Archief

Archive for the ‘Banken’ Category

Bankenconsolidatie is te belangrijk om aan de markt over te laten

21 februari 2019 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 21 februari

Bij de presentatie van de jaarcijfers kon ING de kater van het witwasschandaal wegspoelen met mooie groeicijfers. Maar liefst één miljoen klanten had ING er in 2018 bij gekregen. Daaruit blijkt maar weer dat de financiële sector nog steeds wordt gedreven door een drang naar groei. Bij onze oosterburen wordt intussen volop gespeculeerd over het samengaan van Deutsche Bank en Commerzbank, waarmee in Duitsland een nationale bankenkampioen zou ontstaan. Een grote bank is echter niet noodzakelijkwijze een betere bank. Megabanken oefenen veel marktmacht uit en vormen een risico voor het financiële systeem. Het publieke belang is vooral gediend met veilige banken die de klant goed bedienen.

De afgelopen jaren is er in Europa veel energie gestoken in het optuigen van een bankenunie, met als resultaat dat de regelgeving en het bankentoezicht nu een Europese aangelegenheid zijn. De politiek heeft echter geen idee hoe de bankensector er binnen die bankenunie uit zou moeten zien. Ze lijkt er ook niet echt in geïnteresseerd. Ten onrechte, want ontwikkelingen binnen het bankwezen zijn te belangrijk om aan de banken zelf over te laten. Voor je het weet ontwikkelt de markt zich in een onwenselijke richting.

Wat dat betreft is Nederland ervaringsdeskundige. Tot 1990 waren Nederlandse financiële instellingen onderworpen aan het zogenaamde structuurbeleid, dat tot doel had om economische machtsconcentraties rondom banken tegen te gaan. Fusies van grote banken werden in beginsel niet toegestaan, vanwege de daaruit voortvloeiende verschraling van het bancaire aanbod. Het structuurbeleid hield de diversiteit van de sector in stand en zette het een rem op de groeidrang van bankiers. Het werd afgeschaft omdat de regering destijds van mening was dat grotere Nederlandse banken zich beter zouden kunnen redden op de interne Europese markt. Na de afschaffing volgde een periode van binnenlandse samenklontering die het systeemrisico van Nederlandse banken sterk heeft vergroot. In plaats van Europese concurrentie kreeg de consument een verschraald bankenaanbod. Bijna 30 jaar na de afschaffing van het structuurbeleid klaagt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in haar recente rapport “Geld en schuld” over het gebrek aan diversiteit in het bankenlandschap en de dominantie van de drie systeembanken. Dit is ons niet overkomen, maar een uitvloeisel van een bewuste politieke keuze om de banken vrij spel te geven.

Wat er gebeurt als we de Europese banken vrij spel geven in de bankenunie laat zich raden. Voor hen is de meest profijtelijke strategie om eerst samen te klonteren op de nationale thuismarkt, waar ze gemakkelijk kostenbesparingen kunnen realiseren en hun marktmacht ten koste van de consument kunnen vergroten. Dat proces heeft Nederland helaas al doorlopen, maar is in landen als Duitsland en Italië nog in het beginstadium. Ik verwacht dat nationale systeembanken vervolgens zullen willen fuseren om Europese megabanken te vormen, want bankiers meten hun prestige en beloning primair af aan de omvang van de bankbalans. Ook kunnen ze zo het enige echte schaalvoordeel, dat ze in de Europese markt te groot zijn om failliet te laten gaan en dus op de impliciete steun van de overheid kunnen rekenen, realiseren. Het bovenstaande scenario is in het belang van de bankiers, maar daarmee nog niet in het publiek belang.

Europa kan leren van de blunder die Nederland met de afschaffing van het structuurbeleid heeft begaan. Een Europese instantie moet de regie nemen over de marktordening binnen de bankensector en daarbij de publieke belangen bewaken. Er is dus een Europees structuurbeleid nodig. Dit betekent niet dat er niets moet veranderen. Een aantal Europese landen zijn “overbanked”, met teveel kleine en inefficiënte banken. Het zou geen kwaad kunnen als de efficiëntere middelgrote Europese banken over de grens actief worden en hun zwakkere buitenlandse broeders overnemen. Maar de randvoorwaarden hierbij moeten zijn dat de concurrentie er niet onder lijdt en dat het systeemrisico binnen de perken blijft. Op die manier kan worden gewerkt aan echte integratie van de Europese bankenmarkt, waarbij de klant baat heeft bij betere dienstverlening en de belastingbetaler niet het risico draagt van omvallende megabanken.

Categorieën:Banken

Klaas Knot is geen bankier

31 maart 2016 2 reacties

Als iets eruitziet als een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het waarschijnlijk een eend. Maar deze eendentest gaat niet altijd op. Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank (DNB), ziet eruit als een bankier, verdient als een bankier en praat als een bankier. Maar dat maakt Knot nog geen bankier en DNB nog geen gewone bank.

Bij de presentatie van het jaarverslag van DNB werd veel bankierstaal gebezigd. In een interview met het NRC sprak Knot over buffers, verliezen en gaten in de balans van de centrale bank. DNB zet de komende jaren € 500 miljoen per jaar opzij als voorziening voor mogelijke verliezen op de aankopen van staatsleningen door de ECB. Knot uitte ook zijn bezorgdheid over het omstreden idee om centrale banken geld te laten uitstrooien onder de bevolking, ook wel bekend als helikoptergeld. Hij is bevreesd dat het een gat in de balans van de centrale bank slaat. Knot appelleert met zijn uitspraken aan het verlangen naar financiële degelijkheid dat leeft bij veel burgers, net als VVD politici die midden in de crisis beweerden dat de overheid haar huishoudboekje op orde moest maken. In beide gevallen is de economische logica echter ver te zoeken. De bezuinigingen tijdens de crisis hebben de recessie juist verergerd. En een centrale bank hoeft zich echt niet druk maken over een gat op haar balans. Een centrale bank is immers geen gewoon bedrijf.

