Archief

Archive for the ‘Onderwijs’ Category

Weg met de instellingstoets in het hoger onderwijs

2 februari 2016 1 reactie

Opiniebijdrage in het ND van 2 februari

In januari debatteerde de Tweede Kamer over de toekomst van het accreditatiestelsel hoger onderwijs. Dit is het systeem waarmee de overheid de kwaliteit van het hoger onderwijs probeert te bewaken. Sinds 2011 bestaat het uit twee lagen. De opleidingsaccreditatie heeft tot doel de kwaliteit van individuele studies te beoordelen. Daar bovenop moet de instellingstoets vaststellen of een onderwijsinstelling zelf een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. Het is een inefficiënt systeem, waaraan ook na het Kamerdebat helaas geen einde komt.

Bij de invoering van de instellingstoets is door de minister een veel te rooskleurig beeld geschetst van het effect op de administratieve lastendruk. Die zou dalen, omdat de opleidingstoets in omvang zou worden beperkt. Maar het tegenovergestelde is gebeurd. Opleidingsaccreditaties kosten meer tijd dan vroeger, door de toegenomen aandacht voor de kwaliteit van toetsen en scripties. En onder druk van de instellingstoets is de bureaucratie binnen de instellingen sterk uitgedijd. Een evaluatie uit 2013 concludeert dan ook eufemistisch dat ‘de vermindering van de administratieve lasten nog niet overal is gerealiseerd’.

De onderwijsinstellingen hebben om twee redenen hieraan meegewerkt. Met de instellingstoets hebben colleges van bestuur een instrument in handen gekregen om de organisatie te centraliseren en uniformeren. Ook hoopten ze dat het dubbele stelsel de overgang zou vormen naar een nieuw stelsel met alleen de instellingstoets. Dit is internationaal de norm en zou veel bureaucratie besparen.

Deze hoop blijkt nu ijdel. De minister wilde aanvankelijk wel de onderwijsinstellingen de ruimte geven zelf hun opleidingen te beoordelen. Maar er is er geen politiek draagvlak om de opleidingsaccreditatie volledig af te schaffen. VVD, SP en GroenLinks vrezen voor ‘onzichtbaarheid van de feitelijke kwaliteit’ in het hoger onderwijs. Zij hechten aan de opleidingsaccreditatie om de waarde van het diploma te borgen.

Volgens het politieke compromis dat er nu ligt, kunnen onderwijsinstellingen experimenteren met een instellingstoets die tot een verlichte opleidingsaccreditatie kan leiden. Maar dit is gekrabbel in de marge. Politici belijden wel met de mond dat zij de administratieve lasten willen reduceren, maar het echte probleem wordt niet aangepakt. Het hoger onderwijs blijft immers doormodderen met een dubbel stelsel.

In 2013 hield ik in deze krant een pleidooi voor de afschaffing van de instellingstoets. We zijn nu meer dan twee jaar verder. In de tussentijd heeft ook de gezaghebbende Onderwijsraad hetzelfde geadviseerd. Volgens de Onderwijsraad ligt de primaire verantwoordelijkheid voor onderwijskwaliteit bij de opleiding en zijn ‘de aspecten van een kwaliteitscultuur die ertoe doen, … bij een instellingstoets moeilijk inzichtelijk te maken’. De Onderwijsraad vindt ook dat de instellingstoets ‘onwenselijke centralisatie’ aanwakkert. Een instellingstoets gaat over processen en beleid en staat te ver van de opleidingen, docenten en studenten af. Een instellingstoets leidt tot navelstaarderij over een instellingsbrede kwaliteitscultuur of onderwijsvisie, waar opleidingen zich slecht in herkennen. Een geslaagde instellingstoets betekent dat de beleidsmedewerkers hun werk goed hebben gedaan, maar zegt weinig over de opleidingskwaliteit.

