Archief

Archive for the ‘Banken’ Category

Klaas Knot is geen bankier

31 maart 2016 2 reacties

Als iets eruitziet als een eend, zwemt als een eend en kwaakt als een eend, dan is het waarschijnlijk een eend. Maar deze eendentest gaat niet altijd op. Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank (DNB), ziet eruit als een bankier, verdient als een bankier en praat als een bankier. Maar dat maakt Knot nog geen bankier en DNB nog geen gewone bank.

Bij de presentatie van het jaarverslag van DNB werd veel bankierstaal gebezigd. In een interview met het NRC sprak Knot over buffers, verliezen en gaten in de balans van de centrale bank. DNB zet de komende jaren € 500 miljoen per jaar opzij als voorziening voor mogelijke verliezen op de aankopen van staatsleningen door de ECB. Knot uitte ook zijn bezorgdheid over het omstreden idee om centrale banken geld te laten uitstrooien onder de bevolking, ook wel bekend als helikoptergeld. Hij is bevreesd dat het een gat in de balans van de centrale bank slaat. Knot appelleert met zijn uitspraken aan het verlangen naar financiële degelijkheid dat leeft bij veel burgers, net als VVD politici die midden in de crisis beweerden dat de overheid haar huishoudboekje op orde moest maken. In beide gevallen is de economische logica echter ver te zoeken. De bezuinigingen tijdens de crisis hebben de recessie juist verergerd. En een centrale bank hoeft zich echt niet druk maken over een gat op haar balans. Een centrale bank is immers geen gewoon bedrijf.

Vanzelfsprekend heeft het recente monetaire beleid de balansen van centrale banken verzwakt. De kwaliteit van het onderpand dat banken aanleveren is verslechterd en ook aan het opkopen van overheidsobligaties kleven risico’s. Maar we moeten hier niet al te dramatisch over doen. Vanwege haar monopolie op de gelduitgifte kan een centrale bank altijd aan haar verplichtingen voldoen, zelfs wanneer verliezen tot een negatief eigen vermogen zou leiden. Solvabiliteit is geen halszaak als je geld kunt drukken. Dit is de reden dat er voor centrale banken geen kapitaaleisen gelden. Dit betekent ook dat de voorziening van 500 miljoen euro niet noodzakelijk is, in tegenstelling tot wat DNB in haar jaarverslag schrijft. Het kapitaal van DNB als percentage van het balanstotaal kon de afgelopen jaren ongemerkt dalen van rond de 10% in 2006 naar 4% nu. Een echte bankier had zo’n daling van de solvabiliteit niet overleefd.

De president van DNB is dan ook geen bankier, maar in de eerste plaats een overheidsdienaar. Hij heeft van de politiek de opdracht gekregen om voor prijsstabiliteit te zorgen en te waken over de stabiliteit van het financiële stelsel. De balans van een centrale bank is daarbij een hulpmiddel, niet een doel op zichzelf. Wanneer het monetair beleid de balans van een centrale bank verzwakt, dan hoeft dat op zichzelf geen ramp te zijn. Veel belangrijker is de vraag of de doelstelling van prijsstabiliteit wordt bereikt.

Over de effectiviteit van het opkoopbeleid van de ECB is veel te doen. Het is moeilijk om daar stellige uitspraken over te doen. We weten immers niet hoe de economie zich zou hebben ontwikkeld als de ECB niets zou hebben gedaan. Mijn eigen inschatting is dat de ECB het economisch herstel heeft bevorderd, via lagere rentestanden en een zwakkere wisselkoers. Knot mag zijn twijfels over dit beleid uiten, maar dan wel met deugdelijke argumenten. Schermen met risico’s voor de balans van de centrale bank is stemmingmakerij. De relevante risico’s zijn dat het beleid te goed werkt en op termijn tot hyperinflatie leidt of dat het vervelende bijwerkingen heeft, zoals zeepbelvorming in de financiële markten. Het risico voor de balans van de centrale bank is onbelangrijk.