Vanzelfsprekend heeft het recente monetaire beleid de balansen van centrale banken verzwakt. De kwaliteit van het onderpand dat banken aanleveren is verslechterd en ook aan het opkopen van overheidsobligaties kleven risico’s. Maar we moeten hier niet al te dramatisch over doen. Vanwege haar monopolie op de gelduitgifte kan een centrale bank altijd aan haar verplichtingen voldoen, zelfs wanneer verliezen tot een negatief eigen vermogen zou leiden. Solvabiliteit is geen halszaak als je geld kunt drukken. Dit is de reden dat er voor centrale banken geen kapitaaleisen gelden. Dit betekent ook dat de voorziening van 500 miljoen euro niet noodzakelijk is, in tegenstelling tot wat DNB in haar jaarverslag schrijft. Het kapitaal van DNB als percentage van het balanstotaal kon de afgelopen jaren ongemerkt dalen van rond de 10% in 2006 naar 4% nu. Een echte bankier had zo’n daling van de solvabiliteit niet overleefd.

De president van DNB is dan ook geen bankier, maar in de eerste plaats een overheidsdienaar. Hij heeft van de politiek de opdracht gekregen om voor prijsstabiliteit te zorgen en te waken over de stabiliteit van het financiële stelsel. De balans van een centrale bank is daarbij een hulpmiddel, niet een doel op zichzelf. Wanneer het monetair beleid de balans van een centrale bank verzwakt, dan hoeft dat op zichzelf geen ramp te zijn. Veel belangrijker is de vraag of de doelstelling van prijsstabiliteit wordt bereikt.

Over de effectiviteit van het opkoopbeleid van de ECB is veel te doen. Het is moeilijk om daar stellige uitspraken over te doen. We weten immers niet hoe de economie zich zou hebben ontwikkeld als de ECB niets zou hebben gedaan. Mijn eigen inschatting is dat de ECB het economisch herstel heeft bevorderd, via lagere rentestanden en een zwakkere wisselkoers. Knot mag zijn twijfels over dit beleid uiten, maar dan wel met deugdelijke argumenten. Schermen met risico’s voor de balans van de centrale bank is stemmingmakerij. De relevante risico’s zijn dat het beleid te goed werkt en op termijn tot hyperinflatie leidt of dat het vervelende bijwerkingen heeft, zoals zeepbelvorming in de financiële markten. Het risico voor de balans van de centrale bank is onbelangrijk.

Intussen is wel duidelijk geworden dat de ECB de kar niet alleen kan trekken. Voor een krachtiger herstel van de Europese economie is meer nodig: een stimulerend begrotingsbeleid in landen die het zich kunnen veroorloven en structurele hervormingen in landen waar dat nodig is. DNB voegt hier in haar jaarverslag aan toe dat er in Nederland ruimte is voor verdere loonstijgingen in de private sector, die kunnen bijdragen aan de consumptieve bestedingen en de groei. Dat is een prima suggestie, maar het ontslaat de centrale bank niet van haar taak. Om te voorkomen dat loonstijgingen de concurrentiepositie buiten Europa aantasten, blijft een zwakke euro wenselijk. Ook moeten we voorkomen dat de lonen in de publieke sector achterblijven en dat dit tot een kwaliteitsverarming van het overheidsapparaat leidt. Laat DNB daarom die 500 miljoen euro alsnog aan Dijsselbloem uitkeren ten behoeve van een stijging van de ambtenarensalarissen.

Voltooi de Europese bankenunie

Opiniebijdrage in het ND van 9 juli

Onvoorstelbaar, dat een kleine regio binnen de eurozone – de Griekse economie heeft een aandeel van nog geen 2% in het totale BBP – voor zoveel ophef kan zorgen. Al lang leggen de Grieken beslag op een onevenredig groot deel van de aandacht van Europese politici en bestuurders. Nu zijn ze er ook nog eens in geslaagd om het financiële verkeer in eigen land plat te leggen. Als heel Europa meedenkt over de details van het Griekse beleid, doen we iets niet goed. De vraag of Santorini een BTW-vrijstelling verdient zou eigenlijk in Athene moeten worden beantwoord. Micro- en crisismanagement slurpt dus de energie van regeringsleiders; aan de grote vraagstukken komen ze niet meer toe.

Dat het ook anders kan, laat een vergelijkbaar drama aan de overkant van de Atlantische oceaan zien (zie ook deze publicatie van Daniel Gros). Het Caribische eiland Puerto Rico is een onderdeel van de Verenigde Staten. Puerto Ricanen zijn Amerikaanse staatsburgers en gebruiken de dollar. In economisch opzicht is Puerto Rico het Griekenland van Amerika. De economie blijft ver achter bij die van de rest van de VS, de locale regering slaagt er maar niet in om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en jonge mensen zoeken hun heil elders. Eind juni maakte de gouverneur bekend dat de schuld van $ 72 miljard niet kan worden terugbetaald. Maar er is geen paniek in Washington. Niemand bepleit een Prexit uit de dollar. En er staan geen rijen voor de pinautomaten in San Juan.

Hoe kunnen we het Griekse probleem reduceren tot Puerto Ricaanse proporties? Een oplossing is méér Europese integratie. De instabiele monetaire unie zou dan moeten worden gestut met een begrotingsunie. Dit betekent meer risicodeling tussen de eurolanden, via een ruimere Europese begroting en de uitgifte van gemeenschappelijke obligaties (eurobonds). Substantiële geldoverdrachten worden dan ingebouwd in de unie en hoeven niet telkens tot conflicten te leiden. Deze oplossing heeft de charme van economische consistentie, maar getuigt ook van politieke naïviteit.