Dat laatste blijkt ook uit een rapport van de accreditatieorganisatie NVAO uit 2015. De NVAO constateert dat instellingen met een positieve instellingstoets zich niet sterk onderscheiden van het gemiddelde. De huidige instellingstoets, concludeert de NVAO, heeft ‘op dit moment nog slechts een beperkte waarde als het gaat om het voorkómen van kwaliteitsproblemen bij bestaande of nieuwe opleidingen’. Dit is een omfloerste manier om te zeggen dat de instellingstoets niets toevoegt. Maar voor het advies van de Onderwijsraad en de feiten van de NVAO is de politiek helaas blind.

Kwaliteitscontrole in het hoger onderwijs is nodig. Enige bureaucratie is daarbij onvermijdelijk. Een goed systeem vereist dat wordt nagedacht over de vraag welke administratieve lasten nuttig zijn. Externe experts die een kijkje nemen in de keuken van de opleiding, concrete verbeterpunten aandragen of misstanden aankaarten, daar heb je wat aan. En veel meer is er ook niet nodig.

De minister en de Tweede Kamer brengen nu verfijningen aan in een slecht systeem. Daar schiet het hoger onderwijs weinig mee op. Het zou beter zijn als de politiek een keuze maakt en de onderwijsinstellingen hun verlies nemen. Een systeem met alleen een instellingsaccreditatie gaat er in Nederland niet komen. Dan hebben we aan de opleidingstoetsen genoeg. Afschaffen dus, die instellingstoets.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

De politiek heeft de universiteiten overvraagd

Opiniebijdrage in het ND van 3 maart 2015

De toorn van de bezetters van het Maagdenhuis richt zich dezer dagen vooral op het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Dat is niet helemaal terecht. De toestand waarin het universitaire onderwijs zich nu bevindt is een uitvloeisel van keuzes die politici hebben gemaakt. Je kunt de bestuurders hooguit verwijten dat ze daar al te enthousiast aan hebben meegewerkt.

Wat wil de politiek van de universiteiten? Dat zij kwalitatief hoogwaardige opleidingen aanbieden en dat zij ervoor zorgen dat studenten snel afstuderen. Deze wensen kunnen conflicteren, zoals de InHolland affaire overduidelijk heeft aangetoond. Bovendien legt de politiek randvoorwaarden op die het extra lastig maken om kwaliteit en rendement gelijktijdig te verwezenlijken. De eerste randvoorwaarde is budgettaire krapte. De rijksbijdrage in sinds 2000 gedaald van € 19.000 naar minder dan € 14.000 per student. De tweede randvoorwaarde is dat het hoger onderwijs toegankelijk moet blijven voor de grote massa schoolverlaters. Dit betekent dat er, uitzonderingen daargelaten, niet aan de poort mag worden geselecteerd. Kortom, universiteiten moeten met steeds krappere financiële middelen grote aantallen geschikte of ongeschikte studenten zo snel mogelijk een goede academische opleiding laten afronden. Ga er maar aan staan.

Blijkbaar waren politici er niet helemaal gerust op dat de universiteiten deze Hercules-taak uit zichzelf tot een goed einde zouden brengen. Daarom is in loop der jaren een duur en complex systeem van toezicht opgetuigd. Zo houdt de Review Commissie Hoger Onderwijs toezicht op de prestatieafspraken die de instellingen met de minister hebben gemaakt, waaronder de afspraken over studievoortgang. Het toezicht op de kwaliteit van het hoger onderwijs kent zelfs een dubbele laag: de opleidingsaccreditatie en de instellingsaccreditatie (beiden onder auspiciën van de NVAO). Bestuurders ontkomen er niet aan om dit toezicht zeer serieus nemen. Niet voldoen aan de prestatieafspraken kan een onderwijsinstelling geld kosten. Een negatief kwaliteitsoordeel van de NVAO levert reputatierisico op, zeker wanneer het zonder enige nuance wordt vertaald in vette krantenkoppen.