Intussen is wel duidelijk geworden dat de ECB de kar niet alleen kan trekken. Voor een krachtiger herstel van de Europese economie is meer nodig: een stimulerend begrotingsbeleid in landen die het zich kunnen veroorloven en structurele hervormingen in landen waar dat nodig is. DNB voegt hier in haar jaarverslag aan toe dat er in Nederland ruimte is voor verdere loonstijgingen in de private sector, die kunnen bijdragen aan de consumptieve bestedingen en de groei. Dat is een prima suggestie, maar het ontslaat de centrale bank niet van haar taak. Om te voorkomen dat loonstijgingen de concurrentiepositie buiten Europa aantasten, blijft een zwakke euro wenselijk. Ook moeten we voorkomen dat de lonen in de publieke sector achterblijven en dat dit tot een kwaliteitsverarming van het overheidsapparaat leidt. Laat DNB daarom die 500 miljoen euro alsnog aan Dijsselbloem uitkeren ten behoeve van een stijging van de ambtenarensalarissen.

Voltooi de Europese bankenunie

Opiniebijdrage in het ND van 9 juli

Onvoorstelbaar, dat een kleine regio binnen de eurozone – de Griekse economie heeft een aandeel van nog geen 2% in het totale BBP – voor zoveel ophef kan zorgen. Al lang leggen de Grieken beslag op een onevenredig groot deel van de aandacht van Europese politici en bestuurders. Nu zijn ze er ook nog eens in geslaagd om het financiële verkeer in eigen land plat te leggen. Als heel Europa meedenkt over de details van het Griekse beleid, doen we iets niet goed. De vraag of Santorini een BTW-vrijstelling verdient zou eigenlijk in Athene moeten worden beantwoord. Micro- en crisismanagement slurpt dus de energie van regeringsleiders; aan de grote vraagstukken komen ze niet meer toe.

Dat het ook anders kan, laat een vergelijkbaar drama aan de overkant van de Atlantische oceaan zien (zie ook deze publicatie van Daniel Gros). Het Caribische eiland Puerto Rico is een onderdeel van de Verenigde Staten. Puerto Ricanen zijn Amerikaanse staatsburgers en gebruiken de dollar. In economisch opzicht is Puerto Rico het Griekenland van Amerika. De economie blijft ver achter bij die van de rest van de VS, de locale regering slaagt er maar niet in om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en jonge mensen zoeken hun heil elders. Eind juni maakte de gouverneur bekend dat de schuld van $ 72 miljard niet kan worden terugbetaald. Maar er is geen paniek in Washington. Niemand bepleit een Prexit uit de dollar. En er staan geen rijen voor de pinautomaten in San Juan.

Hoe kunnen we het Griekse probleem reduceren tot Puerto Ricaanse proporties? Een oplossing is méér Europese integratie. De instabiele monetaire unie zou dan moeten worden gestut met een begrotingsunie. Dit betekent meer risicodeling tussen de eurolanden, via een ruimere Europese begroting en de uitgifte van gemeenschappelijke obligaties (eurobonds). Substantiële geldoverdrachten worden dan ingebouwd in de unie en hoeven niet telkens tot conflicten te leiden. Deze oplossing heeft de charme van economische consistentie, maar getuigt ook van politieke naïviteit.

Terecht of niet, zes jaar eurocrisis heeft Europa er niet populairder op gemaakt bij de kiezer. Een begrotingsunie is dus vooralsnog een politieke droom. Bovendien ontbreekt een belangrijke randvoorwaarde. Begrotingssolidariteit vereist dat binnen de unie het openbaar bestuur van vergelijkbare kwaliteit is. Je wilt bijvoorbeeld niet dat burgers in landen met een goed functionerende belastingdienst meer bijdragen aan de publieke middelen dan burgers in landen met een ineffectieve of corrupte belastingdienst. Aan deze voorwaarde is in Europa nog lang niet voldaan. Maar zelfs een begrotingsunie biedt geen garantie tegen stagnatie. Ondanks jarenlange overdrachten vanuit de VS is Puerto Rico economisch achterop geraakt.

Het valt dus nooit helemaal uit te sluiten dat er een zwart schaap in de Amerikaanse of Europese kudde zit. Het beste is dan om te voorkomen dat het schaap het verpest voor de rest. Daarin is de VS veel beter geslaagd dan Europa. Dat heeft vooral te maken met de banken. De banken in Puerto Rico hebben niet of nauwelijks geld geleend aan hun overheid. Ze vallen dan ook niet meteen om als die haar schulden niet afbetaalt. Natuurlijk zijn ze vatbaar voor de economische malaise op het eiland, maar de Amerikaanse toezichthouder waakt over hun gezondheid. Indien nodig wordt een bank gesloten, geherstructureerd of verkocht met Amerikaanse middelen. In de afgelopen jaren is dat ook een aantal keren gebeurd. De gewone burger maakt zich hierover geen zorgen, want zijn spaartegoeden vallen onder het Amerikaanse depositogarantiestelsel. Daarom is er geen bankrun in San Juan.

