarcyclus hanteert. De student weet eigenlijk wel dat hij kansloos is, maar de poorten van andere opleidingen zijn gesloten. Het gevolg is dat deze studenten de rest van het jaar de pretentie in de lucht proberen te houden dat ze studeren of dat ze afhaken en een baantje onder hun niveau zoeken.

De oorzaak van deze onwenselijke situatie kan een slechte studiekeuze, een ondermaatse studieinspanning of een combinatie van beiden zijn. Het kabinet denkt dat het vooral aan het eerste ligt en heeft daarom in het wetsvoorstel “Kwaliteit in verscheidenheid” een aantal maatregelen opgenomen om de studiekeuze te verbeteren. Zo wordt de aanmeldingsdatum vervroegd naar 1 mei en krijgt iedere aankomende student het recht op een studiekeuzeadvies. Dit laatste is een voorbeeld van een politiek correcte maatregel. De student wordt immers niet aangesproken op zijn gebrekkige inspanning. Neen, het probleem ligt bij een verkeerde matching tussen student en opleiding. Je zou verwachten dat deze beleidskeuze evidence-based is, maar dat valt erg tegen. In een recent rapport wordt opgemerkt: “Een harde uitspraak dat studiekeuzegesprekken werken om studie-uitval tegen te gaan of studie-voortgang te bevorderen, is op grond van deze resultaten daarom niet mogelijk.” (Studiekeuzegesprekken, op zoek naar maatwerk, Kohnstam Instituut, 2011)

De minister eist van opleidingen dat ze een studiekeuzeadvies organiseren zonder dat we weten of het werkt. Wat we wel weten is dat opleidingen geen consequenties aan het studiekeuzeadvies mogen verbinden. Iemand met slechte vooruitzichten mag dus niet de toegang tot de opleiding worden geweigerd. Daarmee versterkt de wet niet de prikkel bij studenten om de studiekeuze serieus te nemen. Onze verwachting is dan ook dat het instrument weinig effectiviteit zal hebben en dat opleidingen hier zo min mogelijk energie in zullen steken. De VSNU doet al een suggestie: “De instelling geeft zelf vorm aan de studiekeuzeactiviteiten. Het kan hierbij gaan om een veelvoud aan activiteiten, zoals het zogenoemde ‘proefstuderen’, assessments, studiekeuzegesprekken, maar ook minder belastende activiteiten zoals het aanbieden van voorgestructureerde vragenlijsten en zelfbeoordelingstests.” (VSNU memo, 25 januari 2013). De aankomende student loopt straks door een online-vragenlijst heen en krijgt een automatische respons. Gaat dat echt de studieuitval terugdringen?

De terechte vervroeging van de aanmeldtermijn kan veel zinvoller worden gebruikt. Door verplichte toelatingstesten te organiseren die de motivatie en geschiktheid van aankomende studenten testen en daar ook consequenties aan te verbinden. En als er toch een toelatingsfout wordt gemaakt, moet het mogelijk worden om studenten veel sneller door te verwijzen naar een andere opleiding. Maar het wordt natuurlijk nooit wat met studiesucces als de minister alleen maar politiek correcte maatregelen verzint. Met vrijblijvendheid geen kwaliteit.

Categorieën:Onderwijs