Wat doen bestuurders wanneer ze op pad worden gestuurd met een schier onmogelijke opdracht en hard worden afgerekend wanneer het niet lukt? Ze halen krampachtig de teugels aan. Universiteitsbestuurders hebben de afgelopen jaren gestuurd op schaalvergroting en stroomlijning om de kosten omlaag te brengen. Om aan de accreditatie-eisen te voldoen zijn de interne kwaliteitscontroles toegenomen en wordt op steeds meer terreinen het beleid centraal bepaald. Zo eist de NVAO bij de instellingsaccreditatie dat de instelling een “breed gedragen visie” op de kwaliteit van het onderwijs heeft. De denkfouten die hierbij worden gemaakt is dat goed bestuur gelijk staat aan centraal beleid en dat eenheidsworst beter is dan diversiteit. Colleges van Bestuur zijn in deze centralisatietendens meegegaan omdat het hun machtspositie ten opzichte van eigenwijze wetenschappers versterkt. Het is terecht dat de bezetters van het Maagdenhuis hier vraagtekens bij plaatsen.

Een structurele oplossing van de problemen in het hoger onderwijs vraagt echter ook iets van de student zelf. De politiek moet de universiteiten niet langer opzadelen met de conflicterende doelstellingen kwaliteit en rendement. Universiteiten zouden zich puur moeten richten op het handhaven van de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek. De verantwoordelijkheid voor de studievoortgang kan dan het beste worden gelegd bij de partij die daar de meeste invloed op heeft: de student zelf. Een door de samenleving gefinancierde plek in het hoger onderwijs is een schaars goed, waar een student op een verantwoorde wijze mee moet omspringen. Helaas verwarren veel studenten academische vrijheid met vrijblijvendheid. Zo is het bekend dat de wekelijkse studie-inspanning van studenten bij de overgang van het VWO naar het WO fors daalt. Maar politici durven studenten niet aan te spreken op hun studievoortgang en hebben altijd voor de gemakkelijke weg gekozen door de universiteiten verantwoordelijk te maken voor de inspanning van de student. Dat moet en kan anders. Bijvoorbeeld door studenten die niet hun best doen de toegang tot het hoger onderwijs te ontzeggen of meer te laten betalen. Dan wordt de student de probleemeigenaar van zijn studievoortgang, in plaats van de instelling.

Zonder conflicterende doelstellingen hoeven we minder bang te zijn voor InHolland-toestanden en kan het kostbare, op wantrouwen gebaseerde toezichtcircus worden teruggesnoeid. Een College van Bestuur heeft dan nog steeds de belangrijke taak om de heterogeniteit en eigenwijsheid van de wetenschappelijke staf te koesteren en de voorwaarden te scheppen waaronder het individuele talent kan schitteren, in plaats van het ondergeschikt te maken aan een collectieve visie.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Breed voor de middelmaat, disciplinair voor de top

18 november 2014 Plaats een reactie

Het voornemen van de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam om uit efficiëntieoverwegingen haar bacheloropleidingen te hervormen houdt de gemoederen bezig. Vorige week regende het opiniestukken hierover, o.a. in de Volkskrant. Het meest omstreden is de voorgenomen omvorming van een aantal afzonderlijke disciplinaire bacheloropleidingen naar een brede liberal arts bachelor naar Amerikaans model. In de reacties overheerst treurnis over het verlies van specialistische opleidingsmogelijkheden. Een enkeling brengt daar tegenin dat het gros van de studenten later geen specialistische functie gaat uitoefenen. Een bredere academische vorming zou geschikter zijn voor deze groep. Als de discussie echter op dit niveau blijft, komen we er niet uit. Hoogopgeleide specialisten en generalisten zijn beiden nodig in een moderne economie. De vraag is wat de juiste verhouding is en welke student je wilt opleiden tot specialist dan wel generalist.

Mijn inschatting is dat er meer generalisten dan specialisten nodig zijn (zeker in de alfa en gamma wetenschappen; bij de beta wetenschappen kan dat anders liggen) en dat je bij voorkeur de excellente studenten moet willen opleiden tot specialist. Natuurlijk kunnen deze ook excelleren in generalistische functies, maar het omgekeerde is problematisch. Ik wil in ieder geval liever niet worden geopereerd door iemand die zesjes haalde tijdens zijn opleiding geneeskunde. De voorkeursinzet van excellente studenten in specialistische opleidingen is een toepassing van wat economen de wet van het comparatieve voordeel noemen. Over deze uitgangspunten valt natuurlijk te twisten, maar laten we eens kijken wat ze impliceren voor het opleidingenlandschap in Nederland.