Hiermee vergeleken heeft de eurozone een halfbakken bankenunie. Recent is de verantwoordelijkheid voor het bankentoezicht bij de ECB gelegd. Maar Europese banken lenen nog steeds teveel geld uit aan de eigen overheid. Er zijn nog geen Europese middelen beschikbaar voor het opdoeken van banken zijn en er is geen Europees depositogarantiestelsel. De voor de hand liggende les uit deze vergelijking is dat de Europese bankenunie dringend moet worden voltooid. Knip die navelstreng tussen overheden en banken definitief door voordat we soortgelijke problemen krijgen in Italië. Europese banken moeten stoppen met het uitlenen aan hun eigen overheid en snel fondsen vormen voor het opdoeken van falende banken en het garanderen van spaargeld. Een stevige bankenunie maakt het gemakkelijker om een land failliet te laten gaan binnen de eurozone.

De Puerto Ricanen kunnen nog pinnen, maar zullen het faillissement wel gaan merken. Uit geldgebrek zal hun regering meteen snijden in overheidsdiensten of de belastingen verhogen. En zo hoort het ook. Als een overheid haar kredietwaardigheid heeft verloren moet die het probleem zelf aanpakken, in plaats van het af te wentelen op anderen.

MoneYou overtreedt de regels

27 november 2014 Plaats een reactie

Update 29/11: intussen heeft moneyou.at de website aangepast.

Het FD publiceerde vandaag een artikel over de honger naar buitenlands spaargeld van de Nederlandse grootbanken. Ik heb mijn bedenkingen tegen deze financieringsvorm elders opgeschreven (ESB 31/8/2008 en ESB 1/4/2011). Maar DNB vindt het blijkbaar nog steeds geen probleem dat banken buitenlands spaargeld onder het Nederlandse garantiestelsel bijeen blijven harken. Deze activiteit heeft overigens weinig te maken met het depositofinancieringsgat, zoals de bankenlobby beweert, maar meer met de wens van banken om zich zo goedkoop mogelijk te financieren. Het ophalen van buitenlands spaargeld onder dekking van het Nederlandse garantiestelsel is nu eenmaal goedkoper dan het uitgeven van obligaties die wellicht ten prooi vallen aan een bail-in.

Wel maakt onze overheid zich druk over het gebruik van het Nederlandse DGS in reclameuitingen in het buitenland. Ik citeer uit een antwoord van Minister de Jager op kamervragen van Ronald Plasterk  in 2011:

Verder is relevant om op te merken dat banken, op basis van Europese regelgeving en de Wft, potentiële en bestaande depositohouders dienen te informeren welk DGS op hen van toepassing is. Tegelijkertijd geldt echter dat het een financiële onderneming op grond van artikel 3:264, lid 1, Wet op het financieel toezicht (Wft) niet is toegestaan deze informatie voor reclamedoeleinden te gebruiken. Lid 2 van dit artikel staat wel toe dat een bank in een reclame-uiting vermeldt dat op haar een vangnetregeling van toepassing is.

Indertijd is de Rabobank op de vingers getikt voor een overtreding van deze regel bij de marketing van RaboDirect in België:

Het is niet aan mij om te oordelen of de informatie die de Rabobank op haar website had opgenomen in strijd is met lid 1 van dit artikel. De Nederlandsche Bank (DNB) ziet hierop toe en kan zo nodig direct of indirect corrigerend optreden. Echter, ik kan me voorstellen dat de door de vraagsteller aangehaalde tekst wervend over kan komen, en dat de tekst niet voldoende tot uitdrukking brengt dat de kosten van het DGS ten laste komen van de banken. Ook de Rabobank heeft aangegeven dat de tekst op de Belgische website van de Rabobank de suggestie wekte dat deze voor reclamedoeleinden was bedoeld. De Rabobank heeft aangegeven dat dit niet had mogen gebeuren en heeft de tekst aangepast om deze suggestie weg te nemen.