Terecht of niet, zes jaar eurocrisis heeft Europa er niet populairder op gemaakt bij de kiezer. Een begrotingsunie is dus vooralsnog een politieke droom. Bovendien ontbreekt een belangrijke randvoorwaarde. Begrotingssolidariteit vereist dat binnen de unie het openbaar bestuur van vergelijkbare kwaliteit is. Je wilt bijvoorbeeld niet dat burgers in landen met een goed functionerende belastingdienst meer bijdragen aan de publieke middelen dan burgers in landen met een ineffectieve of corrupte belastingdienst. Aan deze voorwaarde is in Europa nog lang niet voldaan. Maar zelfs een begrotingsunie biedt geen garantie tegen stagnatie. Ondanks jarenlange overdrachten vanuit de VS is Puerto Rico economisch achterop geraakt.

Het valt dus nooit helemaal uit te sluiten dat er een zwart schaap in de Amerikaanse of Europese kudde zit. Het beste is dan om te voorkomen dat het schaap het verpest voor de rest. Daarin is de VS veel beter geslaagd dan Europa. Dat heeft vooral te maken met de banken. De banken in Puerto Rico hebben niet of nauwelijks geld geleend aan hun overheid. Ze vallen dan ook niet meteen om als die haar schulden niet afbetaalt. Natuurlijk zijn ze vatbaar voor de economische malaise op het eiland, maar de Amerikaanse toezichthouder waakt over hun gezondheid. Indien nodig wordt een bank gesloten, geherstructureerd of verkocht met Amerikaanse middelen. In de afgelopen jaren is dat ook een aantal keren gebeurd. De gewone burger maakt zich hierover geen zorgen, want zijn spaartegoeden vallen onder het Amerikaanse depositogarantiestelsel. Daarom is er geen bankrun in San Juan.

Hiermee vergeleken heeft de eurozone een halfbakken bankenunie. Recent is de verantwoordelijkheid voor het bankentoezicht bij de ECB gelegd. Maar Europese banken lenen nog steeds teveel geld uit aan de eigen overheid. Er zijn nog geen Europese middelen beschikbaar voor het opdoeken van banken zijn en er is geen Europees depositogarantiestelsel. De voor de hand liggende les uit deze vergelijking is dat de Europese bankenunie dringend moet worden voltooid. Knip die navelstreng tussen overheden en banken definitief door voordat we soortgelijke problemen krijgen in Italië. Europese banken moeten stoppen met het uitlenen aan hun eigen overheid en snel fondsen vormen voor het opdoeken van falende banken en het garanderen van spaargeld. Een stevige bankenunie maakt het gemakkelijker om een land failliet te laten gaan binnen de eurozone.

De Puerto Ricanen kunnen nog pinnen, maar zullen het faillissement wel gaan merken. Uit geldgebrek zal hun regering meteen snijden in overheidsdiensten of de belastingen verhogen. En zo hoort het ook. Als een overheid haar kredietwaardigheid heeft verloren moet die het probleem zelf aanpakken, in plaats van het af te wentelen op anderen.

MoneYou overtreedt de regels

27 november 2014 Plaats een reactie

Update 29/11: intussen heeft moneyou.at de website aangepast.

Het FD publiceerde vandaag een artikel over de honger naar buitenlands spaargeld van de Nederlandse grootbanken. Ik heb mijn bedenkingen tegen deze financieringsvorm elders opgeschreven (ESB 31/8/2008 en ESB 1/4/2011). Maar DNB vindt het blijkbaar nog steeds geen probleem dat banken buitenlands spaargeld onder het Nederlandse garantiestelsel bijeen blijven harken. Deze activiteit heeft overigens weinig te maken met het depositofinancieringsgat, zoals de bankenlobby beweert, maar meer met de wens van banken om zich zo goedkoop mogelijk te financieren. Het ophalen van buitenlands spaargeld onder dekking van het Nederlandse garantiestelsel is nu eenmaal goedkoper dan het uitgeven van obligaties die wellicht ten prooi vallen aan een bail-in.

Wel maakt onze overheid zich druk over het gebruik van het Nederlandse DGS in reclameuitingen in het buitenland. Ik citeer uit een antwoord van Minister de Jager op kamervragen van Ronald Plasterk  in 2011:

Verder is relevant om op te merken dat banken, op basis van Europese regelgeving en de Wft, potentiële en bestaande depositohouders dienen te informeren welk DGS op hen van toepassing is. Tegelijkertijd geldt echter dat het een financiële onderneming op grond van artikel 3:264, lid 1, Wet op het financieel toezicht (Wft) niet is toegestaan deze informatie voor reclamedoeleinden te gebruiken. Lid 2 van dit artikel staat wel toe dat een bank in een reclame-uiting vermeldt dat op haar een vangnetregeling van toepassing is.

Indertijd is de Rabobank op de vingers getikt voor een overtreding van deze regel bij de marketing van RaboDirect in België:

Het is niet aan mij om te oordelen of de informatie die de Rabobank op haar website had opgenomen in strijd is met lid 1 van dit artikel. De Nederlandsche Bank (DNB) ziet hierop toe en kan zo nodig direct of indirect corrigerend optreden. Echter, ik kan me voorstellen dat de door de vraagsteller aangehaalde tekst wervend over kan komen, en dat de tekst niet voldoende tot uitdrukking brengt dat de kosten van het DGS ten laste komen van de banken. Ook de Rabobank heeft aangegeven dat de tekst op de Belgische website van de Rabobank de suggestie wekte dat deze voor reclamedoeleinden was bedoeld. De Rabobank heeft aangegeven dat dit niet had mogen gebeuren en heeft de tekst aangepast om deze suggestie weg te nemen.

Je zou denken dat banken zich sindsdien aan de regels houden, maar dat blijkt niet het geval (niets geleerd…). Hieronder een screenshot van www.moneyou.at, de Oostenrijkse website van MoneYou (de internetspaarbank van ABN AMRO):

MoneYou

Onder de kop “Professionalität und Sicherkeit” staat bij een goedkeurend vinkje:

“Bis zu €100.000 Einlagenversicherung durch die niederländische Zentralbank.”

Dat lijkt mij in strijd met bovenstaande regels. Er had natuurlijk moeten staan:

Let op: in Nederland staan de banken onderling garant voor het spaargeld. U kunt dus geen beroep doen op de Nederlandse overheid. U dient zich ervan bewust te zijn dat er op België na geen Europees land is waar banken zo weinig eigen vermogen aanhouden ten opzichte van hun balanstotaal als Nederland.

Categorieën:Banken, Uncategorized

Foute toon, goede boodschap

26 november 2014 Plaats een reactie

Ik begrijp niet zo goed waarom de gimmick-onthulling van Ewald Engelen nieuwswaardig is. Bij de publicatie van zijn boek De Schaduwelite was het immers evident dat de namenlijst niet was gebaseerd op zorgvuldig onderzoek, maar louter diende ter provocatie. Personen zonder onderbouwing beschuldigen is natuurlijk laakbaar. Misschien goed voor de verkoopcijfers, maar slecht voor de geloofwaardigheid van de auteur. Ik vind het ook niet fraai om vervolgens de verantwoordelijkheid af te schuiven op de uitgever.

Maar de foute toon betekent nog niet dat de boodschap kan worden genegeerd. Er is wel degelijk iets mis met de financieel-economische elite in Nederland en Ewald Engelen is helaas één van de weinigen die zich hierover druk maakt. Binnen deze elite heerst een stroperige ons-kent-ons cultuur waarin belangenverstrengeling op de loer ligt, onafhankelijke bewakers van het publieke belang schaars zijn en de financiële sector gemakkelijk het beleid kan beïnvloeden. Hierdoor is het inderdaad, zoals Engelen betoogt, heel lastig om radicale veranderingen door te voeren.

Twee praktijken die deze cultuur voeden zijn wijdverspreid. In de eerste plaats komt het regelmatig voor dat politici, ambtenaren of toezichthouders overstappen naar veel beter betaalde functies in de financiële sector. Als dit een gangbaar loopbaanperspectief is, kan de burger er niet zeker van zijn dat deze overheidsdienaren louter het publieke belang behartigen. Met het oog op hun life time earnings kunnen ze misschien maar beter de financiële sector te vriend houden.

In de tweede plaats zijn de banden tussen de wetenschap en de financieel-economische praktijk te nauw (zie ook het artikel Ondernemende professoren in De Groene van deze week). Het meest in het oog springend is dit in de accountancy en het fiscaal recht, waar veel hoogleraren tevens partner zijn bij een accountantskantoor, maar het komt elders ook voor. Daarnaast doet de financiële sector op allerlei manieren aan sponsoring van de wetenschap(pers). Door dit alles klinkt het onafhankelijke tegengeluid vanuit de wetenschap veel te zacht door. Het is jammer dat Ewald Engelen dat probeert te overcompenseren op een manier die veel symphatisanten zal tegenstaan.

Categorieën:Banken, Uncategorized

De goudflater van DNB

22 november 2014 2 reacties

De noodzaak van dat gesleep met goudstaven ontgaat mij eerlijk gezegd helemaal. Dus toch maar eens het persbericht van DNB over “de aanpassing van het locatiebeleid” lezen. Daarin staat dat DNB een evenwichtigere spreiding van de goudvoorraad wil realiseren en dat de verscheping van goud terug naar Nederland kan “bijdragen aan een positief vertrouwenseffect bij het publiek.” Beide argumenten roepen vragen op.

Het spreidingsargument lijkt te zijn geleend uit de portefeuilletheorie (niet alle eieren in één mandje stoppen). Portefeuilletheorie is toepasbaar als er een risico is om te spreiden. Maar als de Federal Reserve Bank risicoloos goud kan opslaan verliest het argument zijn kracht. Als er wel diversificeerbaar locatierisico kleeft aan de goudopslag bij centrale banken, dan ligt verscheping naar Amsterdam nog steeds niet voor de hand. Uit een oogpunt van optimale spreiding was het dan beter geweest om de goudstaven naar Parijs of Frankfurt te brengen (Zürich zou ik niet doen, we hebben slechte ervaringen met Zwitsers die ons goud bewaren). Kortom, het spreidingsargument rammelt aan alle kanten.

Dan het positieve vertrouwenseffect. DNB maakt niet duidelijk wat daar precies mee wordt bedoeld, dus ik moet gissen. Het zou kunnen gaan om een toegenomen vertrouwen in de veiligheid van onze goudvoorraad: eigen kluis is goud waard. Het idee is blijkbaar dat je waardevolle stukken beter dichtbij huis kunt bewaren, omdat dat meer vertrouwen geeft in de veiligheid. Zo zijn er ook nog steeds mensen die denken dat bankbiljetten onder het matras veiliger zijn dan bij een bank. Ik denk niet dat een centrale bank dit soort irrationele en xenofobe gevoelens zou moeten aanwakkeren. DNB zou juist pal moeten staan voor de veiligheid van ons goud bij haar buitenlandse collega’s en voor de veilige bewaring van kostbaarheden in het financiële stelsel in het algemeen.

Een alternatieve interpretatie is dat de toegenomen hoeveelheid goud op eigen bodem het vertrouwen in de waarde van ons geld verhoogt. Het zou fijn zijn als DNB daarvoor enige evidentie kan leveren. Ik ken in ieder geval geen empirische studies die aantonen dat de locatie van de goudvoorraad een effect heeft op het vertrouwen in geld. Los daarvan is er weinig mis met de waardevastheid van de euro. De inflatie is nu lager dan 1% en ook de inflatieverwachtingen op de middellange termijn liggen beneden de inflatiedoelstelling van 2%. Dit zijn nou niet echt aanwijzingen dat er met goudstaven geschoven moet worden om het vertrouwen in ons geld een boost te geven. ECB president Mario Draghi wil juist dat de Europese inflatie toeneemt. Als we de logica van DNB volgen zouden we misschien beter wat goudstaven naar Zimbabwe kunnen verschepen (over onorthodox monetair beleid gesproken).

Kortom, het persbericht van DNB is dom en schadelijk. Het toekennen van een vertrouwenseffect aan de locatie van de goudvoorraad ondermijnt het vertrouwen in de centrale bank als monetaire autoriteit in een fiduciair geldstelsel. Laten we het maar houden op een gaffe van een onwetende communicatiemedewerker.

Na de healthcheck zijn onze banken nog steeds obese

5 november 2014 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 5 november

De grootscheepse doorlichting van de Europese bankensector is eindelijk afgerond. Onder leiding van de ECB hebben maar liefst 6000 experts de bankbalansen nageplozen en onderworpen aan stresstesten. Iedereen die de uitkomsten van zo’n arbeidsintensieve en voor outsiders niet-reproduceerbare klus in twijfel trekt begeeft zich op glad ijs. Maar laat ik toch een poging wagen.

De bankentoezichthouders wilden dit keer laten zien dat ze streng kunnen zijn. Na twee eerdere beschamende stresstesten door de Europese bankenautoriteit – in beide gevallen rap gevolgd door het omvallen van een goedgekeurde bank – was nu de reputatie van het toezicht in het geding. Streng lijken was dus prioriteit nummer één. Tegelijkertijd moest de uitkomst ook weer niet zo slecht zijn dat het onrust in de financiële markten veroorzaakt en regeringen dwingt om wederom vele miljarden euro’s steun te verlenen aan banken. Dat zou niet goed zijn voor het economisch herstel en de overheidsfinanciën. Kortom, de ideale uitkomst bestond uit stoer blaffen, maar niet doorbijten.

Laat dat nou precies de uitkomst zijn die onlangs is gepresenteerd. Van de 130 banken zijn er 25 gezakt. Dat is best een hoog percentage. Veel banken laten zakken maakt een stoere indruk. Maar in de meeste gevallen gaat het om onbelangrijke banken uit de periferie van het eurogebied. Bovendien hebben 12 banken sinds de testdatum nieuw kapitaal opgehaald, waardoor er per saldo maar € 9,5 miljard aan extra kapitaal bij hoeft bij 13 banken. Dat is een schijntje op een gezamenlijk balanstotaal van € 22 biljoen. Kortom, van deze “strenge” test zullen de financiële markten en de schatkistbewaarders niet wakker liggen. Al met al lijkt deze uitkomst te uitgekiend om geloofwaardig te zijn.

Na de bekendmaking dat de Nederlandse banken waren geslaagd regende het zelfvoldane opmerkingen vanuit de financiële sector en de politiek. Toezichthouder DNB en bankiersclub NVB verklaarden de banken financieel gezond. Minister Dijsselbloem merkte zelfs op dat hiermee de bankencrisis kan worden afgesloten. Dat is om een aantal redenen voorbarig.

De verklaring van goede gezondheid die de ECB nu aan de Nederlandse banken heeft afgegeven is gebaseerd op kapitaaleisen die door bijna alle onafhankelijke economen als te laag worden beoordeeld. Hoe schokbestendig kan een bank immers zijn met een minimale “leverage ratio” van 3%, wat wil zeggen dat iedere euro eigen vermogen nog steeds 33 keer mag worden uitgeleend?

Een ander kritiekpunt betreft de stresstesten. Hiermee wordt nagegaan wat de invloed van ongunstige economische toekomstscenarios op de bankbalansen is. Sommige stressfactoren zijn meegenomen, zoals een daling van de huizenprijzen en een forse krimp van de economie. Maar met een deflatiescenario, toch allerminst denkbeeldig, houden de stresstesten geen rekening. Terwijl juist bij dalende prijzen bedrijven in de problemen raken en banken moeten afschrijven op kredieten. Ook houden de toekomstscenarios geen rekening met nieuwe eurostress, waarbij sterk oplopende rentestanden op de staatsschuld van Zuid-Europese landen het financiële systeem ontwrichten en de stabiliteit van de muntunie op de proef stellen. Dat is een ernstige lacune, gezien het feit dat de schuldenproblemen van veel eurolanden nog allerminst zijn opgelost.

Terwijl de ECB hoog opgeeft van de omvang en reikwijdte van deze exercitie, zou dat eigenlijk een punt van zorg moeten zijn. Als een leger van 6000 experts, waaronder 5000 consultants die speciaal zijn ingehuurd vanuit de private sector, maandenlang bezig is om een momentopname te maken van de kwaliteit van de bankbalansen op 31 december 2013, hoe kan de ECB dan garanderen dat zij in staat is continu de vinger aan de pols te houden? Dat lijkt welhaast een bovenmenselijke opgave.

Naast deze algemene kanttekeningen zijn er een aantal specifieke redenen waarom de zelfgenoegzaamheid over onze banken misplaatst is. Op drie belangrijke punten onderscheidt ons bankwezen zich negatief van de branchegenoten in het eurogebied. Nederland is het land met de grootste bankensector in verhouding tot de omvang van de economie. Nederland behoort ook tot de landen waarin de concentratiegraad van het banken het hoogste is, wat betekent dat de markt wordt gedomineerd door een beperkt aantal grootbanken. En op België na is er geen land waar banken zo weinig eigen vermogen aanhouden ten opzichte van hun balanstotaal. De combinatie van deze drie kenmerken maakt dat het systeemrisico hoog is: als een bank in de problemen komt, is dat meteen een probleem voor onze economie. Kortom, het Nederlandse bankwezen lijdt nog steeds aan obesitas. Dat de doctor nu een health check heeft gedaan doet niets af aan de noodzaak tot afslanken.

 

 

 

 

 

Categorieën:Banken, Uncategorized

Niets doen is geen optie voor de ECB

8 oktober 2014 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 8 oktober

Deze maand begint de Europese Centrale Bank dan eindelijk met haar langverwachte opkoopprogramma van obligaties. Niets doen is geen optie meer, nu de inflatie in het eurogebied is gedaald tot bijna nul – ruim beneden de doelstelling van twee procent – en er geen ruimte is voor verdere rentedalingen. In normale landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Japan hebben centrale banken opkoopprogramma’s uitgevoerd door massaal staatsleningen te kopen. Maar het eurogebied is geen normaal land. Het splijtende Noord-Zuid wantrouwen blokkeert het gebruik van wat in andere landen een geaccepteerd instrument van monetair beleid is. Vooral de Duitsers zijn bang dat het opkopen van staatsleningen de begrotingsdiscipline en de hervormingsbereidheid van de Zuidelijke ‘begrotingszondaars’ zal doen verslappen.

Uit consideratie hiermee heeft de ECB dan ook besloten om geen staatsleningen, maar door de private sector uitgegeven obligaties op te kopen. Het gaat om gebundelde bedrijfskredieten en pandbrieven, door banken uitgegeven obligaties met extra onderpand. Maar ook deze maatregelen kunnen op weinig Duitse sympathie rekenen. De econoom Hans-Werner Sinn beweerde in de Financial Times zelfs dat de ECB hiermee een ‘bad bank’ wordt, een soort vuilstortplaats voor slechte leningen. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat de ECB met deze actie meer kredietrisico op haar balans neemt, hoe goed zij dat risico ook zal proberen af te dekken. Maar het enkel en alleen om deze reden afwijzen van het opkoopprogramma getuigt van een bekrompen visie op economisch beleid. Risicoloos beleid bestaat niet. Beleidsmakers zullen altijd een verstandige afweging moeten maken van de kosten, baten en risico’s van verschillende opties, inclusief de optie om niets te doen.

De risico’s van inactiviteit zijn substantieel. Het eurogebied als geheel balanceert op de rand van deflatie en in een aantal eurolanden dalen de prijzen al enige tijd. Dat klinkt leuk vanuit het perspectief van de consument, maar is het niet. De deflatie in het eurogebied is vooral een teken van onderbesteding. Samen met de hoge schuldenbergen van huishoudens en overheden vormt het een gevaarlijke combinatie. ‘Partners in crime’ worden schuld en deflatie genoemd in het recente boek ‘House of Debt’ van de Amerikaanse economen Atif Mian en Amir Sufi. Wanneer onder schuld gebukt gaande consumenten hun bestedingen terugschroeven dalen de prijzen. In reactie hierop proberen bedrijven hun loonkosten te verminderen, waardoor huishoudens minder inkomen krijgen om hun schulden af te lossen en hun bestedingen nog verder zullen terugschroeven. En ga zo maar door. Het doorbreken van deze negatieve spiraal is bij uitstek de taak van een centrale bank, die daarbij haar hele arsenaal aan instrumenten moet kunnen inzetten.

Met betrekking tot het opkoopprogramma is de relevante vraag dan ook niet zozeer of de ECB extra risico loopt, maar of de positieve effecten het extra kredietrisico waard zijn. De ECB denkt van wel. Zij hoopt dat haar programma banken de ruimte geeft om meer kredieten te verstrekken aan het midden- en kleinbedrijf en dat zo de economische groei wordt gestimuleerd. Dat is mijns inziens een optimistische inschatting. De topprioriteit voor banken is immers het op orde brengen van hun kapitaalbuffers en het voldoen aan de strengere toezichtseisen. Dat gaat gemakkelijker door minder in plaats van meer uit te lenen. Zolang het herstel broos en onzeker blijft zullen banken ook niet staan te trappelen om meer risicovolle leningen aan het bedrijfsleven te verstrekken. Van de banken moeten we het op de korte termijn niet hebben.

Gelukkig is er nog een andere route waarlangs het opkoopprogramma succes kan hebben. Door het eurogebied te overspoelen met geld verzwakt de ECB de wisselkoers. Een goedkopere euro helpt de groei via de exporten en verkleint tevens het deflatiegevaar via hogere importprijzen. De waardedaling van de euro is enige maanden geleden al ingezet, na de aankondiging van het opkoopprogramma. Een belangrijke steun in de rug voor de ECB is dat de Amerikaanse centrale bank tegelijkertijd haar eigen opkoopprogramma heeft stopgezet. De financiële markten houden zelfs al rekening met een Amerikaanse rentestijging in de niet al te verre toekomst. Een sterk Amerikaans herstel met bijbehorende rentestijging maakt de dollar duurder ten opzichte van de euro. Een godsgeschenk voor de ECB, die zal hopen dat het opkoopprogramma samen met de meewind uit Amerika voldoende is om via een goedkopere euro de economie uit het slop te halen. Maar als dat niet lukt en de stagnatie aanhoudt, verwachten de financiële markten toch echt dat de ECB haar opkoopprogramma zal uitbreiden met staatsleningen. Dan zal moeten blijken of ECB de ultieme confrontatie met haar Duitse tegenstanders durft aan te gaan.

Philippe Legrain’s European Spring

6 augustus 2014 Plaats een reactie

Vakantietijd, leestijd. Philippe Legrain heeft met “European Spring, Why Our Economies and Politics are in a Mess and How to Put Them Right” een boeiend boek geschreven, dat iedereen die geïntereseerd is in de eurocrisis nog eens de gelegenheid biedt om te reflecteren op de crisis en de eigen standpunten daarover.

Verfrissend in Legrain’s boek is de combinatie van een sterk pro-euro en anti-bank sentiment. In het politieke debat komt deze combinatie niet zo vaak voor. Aan de extreme kanten van het politieke spectrum (SP, PVV) uit het ongenoegen over de crisis zich meestal in een ongenuanceerd generiek tegengeluid. Weg met de bonussen voor bankiers en terug naar de gulden. De meer gematigde politieke partijen willen vasthouden aan de euro, al passen ze uit electorale overwegingen wel op om al te enthousiast over de euro te doen. Tegelijkertijd zijn deze partijen niet genegen of bij machte om de financiële sector echt aan te pakken. Daarvoor zijn de gevestigde politieke partijen en de grootbanken te zeer met elkaar verweven in het “establishment”. Legrain heeft daar als onafhankelijk denker gelukkig geen last van. Hij laat er geen twijfel over bestaan waar het mis ging:

The biggest underlying problem is the capture of governments by vested interests and self-serving elites who appropriate value created by others rather than creating it themselves – call it crony capitalism. Most European countries have an overmighty and dysfunctional financial sector that benefits from taxpayer bailouts and subsidised borrowing, extract value from companies and households, and does a poor job of channeling savings to productive investments. (p. 43-44)

Daarmee ziet Legrain de eurocrisis primair als een falen van de financiële sector, een interpretatie waar ik het volkomen mee eens ben (zie deze oude blog). De euro heeft hier natuurlijk wel een rol in gespeeld, door een groter speelveld te bieden aan incompetente bankiers:

No doubt the euro has also generated some other positive flows across the Eurozone, allowing investors to diversify their portfolios and earn higher risk-adjusted returns, particularly on equity investments. But because the euro’s launch coincided with the biggest financial bubble in history across the Western financial system, those positive flows were swamped by misdirected cross-border lending. (p. 53-54)

In deze redenering is het euro-project gekaapt door de financiële sector. Door roekeloos de vastgoedzeepbellen in Spanje en Ierland helpen op te blazen en geen acht te slaan op het kredietrisico van Griekse staatsschuld, heeft de financiële sector de fragiliteit van de Eurozone onnodig verhoogd. De doorgeschoten financiële integratie heeft zo de Europese integratie in gevaar gebracht. De toezichthouders en centrale bankiers stonden erbij en keken ernaar.

Over het “one-size-fits-all” probleem – de moeilijkheid om met één munt en één monetair beleid een economisch heterogeen gebied te bedienen – is Legrain een stuk milder. Veel Angelsaksische euro-sceptici menen dat dit de Achilleshiel van de muntunie is. Zwakke eurolanden zouden alleen met een devaluatie van een eigen munt hun concurrentiepositie kunnen herstellen. Legrain denkt hier een stuk genuanceerder over. Een zwakke munt kan een land soms helpen, maar is zeker geen panacea:

In any case, the key to southern Europe’s (…) long-turn success is not cutting the cost of its traditional exports in a vain attempt to compete with China, but moving up the value chain – producing different and better things. That requires productivity-enhancing reforms and investment, not devaluation. (p. 61)

Als extra argument had Legrain nog kunnen noemen dat het concurrentievoordeel van een devaluatie alleen kan worden vastgehouden met een gedisciplineerd flankerend financieel-economisch beleid (het schoolvoorbeeld is de devaluatie van de Belgische franc in 1982). Als een regering daartoe niet in staat is wordt het voordeel snel teniet gedaan door binnenlandse loon- en prijsstijgingen. Een hoge inflatie is dan het gevolg, zie Argentinië. Als politici wèl in staat zijn om een gezond financieel-economisch beleid uit te voeren moet het ze ook lukken om van hun verblijf in de eurozone een succes te maken. Legrain wijst ook terecht op de schokabsorberende werking van de muntunie in de beginfase van de crisis:

More generally, euro membership protected countries from the currency crisis that they would doubtless otherwise have faced during the panic in late 2008 and early 2009. (p. 59)

Dat het daarna toch mis ging, is volgens Legrain meer het gevolg van falend crisismanagement dan van de euro zelf. Zoals zoveel economen is hij zeer kritisch over het austerity-beleid, gericht op een snelle reductie van het begrotingstekort door lastenverzwaringen en bezuinigingen. Legrain haalt ook ongekend fel uit naar de ECB, die volgens hem:

…helped create the crisis, greatly exacerbated it and was often an obstacle to resolving it. (p. 221).

Een deel van die kritiek is terecht. De ECB heeft vóór de crisis te weinig oog gehad voor de onevenwichtigheden binnen de muntunie. Als hoeder van de monetaire eenheid leed zij aan cognitieve dissonantie: de interne economische divergenties kwamen niet overeen met het holistische beeld dat de ECB zo graag van de eurozone wilde hebben (zie ook deze oude blog). Maar de ECB had niet kunnen voorkomen dat Duitse banken massaal de Spaanse huizenmarkt financierden en dat Griekse banken tot over hun oren in Griekse staatsschuld zaten. Deze fouten in het bankentoezicht zijn niet de ECB maar de toezichthouders aan te rekenen. Legrain bekritiseert de ECB ook voor het onder druk zetten van de Ierse regering om haar banken te redden (waardoor obligatiehouders van Ierse banken werden uitgekocht en de Ierse staatsschuld explodeerde) en voor het tegenwerken van een Griekse schuldherstructurering. Ik heb veel sympathie voor het eerste punt: als de Ieren voor een bail-in van obligatiehouders hadden geopteerd dan was de Ierse economie veel ellende bespaard gebleven. Bovendien stond er nergens geschreven dat Ierse bankobligaties risicovrij waren. Voor wat betreft de Griekse staatsschuld ligt dit anders: toezichthouders hebben deze schuld jarenlang als risicovrije schuld behandeld. Ik heb dan ook meer begrip dan Legrain voor de onwil van de ECB om de schuld van een overheid van de eurozone te herstructureren. Bovendien is het gemakkelijker om vanaf de zijlijn op te roepen tot schuldherstructurering dan vanuit een centrale bank die verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het financiële stelsel in het eurogebied. Gezien de wankele constructie die de eurozone was (en overigens nog steeds is), kan ik me voorstellen dat de ECB geen Griekse default wilde riskeren. Mijn persoonlijke voorkeur indertijd was om de Europese steunverlening aan Griekenland te betalen uit belastingen op de financiële sector (een oplossing die ook de voorkeur had van Franse beleidsmakers). Op die manier had kunnen worden voorkomen dat een lidstaat van de eurozone failliet zou gaan en dat de Europese belastingbetaler de rekening zou krijgen gepresenteerd. Met Legrain’s kritiek op de ECB als cheerleader van het austerity-beleid ben ik verder helemaal eens.

Ook het Duitse economische model krijgt er in de boek van langs. Een mooie quote is deze:

While the German model has many fans, to my mind it is working back to front: the government intervenes too little where it ought to (in macroeconomic policy) and too much where it shouldn’t (by over-regulating product and labour markets). As a result, the economy is far too rigid and sluggish. (p. 264-265)

Ik heb me hierboven beperkt tot het eerste gedeelte van European Spring: de terugblik op de eurocrisis. Daarnaast biedt het boek onder de slogan ADD UP een uitgebreide hervormingsagenda die de Europese economiën meer adaptable, dynamic en decent moet maken. Van harte aanbevolen voor de optimisten onder ons.

Banken zijn te machtig om te veranderen

4 juli 2014 1 reactie

Opiniebijdrage in het ND van 4 juli 2014

Talent behouden. Met dit onzinargument probeerde ABN Amro bestuursvoorzitter Gerrit Zalm vorige week de 20% loonstijging van zijn managers te verdedigen. Hoe moeilijk kan het zijn om talent te behouden in een krimpende bedrijfstak? Recent kondigde Deutsche Bank een nieuwe ontslagronde aan. Weer 600 man eruit, na eerdere reorganisaties bij de andere banken. Het talent zou voor het oprapen moeten liggen. Maar zelfs in een krappe arbeidsmarkt is het nog maar de vraag of een hoge beloning het beste naar boven haalt in bankiers. Bankmanagers worden beloond om hun business te laten groeien. Dat gaat het gemakkelijkste als je talent hebt voor het verzinnen van overbodige, complexe en risicovolle financiële producten, voor het zoeken naar de mazen in het toezicht of voor het lobbyen voor privileges bij de overheid. Met talent voor het geduldig helpen van een klant schop je het niet ver bij een bank. Dat kost veel tijd en levert weinig op.

Als Zalm eerlijk was geweest, had hij uitgelegd dat zijn managers gewend zijn geraakt aan hoge bonussen. Nu die door minister Dijsselbloem aan banden zijn gelegd stelt de loonsverhoging ze in staat om hun bovenmodale levensstijl in stand te houden. Forse loondalingen zijn meer iets voor de Grieken, zullen de bankiers denken. Zodoende komt geld dat gebruikt had kunnen worden om de kapitaalbuffers te verhogen of om aan de klanten terug te geven wederom aan de bankiers zelf ten goede. De voor de crisis opgebouwde riante inkomensvoorsprong van bankiers wordt niet zonder slag of stoot opgegeven.

Eerlijkheid mag je ook verwachten van ING, de bank die de Nederlandse spaarder verleidt met Oranjegevoel, maar die volgens het Financiële Dagblad overweegt om activiteiten te verleggen naar Frankfurt. Gaan ze dan ook Die Mannschaft sponsoren? ING ontkent dat er plannen in die richting bestaan. Misschien niet op papier, maar wellicht wel in de hoofden van het talent. Het zou overtuigender klinken als ING een ferm commitment uitspreekt voor Nederland als vestigingsplaats van haar hoofdkantoor en stafafdelingen. De spaarder wil weten of het Oranjegevoel bij ING dieper gaat dan een voetbalshirt.

Als klap op de vuurpijl kreeg de Franse bank BNP Paribas een boete van $ 8,9 miljard voor het schenden van Amerikaanse handelsembargo’s. Het gaat hier om illegaal handelen tot in 2012! Dat is vier jaar na de start van de kredietcrisis en na het losbarsten van de kritiek op banken. Hoe immuun voor kritiek uit de samenleving kan een bank zijn.

Kortom, uit alles blijkt dat de samenleving niet mag vertrouwen op het zelfcorrigerend vermogen van bankiers. Maar blijkbaar zijn politici ook niet bij machte om de gewenste cultuurverandering af te dwingen. Bij het uitbreken van de crisis ontdekte de politiek dat de grootbanken too big to fail waren. Nu, bijna zes jaar na de start van de crisis, begint het er steeds meer op te lijken dat ze ook too big to change zijn.

Banken kunnen met dit gedrag wegkomen door hun extreme economische en politieke macht. Het bankwezen is van oudsher een beschermde markt met beperkte concurrentie. De samenklontering van het Nederlandse banken sinds de jaren tachtig heeft de marktmacht van banken verder vergroot ten koste van de consument. De drie grootbanken spelen ieder voor zich een cruciale rol in de kredietverstrekking en zijn tegelijkertijd ook grote werkgevers. Dat maakt ze belangrijk voor de economie. En dat weten ze. Met anonieme geruchten over de verplaatsing van stafafdelingen naar Duitsland tonen bankiers hun economische spierballen. Zo, zullen ze in de bestuurskamers denken, nu weet Nederland weer dat we ook kunnen vertrekken als de politiek ons het leven te zuur maakt. Het gemor in de (sociale) media nemen de bankiers op de koop toe. De consument kan toch geen kant op.

Maar het is ook niet in het belang van politici om banken al te hard aan te pakken. Als je in de nadagen van je loopbaan nog kans wilt maken op goed betaalde bestuursfuncties of commissariaten – zoals Gerrit Zalm en Wim Kok – dan haal je dat wel uit je hoofd. De ongezonde verwevenheid tussen politiek en bankwezen die je associeert met Zuid-Europa is helaas ook in Nederland heel normaal. Volgens NRC-columnist Bas Heijne is de loonsverhoging van ABN Amro een fluim in het gezicht van minister Dijsselbloem. Ik denk dat het eerder een signaal aan de politiek is: nu is het genoeg, laat ons maar weer lekker graaien, dan lonkt voor jullie straks het pluche van de bestuurskamers.

Categorieën:Banken, Uncategorized