Van oudsher zijn onze universitaire opleidingen disciplinair ingericht. In de loop der tijd hebben de groeiende studentenaantallen en de uitbreidingsdrift van universiteiten een situatie geschapen waarin de meeste disciplines op een heleboel plekken in Nederland worden aangeboden. In 1913 kon je maar op één plek in Nederland economie studeren, nu bijna overal. Voor massale studies als economie of bedrijfskunde is de spoeling op de meeste plekken nog wel dik genoeg, maar voor andere disciplines ligt dat anders. De situatie aan de UvA laat zien dat in de geesteswetenschappen de versnippering in het opleidingenaanbod moeilijk is vol te houden. Een recentere trend is dat universiteiten veel geld steken in University Colleges, waar excellente studenten brede interdisciplinaire bacheloropleidingen volgen. Over de financiële situatie van deze prestigeprojecten horen we de universiteiten overigens nooit.

Kortom, we bieden nu een selecte groep van talentvolle studenten een brede bacheloropleiding aan via de University Colleges; de massa krijgt echter nog steeds het disciplinaire aanbod voorgeschoteld. Op basis van mijn uitgangspunten zou je precies het omgekeerde verwachten. Het zou beter zijn om juist de excellente studenten zich vroeg te laten specialiseren (zeker gezien de korte duur van het bachelor-master traject in Nederland) en juist de middelmaat te laten kiezen voor grotere brede bacheloropleidingen. Dit zou betekenen dat het disciplinaire bacheloronderwijs meer geconcentreerd moet worden om de versnippering van goede studenten (en docenten) tegen te gaan. Dus minder aanbieders per discipline, waardoor de disciplinaire opleidingen financieel levensvatbaar kunnen zijn en een hoge kwaliteit kunnen bieden. De omvorming van noodlijdende disciplinaire bacheloropleidingen tot een brede bachelor aan de UvA is op zichzelf dus geen ramp, zolang een goede student die dat wil maar ergens Nederland een disciplinaire topbachelor in Geschiedenis or Frans kan gaan doen. Goede studenten zouden immers voor de inhoud moeten gaan, niet voor de grachten of de gezelligheid.

 

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Leenstelsel moet niet tot meer bijbaantjes leiden

Wie wil er nu niet een studievoorschot? Na het akkoord over de hervorming van de studiefinanciering is Minister Bussemaker alvast begonnen om met semantische middelen de leenangst onder studenten te bestrijden. Een voorschot klinkt nu eenmaal een stuk symphatieker dan een lening. Tegelijkertijd wekt ze hoge verwachtingen over de verbeteringen in de onderwijskwaliteit die met deze hervorming kunnen worden gefinancierd. De studenten zijn echter niet onder de indruk en blijven fel ageren tegen de afschaffing van de basisbeurs. Zo schrijft de studentenvakbond LSVb op haar website: “Het is onvoorstelbaar hoe de overheid tegen beter weten in jonge mensen in de schulden jaagt.”

Beide partijen overdrijven schromelijk. Eerst de LSVb. Die windt zich op over een extra studieschuld van € 15.000 die in 35 (!) jaar mag worden terugbetaald onder zeer zachte voorwaarden. In een land waarvan de inwoners zich tot voor kort massaal in de aflossingsvrije tophypotheken stortten, kun je je nauwelijks voorstellen dat slimme jonge mensen zich hierdoor laten afschrikken om hoger onderwijs te volgen. Hadden we voorafgaand aan de kredietcrisis maar wat meer leenangst in Nederland gehad. Toen deed het ertoe. Uitgesmeerd over 35 jaar gaat het in dit geval echter over een relatief geringe verhoging van de maandlasten voor mensen die het kunnen betalen.