Je zou denken dat banken zich sindsdien aan de regels houden, maar dat blijkt niet het geval (niets geleerd…). Hieronder een screenshot van www.moneyou.at, de Oostenrijkse website van MoneYou (de internetspaarbank van ABN AMRO):

MoneYou

Onder de kop “Professionalität und Sicherkeit” staat bij een goedkeurend vinkje:

“Bis zu €100.000 Einlagenversicherung durch die niederländische Zentralbank.”

Dat lijkt mij in strijd met bovenstaande regels. Er had natuurlijk moeten staan:

Let op: in Nederland staan de banken onderling garant voor het spaargeld. U kunt dus geen beroep doen op de Nederlandse overheid. U dient zich ervan bewust te zijn dat er op België na geen Europees land is waar banken zo weinig eigen vermogen aanhouden ten opzichte van hun balanstotaal als Nederland.

Categorieën:Banken, Uncategorized

Foute toon, goede boodschap

26 november 2014 Plaats een reactie

Ik begrijp niet zo goed waarom de gimmick-onthulling van Ewald Engelen nieuwswaardig is. Bij de publicatie van zijn boek De Schaduwelite was het immers evident dat de namenlijst niet was gebaseerd op zorgvuldig onderzoek, maar louter diende ter provocatie. Personen zonder onderbouwing beschuldigen is natuurlijk laakbaar. Misschien goed voor de verkoopcijfers, maar slecht voor de geloofwaardigheid van de auteur. Ik vind het ook niet fraai om vervolgens de verantwoordelijkheid af te schuiven op de uitgever.

Maar de foute toon betekent nog niet dat de boodschap kan worden genegeerd. Er is wel degelijk iets mis met de financieel-economische elite in Nederland en Ewald Engelen is helaas één van de weinigen die zich hierover druk maakt. Binnen deze elite heerst een stroperige ons-kent-ons cultuur waarin belangenverstrengeling op de loer ligt, onafhankelijke bewakers van het publieke belang schaars zijn en de financiële sector gemakkelijk het beleid kan beïnvloeden. Hierdoor is het inderdaad, zoals Engelen betoogt, heel lastig om radicale veranderingen door te voeren.

Twee praktijken die deze cultuur voeden zijn wijdverspreid. In de eerste plaats komt het regelmatig voor dat politici, ambtenaren of toezichthouders overstappen naar veel beter betaalde functies in de financiële sector. Als dit een gangbaar loopbaanperspectief is, kan de burger er niet zeker van zijn dat deze overheidsdienaren louter het publieke belang behartigen. Met het oog op hun life time earnings kunnen ze misschien maar beter de financiële sector te vriend houden.

In de tweede plaats zijn de banden tussen de wetenschap en de financieel-economische praktijk te nauw (zie ook het artikel Ondernemende professoren in De Groene van deze week). Het meest in het oog springend is dit in de accountancy en het fiscaal recht, waar veel hoogleraren tevens partner zijn bij een accountantskantoor, maar het komt elders ook voor. Daarnaast doet de financiële sector op allerlei manieren aan sponsoring van de wetenschap(pers). Door dit alles klinkt het onafhankelijke tegengeluid vanuit de wetenschap veel te zacht door. Het is jammer dat Ewald Engelen dat probeert te overcompenseren op een manier die veel symphatisanten zal tegenstaan.

Categorieën:Banken, Uncategorized

De goudflater van DNB

22 november 2014 2 reacties

De noodzaak van dat gesleep met goudstaven ontgaat mij eerlijk gezegd helemaal. Dus toch maar eens het persbericht van DNB over “de aanpassing van het locatiebeleid” lezen. Daarin staat dat DNB een evenwichtigere spreiding van de goudvoorraad wil realiseren en dat de verscheping van goud terug naar Nederland kan “bijdragen aan een positief vertrouwenseffect bij het publiek.” Beide argumenten roepen vragen op.

Het spreidingsargument lijkt te zijn geleend uit de portefeuilletheorie (niet alle eieren in één mandje stoppen). Portefeuilletheorie is toepasbaar als er een risico is om te spreiden. Maar als de Federal Reserve Bank risicoloos goud kan opslaan verliest het argument zijn kracht. Als er wel diversificeerbaar locatierisico kleeft aan de goudopslag bij centrale banken, dan ligt verscheping naar Amsterdam nog steeds niet voor de hand. Uit een oogpunt van optimale spreiding was het dan beter geweest om de goudstaven naar Parijs of Frankfurt te brengen (Zürich zou ik niet doen, we hebben slechte ervaringen met Zwitsers die ons goud bewaren). Kortom, het spreidingsargument rammelt aan alle kanten.