Dan de minister. Bussemaker schetst graag een utopisch toekomstbeeld, waarin het onderwijs beter en uitdagender wordt, met meer contacturen, intensievere begeleiding en een beloning voor wetenschappers die goed college geven. Maar het is zeer de vraag of zij dit kan waarmaken. In de komende drie jaar investeren de onderwijsinstellingen € 200 miljoen extra. Dat is € 300 euro per student. Met dit bedrag kunnen de instellingen op zijn best 6 luttele uurtjes extra individuele aandacht per jaar betalen. Op termijn loopt deze investering op naar maximaal € 1 miljard. Bij een gelijkblijvend aantal studenten zou dit neerkomen op € 1500 per student. Dat is al een stuk beter, maar ook hier is enige relativering op zijn plaats. De universitaire koepelorganisatie VSNU heeft berekend dat de rijksuitgaven per student zijn gedaald van € 19.000 in 2000 naar € 13.000 in 2013. Deze sterke daling houdt verband met de explosieve stijging van de studentenaantallen waarmee de overheidsbekostiging geen gelijke tred heeft gehouden. De investeringimpuls van Bussemaker compenseert slechts een gedeelte van deze achteruitgang. Nadat politici de onderwijsinstellingen jarenlang op zwart zaad hebben laten zitten, mogen ze nu geen wonderen verwachten van een kleine financiële reparatie. Dit neemt niet weg dat elke cent extra welkom is bij de overbelaste onderwijsinstellingen. En dan zou het mooi zijn als het geld rechtstreeks naar het onderwijs toevloeit en niet opgaat aan nieuwe regeldruk vanuit het ministerie. Het bureaucratisch monster is al meer dan genoeg gevoed in de afgelopen jaren, met de introductie van de overbodige instellingsaccreditatie en de prestatieafspraken.

Hoe wenselijk extra investeringen in het hoger onderwijs ook zijn, de inzet van de student zèlf is allesbepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. Wetenschappers kunnen doceren, motiveren en inspireren, maar zonder een aanzienlijke tijdsinvestering in zelfstudie van de kant van de student hebben al deze inspanningen weinig zin. Een belangrijke vraag is dan ook welk effect het leenstelsel zal hebben op de studieinspanning. Dat is niet met zekerheid te zeggen en kan twee kanten op. In het gunstigste geval zullen studenten zich meer dan voorheen realiseren dat ze het beste moeten halen uit hun eigen investering in tijd en geld. Dit zou betekenen dat ze een betere studiekeuze maken en zich vanaf dag 1 volledig inzetten voor hun studie.

Maar het is ook denkbaar dat studenten, bang gemaakt door de LSVb, de afschaffing van de basisbeurs proberen te compenseren met een uitbreiding van hun bijbaantjes. Dit kan ertoe leiden dat studenten minder uren gaan besteden aan hun studie. In dit scenario vallen al die extra investeringen in begeleiding en meer contacturen op een onvruchtbare bodem. Uitdagend onderwijs is immers onmogelijk als de student van het ene naar het andere bijbaantje holt. Idealiter zou de overheid daarom flankerend fiscaal beleid moeten introduceren om studentenbaantjes te ontmoedigen. Dit kan bijvoorbeeld door de heffingskorting voor studenten te schrappen, zoals eerder bepleit door collega Borghans van de Universiteit Maastricht.

Ook al biedt het leenstelsel geen garantie op een hogere onderwijskwaliteit, toch is het een stap in de goede richting. Hogeropgeleiden hebben over het algemeen veel baat van hun diploma. Aan hen mag best een hogere investering worden gevraagd. Maar voor een effect op de onderwijskwaliteit is het vooral van belang dat studenten niet alleen meer geld, maar ook meer tijd in hun studie stoppen.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Op naar de derde studiekeuze

6 februari 2014 1 reactie

In mijn vorige blog beweerde ik dat de studiekeuze te vrijblijvend is en dat studenten te vaak mogen falen. Na een negatief bindend studieadvies moet een student zijn opleiding staken, maar daarmee komt er nog geen einde aan zijn studentenleventje. Hij kan zich immers probleemloos bij een andere opleiding inschrijven. Een groep studenten wordt zo als een hete aardappel doorgegeven van opleiding naar opleiding, zonder dat iemand hen uit hun academisch lijden verlost.

Aan de Erasmus School of Economics hebben we ooit een student gehad die na een negatief bsa bij Economie vervolgens heeft geproefd aan de opleidingen Bedrijfskunde, Bestuurskunde en Fiscaal Recht, alvorens zich opnieuw in te schrijven bij Economie (dat mag weer 3 jaar na een negatief bsa). Zoveel trouw aan de eerste liefde is hartverwarmend, ware het niet dat deze student bij de tweede poging opnieuw geen studiepunten haalde. Een “two strikes and you’re out”-regel had kunnen voorkomen dat deze student zijn tijd zo zou hebben verlummeld.

Nu is dit een extreem geval dat weliswaar tot de verbeelding spreekt, maar daarmee nog niet meteen een maatschappelijk probleem vormt (al is elke student die zo’n roemloos academisch cv opbouwt er één teveel). Hoe groot is de groep studenten die herhaald de verkeerde keuze maakt of te weinig inzet laat zien? Bij mijn weten is hier nog geen systematisch onderzoek naar gedaan. Maar op basis van enkele observaties vanuit de ESE kan ik er wel iets over zeggen.

Elke jaar maken circa 50 studenten de overstap van Bedrijfskunde naar Economie. In omvang is dit voor de ESE een niet-triviale groep (ca. 7% van de populatie). In bijna alle gevallen hebben deze studenten bij Bedrijfskunde een negatief bsa ontvangen. Inhoudelijk gezien is deze overstap vreemd. Economie staat bekend als een studie die pittiger is dan Bedrijfskunde (vooral door een intensiever gebruik van wiskunde). Als het niet lukt bij Bedrijfskunde, dan is de kans groot dat het ook niet lukt bij Economie. Hier is voldoende evidentie voor. De slaagkans bij Economie na een negatief bsa bij Bedrijfskunde is zeer laag. Het is ongeloofwaardig dat een student die al een jaar rondloopt op de campus dit niet weet. Maar goed, een paar jaar geleden zijn we deze groep toch pro-actief gaan benaderen om de overstap te ontraden. We zijn er echter snel mee gestopt. Het was volstrekt ineffectief was. Deze groep studenten bleef volharden in hun foute keuze. Waarom? Dat is moeilijk te zeggen. Wellicht heeft het te maken hebben met een fixatie op een bepaald loopbaanperspectief of met verliesaversie. Of ze weten niet wat ze moeten doen en kiezen dus maar iets wat zo dicht mogelijk bij de eerste keuze ligt.

Dit jaar is er wederom een groep studenten overgestapt van Bedrijfskunde naar Economie. De grafiek hieronder geeft de voortgang na twee onderwijsperioden. De studenten hadden tot nu toe maximaal 24 credits kunnen halen; meer dan 60% van deze overstappers haalt echter 4 credits of minder. De tweede studiekeuze pakt in deze gevallen niet veel beter uit dan de eerste. Als deze studenten hadden geweten dat dit hun laatste kans was op een academische opleiding hadden ze wellicht een makkelijkere studie gekozen of harder gewerkt. Nu staan ze volgend jaar voor hun derde studiekeuze.

overstappers

Gelukkig zijn er ook een paar overstappers die wel het juiste spoor hebben gevonden. Van de 8 studenten die alle 24 credits hebben gehaald hadden er overigens 7 Wiskunde B op het VWO (maar dat is een ander onderwerp).

Gerelateerde artikelen:

Ivo Arnold en Wouter van den Brink, Naar een effectiever bindend studieadvies, THEMA, 2010, nr. 5.