Dan het positieve vertrouwenseffect. DNB maakt niet duidelijk wat daar precies mee wordt bedoeld, dus ik moet gissen. Het zou kunnen gaan om een toegenomen vertrouwen in de veiligheid van onze goudvoorraad: eigen kluis is goud waard. Het idee is blijkbaar dat je waardevolle stukken beter dichtbij huis kunt bewaren, omdat dat meer vertrouwen geeft in de veiligheid. Zo zijn er ook nog steeds mensen die denken dat bankbiljetten onder het matras veiliger zijn dan bij een bank. Ik denk niet dat een centrale bank dit soort irrationele en xenofobe gevoelens zou moeten aanwakkeren. DNB zou juist pal moeten staan voor de veiligheid van ons goud bij haar buitenlandse collega’s en voor de veilige bewaring van kostbaarheden in het financiële stelsel in het algemeen.

Een alternatieve interpretatie is dat de toegenomen hoeveelheid goud op eigen bodem het vertrouwen in de waarde van ons geld verhoogt. Het zou fijn zijn als DNB daarvoor enige evidentie kan leveren. Ik ken in ieder geval geen empirische studies die aantonen dat de locatie van de goudvoorraad een effect heeft op het vertrouwen in geld. Los daarvan is er weinig mis met de waardevastheid van de euro. De inflatie is nu lager dan 1% en ook de inflatieverwachtingen op de middellange termijn liggen beneden de inflatiedoelstelling van 2%. Dit zijn nou niet echt aanwijzingen dat er met goudstaven geschoven moet worden om het vertrouwen in ons geld een boost te geven. ECB president Mario Draghi wil juist dat de Europese inflatie toeneemt. Als we de logica van DNB volgen zouden we misschien beter wat goudstaven naar Zimbabwe kunnen verschepen (over onorthodox monetair beleid gesproken).

Kortom, het persbericht van DNB is dom en schadelijk. Het toekennen van een vertrouwenseffect aan de locatie van de goudvoorraad ondermijnt het vertrouwen in de centrale bank als monetaire autoriteit in een fiduciair geldstelsel. Laten we het maar houden op een gaffe van een onwetende communicatiemedewerker.

Na de healthcheck zijn onze banken nog steeds obese

5 november 2014 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 5 november

De grootscheepse doorlichting van de Europese bankensector is eindelijk afgerond. Onder leiding van de ECB hebben maar liefst 6000 experts de bankbalansen nageplozen en onderworpen aan stresstesten. Iedereen die de uitkomsten van zo’n arbeidsintensieve en voor outsiders niet-reproduceerbare klus in twijfel trekt begeeft zich op glad ijs. Maar laat ik toch een poging wagen.

De bankentoezichthouders wilden dit keer laten zien dat ze streng kunnen zijn. Na twee eerdere beschamende stresstesten door de Europese bankenautoriteit – in beide gevallen rap gevolgd door het omvallen van een goedgekeurde bank – was nu de reputatie van het toezicht in het geding. Streng lijken was dus prioriteit nummer één. Tegelijkertijd moest de uitkomst ook weer niet zo slecht zijn dat het onrust in de financiële markten veroorzaakt en regeringen dwingt om wederom vele miljarden euro’s steun te verlenen aan banken. Dat zou niet goed zijn voor het economisch herstel en de overheidsfinanciën. Kortom, de ideale uitkomst bestond uit stoer blaffen, maar niet doorbijten.

Laat dat nou precies de uitkomst zijn die onlangs is gepresenteerd. Van de 130 banken zijn er 25 gezakt. Dat is best een hoog percentage. Veel banken laten zakken maakt een stoere indruk. Maar in de meeste gevallen gaat het om onbelangrijke banken uit de periferie van het eurogebied. Bovendien hebben 12 banken sinds de testdatum nieuw kapitaal opgehaald, waardoor er per saldo maar € 9,5 miljard aan extra kapitaal bij hoeft bij 13 banken. Dat is een schijntje op een gezamenlijk balanstotaal van € 22 biljoen. Kortom, van deze “strenge” test zullen de financiële markten en de schatkistbewaarders niet wakker liggen. Al met al lijkt deze uitkomst te uitgekiend om geloofwaardig te zijn.