Ivo Arnold en Wietske Rowaan, Hoe voorkomen we dat studenten met een negatief BSA wederom een verkeerde studie kiezen, Onderzoek van Onderwijs, juni 2011.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Goede studiekeuze is geen substituut voor hard werken

4 februari 2014 1 reactie

Opiniebijdrage in het ND van 4 februari 2014

Het afgelopen weekend mocht ik scholieren en hun ouders voorlichten over de opleiding Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dat is een dankbare taak. Voor jonge mensen is een goede studiekeuze immers van groot belang voor hun ontwikkeling en loopbaanperspectief. Het is bekend dat scholieren die zich vroeg en goed oriënteren op hun vervolgopleiding een betere kans van slagen hebben dan scholieren die ongeïnformeerd of ongeïnteresseerd een last-minute keuze maken.

Om de studiekeuze verder te verbeteren heeft minister Bussemaker een aantal maatregelen opgenomen in de nieuwe onderwijswet “Kwaliteit in Verscheidenheid”, die dit jaar in werking treedt. De aanmeldingsdatum voor opleidingen is vervroegd naar 1 mei en iedere aankomende student krijgt het recht op een studiekeuzeactiviteit en een studiekeuzeadvies. Een wet vol goede bedoelingen om de matching tussen student en opleiding te verbeteren. Maar zal hiermee de hoge studieuitval in het hoger onderwijs substantieel worden teruggedrongen?

Ik denk van niet. De nieuwe wet is daarvoor veel te vrijblijvend. De universiteiten worden door de minister op kosten gejaagd om studiekeuzeactiviteiten te organiseren. Maar als het studiekeuzeadvies negatief is mogen scholieren niet worden geweigerd. Een onbegrijpelijke weeffout in de wet.

De vrijblijvendheid in het hoger onderwijsbestel gaat verder. Nederlandse studenten hebben onbeperkte mogelijkheden om te wisselen van studie. Bij onvoldoende studievoortgang kan een opleiding de student een negatief bindend studieadvies geven, waardoor de student die opleiding niet kan vervolgen. Maar geen nood. Een nieuwe studie, een nieuwe kans. Zo doolt er in het hoger onderwijs een groep studenten rond van opleiding naar opleiding, zonder kans op snel afstuderen. Deze ongebreidelde vrijheid om over te stappen leidt niet alleen tot een verkwisting van tijd en geld, maar ondermijnt ook pogingen om de studiekeuze te verbeteren. Als overstappen zo gemakkelijk gaat, is de prikkel om goed te kiezen zwak. Je kunt een studie vrijblijvend uitproberen. Als het niet bevalt doe je volgend jaar iets anders.

De oorzaak van de hoge studieuitval onder eerstejaars studenten ligt in een combinatie van een slechte studiekeuze en een ondermaatse studieinspanning. Politici hebben een voorkeur voor de eerste verklaring. De student hoeft dan niet te worden aangesproken op zijn gebrekkige inspanning. Dat is iets wat politici niet graag doen, want ze willen de studentenlobby niet tegen zich in het harnas jagen. Het falen van de student wordt zo gemakshalve gereduceerd tot een verkeerde studiekeuze.

Hoe belangrijk de studiekeuze ook is, de eenzijdige nadruk hierop als middel tegen studieuitval riskeert dat er een verkeerde boodschap wordt uitgezonden aan jonge mensen. Die verkeerde boodschap luidt dat als je een studie kiest die bij je past of die je “leuk” vindt het allemaal wel goed komt. En mocht het desondanks niet lukken dan heb je blijkbaar toch de verkeerde studie gekozen. Zo’n boodschap maakt het externaliseren van falen wel heel erg gemakkelijk en doet de werkelijkheid van studeren geweld aan. Afgezien van een enkele pretstudie, komt het in vrijwel elke universitaire opleiding aan op inzet, discipline en doorzettingsvermogen. Ik sluit me dan ook graag aan bij wat lerarenopleider Ton van Haperen in het NRC van 25 januari schreef: “Zeker in het eerste jaar is niet de belangstelling, maar de succeservaring de motor achter motivatie. De student die tentamens haalt gaat door. Stop daarom met soul searching. Leer kinderen liever hard werken op school”.