Na de bekendmaking dat de Nederlandse banken waren geslaagd regende het zelfvoldane opmerkingen vanuit de financiële sector en de politiek. Toezichthouder DNB en bankiersclub NVB verklaarden de banken financieel gezond. Minister Dijsselbloem merkte zelfs op dat hiermee de bankencrisis kan worden afgesloten. Dat is om een aantal redenen voorbarig.

De verklaring van goede gezondheid die de ECB nu aan de Nederlandse banken heeft afgegeven is gebaseerd op kapitaaleisen die door bijna alle onafhankelijke economen als te laag worden beoordeeld. Hoe schokbestendig kan een bank immers zijn met een minimale “leverage ratio” van 3%, wat wil zeggen dat iedere euro eigen vermogen nog steeds 33 keer mag worden uitgeleend?

Een ander kritiekpunt betreft de stresstesten. Hiermee wordt nagegaan wat de invloed van ongunstige economische toekomstscenarios op de bankbalansen is. Sommige stressfactoren zijn meegenomen, zoals een daling van de huizenprijzen en een forse krimp van de economie. Maar met een deflatiescenario, toch allerminst denkbeeldig, houden de stresstesten geen rekening. Terwijl juist bij dalende prijzen bedrijven in de problemen raken en banken moeten afschrijven op kredieten. Ook houden de toekomstscenarios geen rekening met nieuwe eurostress, waarbij sterk oplopende rentestanden op de staatsschuld van Zuid-Europese landen het financiële systeem ontwrichten en de stabiliteit van de muntunie op de proef stellen. Dat is een ernstige lacune, gezien het feit dat de schuldenproblemen van veel eurolanden nog allerminst zijn opgelost.

Terwijl de ECB hoog opgeeft van de omvang en reikwijdte van deze exercitie, zou dat eigenlijk een punt van zorg moeten zijn. Als een leger van 6000 experts, waaronder 5000 consultants die speciaal zijn ingehuurd vanuit de private sector, maandenlang bezig is om een momentopname te maken van de kwaliteit van de bankbalansen op 31 december 2013, hoe kan de ECB dan garanderen dat zij in staat is continu de vinger aan de pols te houden? Dat lijkt welhaast een bovenmenselijke opgave.

Naast deze algemene kanttekeningen zijn er een aantal specifieke redenen waarom de zelfgenoegzaamheid over onze banken misplaatst is. Op drie belangrijke punten onderscheidt ons bankwezen zich negatief van de branchegenoten in het eurogebied. Nederland is het land met de grootste bankensector in verhouding tot de omvang van de economie. Nederland behoort ook tot de landen waarin de concentratiegraad van het banken het hoogste is, wat betekent dat de markt wordt gedomineerd door een beperkt aantal grootbanken. En op België na is er geen land waar banken zo weinig eigen vermogen aanhouden ten opzichte van hun balanstotaal. De combinatie van deze drie kenmerken maakt dat het systeemrisico hoog is: als een bank in de problemen komt, is dat meteen een probleem voor onze economie. Kortom, het Nederlandse bankwezen lijdt nog steeds aan obesitas. Dat de doctor nu een health check heeft gedaan doet niets af aan de noodzaak tot afslanken.

 

 

 

 

 

Categorieën:Banken, Uncategorized

Niets doen is geen optie voor de ECB

8 oktober 2014 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 8 oktober

Deze maand begint de Europese Centrale Bank dan eindelijk met haar langverwachte opkoopprogramma van obligaties. Niets doen is geen optie meer, nu de inflatie in het eurogebied is gedaald tot bijna nul – ruim beneden de doelstelling van twee procent – en er geen ruimte is voor verdere rentedalingen. In normale landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Japan hebben centrale banken opkoopprogramma’s uitgevoerd door massaal staatsleningen te kopen. Maar het eurogebied is geen normaal land. Het splijtende Noord-Zuid wantrouwen blokkeert het gebruik van wat in andere landen een geaccepteerd instrument van monetair beleid is. Vooral de Duitsers zijn bang dat het opkopen van staatsleningen de begrotingsdiscipline en de hervormingsbereidheid van de Zuidelijke ‘begrotingszondaars’ zal doen verslappen.

Uit consideratie hiermee heeft de ECB dan ook besloten om geen staatsleningen, maar door de private sector uitgegeven obligaties op te kopen. Het gaat om gebundelde bedrijfskredieten en pandbrieven, door banken uitgegeven obligaties met extra onderpand. Maar ook deze maatregelen kunnen op weinig Duitse sympathie rekenen. De econoom Hans-Werner Sinn beweerde in de Financial Times zelfs dat de ECB hiermee een ‘bad bank’ wordt, een soort vuilstortplaats voor slechte leningen. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat de ECB met deze actie meer kredietrisico op haar balans neemt, hoe goed zij dat risico ook zal proberen af te dekken. Maar het enkel en alleen om deze reden afwijzen van het opkoopprogramma getuigt van een bekrompen visie op economisch beleid. Risicoloos beleid bestaat niet. Beleidsmakers zullen altijd een verstandige afweging moeten maken van de kosten, baten en risico’s van verschillende opties, inclusief de optie om niets te doen.

De risico’s van inactiviteit zijn substantieel. Het eurogebied als geheel balanceert op de rand van deflatie en in een aantal eurolanden dalen de prijzen al enige tijd. Dat klinkt leuk vanuit het perspectief van de consument, maar is het niet. De deflatie in het eurogebied is vooral een teken van onderbesteding. Samen met de hoge schuldenbergen van huishoudens en overheden vormt het een gevaarlijke combinatie. ‘Partners in crime’ worden schuld en deflatie genoemd in het recente boek ‘House of Debt’ van de Amerikaanse economen Atif Mian en Amir Sufi. Wanneer onder schuld gebukt gaande consumenten hun bestedingen terugschroeven dalen de prijzen. In reactie hierop proberen bedrijven hun loonkosten te verminderen, waardoor huishoudens minder inkomen krijgen om hun schulden af te lossen en hun bestedingen nog verder zullen terugschroeven. En ga zo maar door. Het doorbreken van deze negatieve spiraal is bij uitstek de taak van een centrale bank, die daarbij haar hele arsenaal aan instrumenten moet kunnen inzetten.

Met betrekking tot het opkoopprogramma is de relevante vraag dan ook niet zozeer of de ECB extra risico loopt, maar of de positieve effecten het extra kredietrisico waard zijn. De ECB denkt van wel. Zij hoopt dat haar programma banken de ruimte geeft om meer kredieten te verstrekken aan het midden- en kleinbedrijf en dat zo de economische groei wordt gestimuleerd. Dat is mijns inziens een optimistische inschatting. De topprioriteit voor banken is immers het op orde brengen van hun kapitaalbuffers en het voldoen aan de strengere toezichtseisen. Dat gaat gemakkelijker door minder in plaats van meer uit te lenen. Zolang het herstel broos en onzeker blijft zullen banken ook niet staan te trappelen om meer risicovolle leningen aan het bedrijfsleven te verstrekken. Van de banken moeten we het op de korte termijn niet hebben.

Gelukkig is er nog een andere route waarlangs het opkoopprogramma succes kan hebben. Door het eurogebied te overspoelen met geld verzwakt de ECB de wisselkoers. Een goedkopere euro helpt de groei via de exporten en verkleint tevens het deflatiegevaar via hogere importprijzen. De waardedaling van de euro is enige maanden geleden al ingezet, na de aankondiging van het opkoopprogramma. Een belangrijke steun in de rug voor de ECB is dat de Amerikaanse centrale bank tegelijkertijd haar eigen opkoopprogramma heeft stopgezet. De financiële markten houden zelfs al rekening met een Amerikaanse rentestijging in de niet al te verre toekomst. Een sterk Amerikaans herstel met bijbehorende rentestijging maakt de dollar duurder ten opzichte van de euro. Een godsgeschenk voor de ECB, die zal hopen dat het opkoopprogramma samen met de meewind uit Amerika voldoende is om via een goedkopere euro de economie uit het slop te halen. Maar als dat niet lukt en de stagnatie aanhoudt, verwachten de financiële markten toch echt dat de ECB haar opkoopprogramma zal uitbreiden met staatsleningen. Dan zal moeten blijken of ECB de ultieme confrontatie met haar Duitse tegenstanders durft aan te gaan.