Het is voor politici heel gemakkelijk om universiteiten op te dragen om vrijblijvende studiekeuzeactiviteiten te organiseren. Ze vinden het veel moeilijker om de prikkels voor studenten te versterken om harder te werken. Wie herinnert zich niet hoe in 2012 in het zicht van de verkiezingen de langstudeerdersboete sneuvelde? De stem van de student kon niet worden gemist. Toch is het nodig om het probleem van studieuitval terug te leggen bij de student.

Een eenvoudige maatregel om zowel de reflectie op de studiekeuze alsook de prikkel om te studeren te versterken, is om studenten die twee keer een negatief bindend studieadvies hebben gekregen de verdere toegang tot het hoger onderwijs te ontzeggen. Zo’n “two strikes and you’re out”-regel staat toe dat de student één keer een ongelukkige start kent, maar maakt een einde aan de huidige tolerantie voor herhaalde verkeerde keuzes of te weinig inzet. Deze maatregel zou ook klip en klaar maken dat bij de bevoorrechte status als student niet alleen rechten maar ook plichten horen.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Spetterende studievoorlichting

26 januari 2014 9 reacties

De opiniebijlage van het NRC stond dit weekend in het teken van de studiekeuze. Een actueel thema, aangezien de nieuwe wet “Kwaliteit in Verscheidenheid” universiteiten dit jaar voor het eerst verplicht om aankomende studenten studiekeuzeactiviteiten aan te bieden.

In een eerdere blog heb ik me hierover met enige scepsis uitgelaten. De universiteiten worden door de minister op kosten gejaagd terwijl het studiekeuzeadvies vrijblijvend is. Als scholieren zich maar ergens vóór 1 mei inschrijven kan een opleiding ze immers niet weigeren, of de studiekeuzeactiviteit nu positief of negatief uitpakt. Een onbegrijpelijke weeffout in de wet.

Dit is vooral een manco wanneer je studieuitval goed kunt voorspellen, zoals bij de studie economie. Door een oudere weeffout in ons onderwijsbestel bevat het vakkenpakket in het VWO-profiel Economie & Maatschappij – het profiel dat is ontworpen om scholieren goed voor te bereiden op een economische vervolgstudie – een inferieure vorm van wiskunde (wiskunde A ipv wiskunde B). Deze sluit niet goed aan op de wiskunde die nodig is voor economie. Scholieren met een natuurprofiel op het VWO (met wiskunde B) hebben daardoor ironisch genoeg een veel hogere kans om voor hun studie economie te slagen dan scholieren die het “passende” profiel hebben gekozen (zie ook dit ESB- artikel).

Hoe erg het aansluitingsprobleem is wordt nog eens geïllustreerd door onderstaande grafiek. Het gaat om de laatste lichting eerstejaars economiestudenten die het VWO (E&M profiel) met een 6 voor wiskunde A hebben afgerond. De grafiek geeft de cijferverdeling voor het eerste wiskundevak dat ze in september 2013 aan de Erasmus School of Economics volgden. Een slachting: het gemiddelde is een 3,5; minder dan 10% van deze groep slaagt voor het vak. Deze studenten zijn bij aanvang al kansloos. De opleiding wist het, de student is in de voorlichting hiervoor gewaarschuwd, maar de minister staat niet toe dat de opleiding de student weigert. De fictie dat het VWO een goede voorbereiding biedt moet blijkbaar in stand worden gehouden.

 
6voorwiskundeA

In het NRC wordt spottend gesproken over de “spetterende studievoorlichting”
waarmee opleidingen studenten proberen te lokken. Saar van Veelen heeft het in haar bijdrage over “glimmende brochures, gratis condooms en flitsende presentaties”. Aanstaande zaterdag is de open dag bij de Erasmus School of Economics. Ik zal er geen condooms uitdelen maar bovenstaande grafiek laten zien. Demarketing noemen ze dat. Mijn grootste angst is dat het niet werkt. Dat zichzelf overschattende scholieren denken dat het gemiddelde niet op hen van toepassing is en dat zij de uitzondering zijn in de rechterstaart van de verdeling. Deze studenten zouden tegen zichzelf beschermd moeten worden. Maar de minister staat dat niet toe.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized