Archief

Archief beheerder

Italië heeft een echte crisis nodig

Opiniebijdrage in het ND van 5 juni

Voor het geval we het vergeten waren, liet Italië vorige week nog maar eens zien hoe kwetsbaar de Europese muntunie is. Door het politieke gekrakeel in Rome steeg de onrust op de financiële markten en duikelden de aandelenkoersen. Meer dan 10 jaar na de start van de kredietcrisis is het Europese financiële systeem nog steeds niet bestand tegen politieke strubbelingen in één enkele lidstaat. Zolang staatsschuld zich onbeperkt mag ophopen op de bankbalansen vertaalt politieke onzekerheid zich in risico’s voor het financiële stelsel. Ideeën om de lotsverbondenheid tussen banken en overheden te verbreken zijn er genoeg. Zo kun je banken verplichten meer buffers aan te houden voor risicovolle staatsschuld of hun blootstelling hieraan terug te brengen. Het is pure nalatigheid dat de Europese politiek hier niets mee doet.

Terug naar Italië. Alle aandacht gaat nu uit naar de bestedingsplannen van de nieuwe regering. Noord-Europa is bezorgd dat de populisten de Europese begrotingsregels aan hun laars lappen. Die zorg is begrijpelijk. Italië heeft zichzelf en Europa een slechte dienst bewezen door in 1999 met een torenhoge staatsschuld de euro in te voeren. Deze ongunstige uitgangspositie stelt hoge eisen aan het begrotingsbeleid, om te voorkomen dat Italië terecht komt in een negatieve spiraal van stijgende rente, oplopende staatsschuld en dalend vertrouwen van de financiële markten in de kredietwaardigheid van de staat. Voorgaande Italiaanse regeringen waren zich hier terdege van bewust. Ze zijn er wonderwel in geslaagd om de begrotingstekorten binnen de perken te houden. Noord-Europese retoriek over Italiaanse begrotingszondaars doet dan ook geen recht aan het feit dat sinds de kredietcrisis de Italiaanse begrotingstekorten lager waren dan die van Spanje, Frankrijk en zelfs België. Een staatsschuld van meer dan 130% van het BBP laat weinig ruimte voor een fors stimuleringsbeleid. Hopelijk dringt dit besef snel tot de populisten door.

Het echte probleem is dat Italië kampt met een chronisch lage economische groei. Dit maakt het moeilijk om uit de schulden te groeien en de problemen bij de banken aan te pakken. Het voedt de onvrede van Italiaanse kiezer en drijft ze in de handen van de populisten, die makkelijk scoren door Brussel, Duitsland, de euro of migranten tot zondebok te maken van het falen van de Italiaanse staat. Maar de Italianen doen er beter aan de hand in eigen boezem te steken. De kwaliteit van hun openbaar bestuur was altijd al laag, maar is sinds de introductie van de euro verder verslechterd. Op maatstaven voor corruptie, de kwaliteit van de rechtstaat en de effectiviteit van de overheid scoort Italië veel lager dan andere eurolanden en bevindt het zich in het bedenkelijke gezelschap van Griekenland. De lage kwaliteit van het openbaar bestuur ondermijnt de concurrentiekracht van de economie en is slecht voor het investeringsklimaat. De prioriteit van de nieuwe regering moet dan ook liggen bij de verbetering van de efficiëntie en effectiviteit van de publieke sector, om te voorkomen dat Italiaanse ondernemingen permanent op achterstand staan in de concurrentieslag met bedrijven in andere eurolanden.

Van de vijfsterren-beweging zou je verwachten dat ze oog heeft voor het falen van de Italiaanse staat en echt een einde wil maken aan bureaucratie en corruptie. Maar eenmaal aan de macht zal blijken hoe weerbarstig deze problematiek is. Dan wordt het al gauw gemakkelijker om de uitkeringen en de pensioenleeftijd te verhogen en Brussel de schuld te geven van alle ellende. De kans op een drastische hervorming van de publieke sector is dan ook niet zo groot.

Daarbij speelt ook een rol dat Italië nog geen urgente crisissituatie heeft meegemaakt die tot onmiddellijke hervormingen dwingt. In tegenstelling tot de uiteengespatte zeepbellen in de Ierse en Spaanse huizenmarkten en de uit-het-lood geslagen overheidsfinanciën in Griekenland, zijn de afkalving van het openbaar bestuur en de uitholling van het concurrentievermogen geleidelijk gegaan. In deze crisis-in-slow-motion hebben Italiaanse politici nooit de urgentie gevoeld om hard in te grijpen, als kikkers die vergeten uit een opwarmende pan water te springen. Misschien is er een echte crisis nodig om ze in beweging te krijgen. Wanneer de populisten kiezen voor een ramkoers met Europa is een nieuwe financiële crisis niet denkbeeldig. Dan zal blijken dat vorige week nog maar het voorspel was.

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

Het is stil aan het Frederiksplein

Opiniebijdrage in het ND van 13 maart

Het is stil aan het Frederiksplein, waar De Nederlandsche Bank (DNB), onze nationale bankentoezichthouder, zetelt. De rel over de beloning van ING-topman Hamers heeft nog geen reactie ontlokt van DNB. Ook niet van de Europese Centrale Bank (ECB), die sinds de start van de bankenunie samen met DNB toeziet op grote banken als ING. Toch zouden deze toezichthouders zich zorgen moeten maken.

Na het uitbreken van de crisis is DNB tot het inzicht gekomen dat cultuur en gedrag binnen de financiële sector van belang zijn voor de financiële stabiliteit. DNB heeft fors geïnvesteerd in psychologen en veranderkundigen om het toezicht hierop te verbeteren. Het is vergeefse moeite geweest. Wederom blijkt dat de graaicultuur en het haantjesgedrag onuitroeibaar zijn. In feite trekt ING een lange neus richting de toezichthouder: laat jullie psychologen maar kletsen, als wij willen graaien, dan doen wij dat gewoon.

Zorgwekkender is wat deze kwestie zegt over de koers die ING gaat varen. De loonsverhoging van de topman bestaat uit aandelen in ING, die hij na vijf jaar mag verzilveren. Dit betekent dat ING de komende jaren voluit voor groei en aandeelhouderswaarde zal gaan. Niet de klant staat centraal, maar het aandelenpakket van Hamers. President-commissaris Van der Veer wil zelfs dat ING kampioen van Europa wordt. Verwacht daarom een toename van buitenlandse avonturen en risicovolle activiteiten, zoals de financiering van commercieel onroerend goed. Verwacht ook dat ING de grenzen van de solvabiliteitseisen gaat opzoeken om het rendement op aandelen te verhogen. Voor een vooruitziende toezichthouder moeten het beloningspakket van Hamers en de uitspraken van Van der Veer de alarmbellen doen rinkelen. Alle reden om het toezicht op ING te intensiveren.

Een snelgroeiend ING is in het eigenbelang van het topmanagement. Een nog groter ING kan zich spiegelen aan nog grotere bedrijven. Over een tijdje zal Hamers weer bij de Raad van Commissarissen aankloppen voor de volgende loonsverhoging. Deze keer zei Van der Veer “Ralph Hamers is Eredivisie, maar werd Jupiler League betaald”. De volgende keer wordt het: “Ralph Hamers is Champions League, maar werd Eredivisie betaald”. Dit is de logica van haantjes die hun loopbaan als één grote wedstrijd zien.

Maar bij de groeiambitie van ING kunnen serieuze vraagtekens worden geplaatst. Een bank is geen autofabriek, waar de schaalvoordelen voor het oprapen liggen. Boven een bepaalde minimumomvang – die ING al lang heeft bereikt – is het enige echte schaalvoordeel dat de overheid je nooit failliet zal laten gaan. Een bank is dan “too big to fail”. Vanuit het perspectief van de belastingbetaler is dat geen voordeel maar een nadeel. Als je naar het bankbedrijf zelf kijkt, dan maken een toenemende omvang en complexiteit een bank al gauw “too big to manage”. Hoe groter ING wordt, hoe slechter de leiding kan overzien welke risico’s er binnen de vele bedrijfsonderdelen worden genomen om de kampioensschaal in de wacht te slepen. Graaicultuur en groeiambitie zijn een gevaarlijke mix.

Waar ING de plank volledig misslaat is in de beloningsvergelijking met Europese niet-financiële topbedrijven. ING is geen privaat bedrijf dat volledig los staat van de Nederlandse overheid. Als het erop aankomt zal een systeembank als ING door de overheid worden gered. Een groot deel van het spaargeld dat ING ophaalt in het buitenland valt bovendien onder het Nederlandse depositogarantiestelsel. Als ING omvalt zal de buitenlandse spaarder de hand ophouden bij de Nederlandse overheid. Bij ING ontbreekt ook het besef dat niet de aandeelhouder, maar de spaarder de meeste brandstof voor haar winstmachine levert. Zonder goedkoop en gegarandeerd spaargeld zou ING nooit zoveel winst maken. De spaarder interesseert het niet of ING Europees kampioen wordt. De spaarder wil een klantvriendelijke service, storingsvrije ICT en een zo hoog mogelijke spaarrente. En liever niet een bank die teveel risico neemt met zijn spaarcenten. Om al deze redenen moet ING in haar beloningsbeleid rekening houden met de overheid en de spaarder. ING is dus eerder een semi-publiek dan een privaat bedrijf. Daarbij hoort een lagere beloning dan bij volledig private bedrijven gebruikelijk is.

Voetballiefhebbers zullen het waarderen dat ING als hoofdsponsor bijdraagt aan de ambitie van Oranje om ooit weer kampioen te worden. Maar het is nergens voor nodig dat de sponsor deze ambitie overneemt. Een te sterke focus op groei verhoogt het systeemrisico en is niet in het belang van de Nederlandse samenleving. Voor de crisis stond DNB-president Wellink als een cheerleader te juichen bij de buitenlandse expansie van de Nederlandse grootbanken. Als DNB iets van de crisis heeft geleerd zou er nu een ander geluid vanaf de zijlijn moeten klinken. Bijvoorbeeld dat de toezichthouders met zorg kennis hebben genomen van het beloningspakket van Hamers en dat ze het toezicht op ING zullen aanscherpen.

Categorieën:Uncategorized

Extreme armoede de wereld uit?

26 januari 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 26 januari

Elk jaar in januari, wanneer de rijken en machtigen der aarde bijeen komen in Davos, publiceert de ontwikkelingsorganisatie Oxfam een rapport over de wereldwijde ongelijkheid. Met pakkende statistieken wil Oxfam de elite een ongemakkelijk gevoel geven en tot actie aansporen. Vorig jaar luidde de boodschap dat de rijkste acht mensen evenveel vermogen bezitten als de helft van de wereldbevolking. Dit jaar kopt Oxfam dat de rijkste 1% maar liefst 82% van de groei van onze rijkdom “kaapt”. Het zijn cijfers die appelleren aan ons gevoel voor rechtvaardigheid en suggereren dat de superrijken blaam treffen voor de wereldwijde armoede. Het is koren op de molen van voorstanders van een drastische herverdeling van rijk naar arm. Oxfam zelf concludeert dat het bestrijden van extreme armoede vereist dat we een einde maken aan extreme rijkdom.

Tegenstanders van deze redenering vinden dat Oxfam een te eenzijdig beeld schetst. In de afgelopen decennia is de armoede wereldwijd sterk gedaald. In China is een rijke middenklasse ontstaan. Het aantal mensen dat daar in extreme armoede leeft is sterk verminderd. En ja, er zijn ook heel veel Chinese miljardairs bijgekomen. Maar geen Chinees zal terug willen naar de tijd van Mao’s Grote Sprong Voorwaarts, toen de ongelijkheid ongetwijfeld een stuk lager lag, maar miljoenen Chinezen stierven door honger en terreur. Voor de bestrijding van extreme armoede in China was het dus blijkbaar niet vereist om de extreme rijkdom aan te pakken. Integendeel, extreme rijkdom was een bij-effect van een zeer voorspoedige economische ontwikkeling. Of kijk naar Venezuela, door Duncan Green (hoofd onderzoek Oxfam) in het verleden aangeprezen als het Latijns-Amerikaanse succesverhaal op het gebied van ongelijkheid. Venezuela is inderdaad één van de minst ongelijke landen in Latijns-Amerika, maar ook een land waar de inwoners vertrekken omdat ze niet in hun eerste levensbehoeften kunnen voorzien. Geen gidsland dus. Herverdeling is ook geen kant-en-klare oplossing voor taaie bestuurlijke problemen. In Congo is veel armoede, maar het land heeft een enorme rijkdom aan bodemschatten. Congo heeft vooral behoefte aan vrede en goed bestuur, niet aan het geld van de rijkste acht. Meer in het algemeen geldt dat het oppassen is geblazen met extreme herverdeling. In de economie geldt immers dat hoe je een taart verdeelt invloed heeft op de omvang van de taart. Als Mark Zuckerberg niet het vooruitzicht had gehad op grote rijkdom, had hij de wereld wellicht niet blij gemaakt met Facebook.

Deze kanttekeningen nemen niet weg dat Oxfam terecht aandacht vraagt voor extreme rijkdom. Enige nuance is daarbij wel op zijn plaats. De meeste mensen zullen een succesvol ondernemer zijn rijkdom gunnen. Door globalisering en technologische ontwikkelingen vertaalt succesvol ondernemerschap zich meer dan vroeger in mondiaal succes en dus ook in grotere rijkdom. Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Het wordt anders wanneer rijkdom niet op eigen kracht is verkregen, zoals in landen waar de elite zich via vriendjespolitiek natuurlijke hulpbronnen of monopolieposities toe-eigent. De Russische oligarchen zijn een bekend voorbeeld. Bij de rijkste acht van Oxfam zit er één – de Mexicaanse telecom-monopolist Carlos Slim – die een duwtje in de rug heeft gekregen van zijn politieke vrienden. Het wordt ook anders wanneer de superrijken zich met belastingconstructies en via belastingparadijzen onttrekken aan het medefinancieren van publieke voorzieningen. Verder kan de waardering voor ondernemerssucces verdampen wanneer giganten als Google, Facebook en Amazon hun marktmacht misbruiken, bijvoorbeeld om de concurrentie te elimineren of hun werknemers uit te buiten. Al deze misstanden bevestigen het gevoel van de gewone burger dat de markteconomie er niet voor hem is, maar voor de rijken. Daarmee wordt het draagvlak voor ons economisch systeem uitgehold. Het overheidsbeleid moet er dan ook op gericht zijn om deze problemen aan te pakken, met betere internationale belastingafspraken, een strenger toezicht op (tech)giganten en meer aandacht voor de arbeidsvoorwaarden en de loonontwikkeling van werknemers.

Extreme armoede moeten we de wereld uitbannen. Dat geldt wat mij betreft niet per se voor extreme rijkdom. Tenminste, als deze het resultaat is van waardevolle innovatie, goed ondernemerschap of hard werken. En als de ondernemer keurig zijn belasting betaalt, zijn werknemers en toeleveranciers netjes behandelt en zijn concurrenten niet uit de markt drukt. Het is van groot belang dat overheden deze spelregels aanscherpen en handhaven. Niet uit een ideologische weerzin tegen extreme rijkdom, maar omdat de acceptatie van onze vrije markteconomie vereist dat de superrijken zich niet onttrekken aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Categorieën:Uncategorized

Bitcoin voor dummies

1 december 2017 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 1 december

Bitcoin voor dummies, zo heet de workshop waarvoor een consultant adverteert in de dagbladen. Hierin worden leken geïntroduceerd in de geheimen van dit electronisch ruilmiddel, dat als unieke eigenschap heeft dat het decentraal wordt gecreëerd en geregistreerd in een wereldwijd computernetwerk. De advertentie bevat een aantal klassieke verleidingstrucs. Er wordt schaarste en urgentie gecreëerd (“slechts 50 plekken”) en er wordt een beroep gedaan op autoriteit (“gevestigde financiële instellingen beginnen warm te lopen voor bitcoin”), sociale bewijskracht (“er lijkt geen rem te zitten op de vraag naar de cryptomunt”) en wederkerigheid (“gratis uitgebreide catering”). In de workshop leer je wat bitcoin is en hoe je in bitcoin moet beleggen. De waarom-vraag staat niet op het programma. Toch is dit de belangrijkste vraag. Als bitcoin-insiders besluiten om geld te gaan verdienen met afgeleide producten als workshops is het oppassen geblazen voor de leek. Blijkbaar zien ze meer brood in bijscholing dan in de bitcoin zelf. O ja, de prijs van de workshop is 50 ouderwetse euro (30 euro voor vroegboekers). Zou de bitcoin-consultant het niet aandurven om een prijs af te geven in bitcoin?

Het is heel goed mogelijk dat de techniek achter de bitcoin waardevol is en nuttige toepassingen zal vinden in de economie, al zijn er nog genoeg vragen (bijvoorbeeld over het hoge energieverbruik). De huidige hype kan echter alleen worden verklaard uit hebzucht en de angst van particuliere beleggers om de boot te missen. De bitcoin is geen serieus alternatief voor geld en zegt niets over het vertrouwen in ons geldstelsel.

In het dagelijks leven blijft de bitcoin vooralsnog onzichtbaar. Slechts een beperkt aantal partijen accepteert de bitcoin als ruilmiddel, maar daarmee is het nog geen geld. Sigarenbandjes kun je ook ruilen. Bitcoin mist twee belangrijke eigenschappen die geld moet hebben: stabiliteit en een elastisch aanbod. De koersfluctuaties van de bitcoin zijn veel te hoog voor gebruik in het normale geldverkeer. Niemand zal het aandurven om zijn salaris voor een lange termijn vast te leggen in bitcoin; als die crasht blijft er van je salaris niets over. De geldhoeveelheid moet ook kunnen mee-ademen met de economie: als economieën groeien is er meer geld nodig om het toegenomen betalingsverkeer te ondersteunen. Dit was vroeger het nadeel van het gebruik van goud in het geldstelsel. De beschikbare voorraad goud was beperkt en kon de naoorlogse economische groei niet aan. Eenzelfde probleem zou zich voordoen bij de bitcoin, waarvan de uitgifte door de uitvinder is beperkt tot maximaal 21 miljoen exemplaren, als bescherming tegen overproductie en inflatie. Net als bij goud kopen beleggers bitcoin niet vanwege de intrinsieke waarde, maar vanwege de inschatting dat andere beleggers (grotere dummies) zullen volgen. De bitcoin is dus beter te vergelijken met goud dan met geld, met als extra nadeel dat er geen decoratieve toepassingen zijn. Aanduidingen als coin, munt en valuta en het gebruik van de verticale dollarstreepjes in het bitcoin-logo roepen echter associaties met geld op. Dat is misleidend en zou moeten worden verboden. Een betere benaming is e-goud (bitgoud kan ook, maar geeft spraakverwarring bij de tandarts).

Libertijnen zijn aanhangers van een ideologie die bekend staat om haar wantrouwen jegens alles wat van de overheid komt. Zij schrijven de populariteit van bitcoin graag toe aan het falen van de centrale banken. Hun theorie is dat het onorthodoxe geldbeleid dat sinds de kredietcrisis is gevoerd het vertrouwen in ons geldstelsel heeft ondermijnd. Daarom zouden burgers hun toevlucht nemen tot e-goud. Hiervoor is echter geen enkel bewijs. De inflatie ligt op een zeer laag niveau en de euro is de laatste tijd weer sterker geworden. Geldontwaarding is momenteel wel het minst grote probleem in het eurogebied. Opinieonderzoek laat verder zien dat het vertrouwen in de euro en de ECB weer licht gestegen is, nadat het ten tijde van de eurocrisis een flinke deuk had opgelopen. Er is dus geen enkele relatie tussen de explosieve koersstijging van de bitcoin van $1000 in januari naar meer dan $10.000 deze week en gangbare maatstaven voor het vertrouwen in ons geld. Het ontgaat mij ook volledig waarom burgers die geen vertrouwen zouden hebben in ons geldstelsel wel opeens vertrouwen hebben in een geheimzinnige cryptomunt die cybercrime en andere zaken die het daglicht niet kunnen verdragen faciliteert. Libertijnen projecteren dan ook vooral hun eigen ideologie op bitcoin beleggers. Kortom, de bitcoin is er voor libertijnen, waaghalzen en natuurlijk voor dummies. Wat dat betreft is de naam van de workshop goed gekozen.

Categorieën:Uncategorized

De euro is nog niet in veilig vaarwater

15 augustus 2017 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 15 augustus

Tien jaar geleden begon de kredietcrisis. In de zomer van 2007 werd duidelijk dat het globale financiële stelsel was geïnfecteerd met Amerikaanse rommelleningen en smolt het vertrouwen in banken als sneeuw voor de zon. Centrale banken moesten op grote schaal geld in het systeem pompen om het overeind te houden. Een jaar later werd na het omvallen van de zakenbank Lehman Brothers de crisis zichtbaarder voor het grote publiek. Een diepe en langdurige recessie volgde, waarin veel welvaart, groei en banen verloren gingen. De crisis was tevens de vuurdoop voor de euro. Griekse begrotingsperikelen en instortende huizenmarkten in Ierland en Spanje deden de eurozone trillen op haar grondvesten.

En toch bestaat de Euro nog. Sterker nog, het vertrouwen in de euro is nu op het hoogste niveau sinds het uitbreken van de crisis. Terwijl nog maar een paar jaar geleden vele experts het uiteenvallen van de eurozone voorspelden. Heeft deze ommekeer dankzij of ondanks het gevoerde beleid plaatsgevonden? En betekent dit dat de euro nu in veilig vaarwater is?

Vriend en vijand zijn het erover eens dat zonder het leiderschap van de Europese Centrale Bank de euro niet meer zou bestaan. Vanaf het begin van de crisis stond de ECB klaar om een implosie van het Europese bankwezen te voorkomen en de kapitaalvlucht uit Zuid-Europa op te vangen. ECB president Draghi’s “finest hour” kwam in juli 2012 toen hij met zijn befaamde “whatever it takes” uitspraak de onrust in de financiële markten over de toekomst van de euro wist te bezweren. Het opbreekrisico nam daarna drastisch af. In 2015 begon de ECB met het in Noord-Europa controversiële opkoopprogramma van staatsobligaties, om de economie te stimuleren en het deflatiegevaar te bestrijden. De effectiviteit hiervan is moeilijk aan te tonen, omdat we nooit zullen weten hoe de Europese economie zich zou hebben ontwikkeld zonder dit programma. Het is wel een feit dat sindsdien de economische groei is aangetrokken en het deflatiegevaar is geweken.

Gezien het economisch herstel is het logisch dat er nu volop wordt nagedacht over een stapsgewijze normalisatie van het monetair beleid. Waarschijnlijk zal de ECB eerst de maandelijkse aankopen van staatsobligaties in omvang terugbrengen, alvorens ze helemaal stop te zetten. Gedurende dit proces zal de ECB tevens de rente verhogen. In de laatste fase zal de ECB overgaan tot de verkoop van de staatsobligaties die ze in de loop der jaren heeft verzameld. Om twee redenen is hierbij geleidelijkheid en voorzichtigheid geboden. Ten eerste moet de ECB vermijden dat de normalisatie teveel verwarring en onrust in de financiële markten teweeg brengt. Ten tweede is het economisch herstel in veel Europese landen nog fragiel en ligt de inflatie nog steeds onder de ECB doelstelling van 2%. Ook is de euro de afgelopen maanden sterker geworden, wat een dempend effect op de inflatie heeft. Er is dan ook absoluut geen reden om nu abrupt aan de monetaire rem te trekken. 

Dankzij de ECB heeft de euro de crisis overleeft, maar er zijn grenzen aan wat monetair beleid kan bereiken. Monetair beleid kan de fundamenten van de muntunie niet sterker maken. Dat blijft hard nodig, maar politici hebben het hierbij helaas grotendeels laten afweten.

De meeste progressie is nog geboekt bij de vorming van een Europese bankenunie. Europees bankentoezicht en het op Europees niveau afwikkelen van probleembanken moeten de financiële stabiliteit bevorderen. Dit project blijft vooralsnog werk in uitvoering. De bankenunie heeft niet kunnen voorkomen dat de Italiaanse belastingbetaler recentelijk moest meebetalen aan de redding van twee Italiaanse banken. En veel Europese banken hebben nog steeds een te hoge blootstelling aan de staatsschuld van hun eigen overheid. Wanneer de zorgen over de overheidsfinanciën in Zuid-Europese landen terugkeren, zullen die wederom een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het Europese bankwezen.

Die zorgen zijn niet denkbeeldig. In veel Europese landen zijn overheidsfinanciën nog niet op orde. Wanneer de ECB haar opkoopprogramma afbouwt en de rentelasten stijgen, kan de staatsschuld in een aantal eurolanden onbeheersbaar worden. Het is de vraag of het noodfonds dat tijdens de crisis in allerijl is opgetuigd dan volstaat. De eurozone heeft een structurele oplossing voor de beheersing van begrotingsrisico’s nodig. In dit verband roept de terugkeer van Griekenland naar de kapitaalmarkt vraagtekens op. In juli haalde de Griekse overheid € 3 mld op bij private beleggers, tegen een rente van 4,6%. Deze actie werd gezien als een teken dat Griekenland op de goede weg is en binnenkort wellicht geen Europese steun meer nodig heeft. Dit is een illusie. Als Griekenland haar volledige staatsschuld van meer dan €300 miljard tegen zo’n hoge rente zou moeten financieren wordt haar schuld onbeheersbaar. De Europese partners proberen met een zachte rente en looptijdverlenging de Griekse schuld draagbaar te houden en worden onder druk gezet om tot kwijtschelding over te gaan. Intussen worden private beleggers op een mooi rendement getrakteerd. Deze verdeling van lusten en lasten kan beter, dunkt mij.

Zelfs met een stabiel bankwezen en gezonde overheidsfinanciën is de euro niet in veilig vaarwater. Daarvoor zijn groei en banen nodig. Als burgers het gevoel krijgen dat de eurozone synoniem is voor economische stagnatie blijft er altijd het politieke risico dat er ergens een partij aan de macht komt die beweert dat het gras groener is buiten de eurozone. In veel eurolanden kan het groeipotentieel worden verhoogd met structurele hervormingen, gericht op een versterking van het ondernemingsklimaat en een efficiënt en goed openbaar bestuur. Europa kan hierbij helpen, maar uiteindelijk zullen de landen het zelf moeten doen. Niet omdat het van Europa moet, maar omdat het in hun eigenbelang is. Voor de euro betekent dit dat haar voortbestaan op de lange termijn afhankelijk is van de hervormingsbereidheid van individuele lidstaten. Een ongemakkelijke conclusie.

 

 

Categorieën:Uncategorized

Niet de euro, maar de loonvorming is het probleem

Opiniebijdrage ND, 22 juni

Stel je voor dat Mark Rutte zou twitteren dat de Amerikanen “bad, very bad” zijn omdat ze veel te veel geneesmiddelen en medische apparatuur naar Nederland exporteren, dat het handelstekort van Nederland met de VS ($ 24 miljard in de goederenhandel in 2016) aantoont dat de VS op een oneerlijke manier concurreert en dat de dollar veel te goedkoop is. Rutte kijkt wel uit, want hij zou zichzelf voor gek zetten. Waarschijnlijk weet hij ook wel beter.

Toch is dit de redenering waarvan Donald Trump zich bedient wanneer hij klaagt over de zwakke euro en over de miljoenen Duitse auto’s die op oneerlijke wijze naar de VS worden verscheept. Zijn Duitsland-bashing valt goed in de Angelsaksische wereld, waarschijnlijk omdat men daar het gevoel heeft dat de Duitse exportprestatie toch niet helemaal normaal is. De kritiek raakt ook Nederland, omdat wij met onze lage lonen en hoog handelsoverschot in economisch opzicht sterk op Duitsland lijken.

Trump’s redenering bevat echter twee denkfouten die verhullen waar het echte probleem zit in de economische relatie tussen Duitsland en de rest van de wereld. Handelstekorten tussen landen onderling, zeker wanneer het gaat over individuele producten, zeggen meer over de industriële structuur van landen dan over oneerlijke handelspraktijken. Duitsland maakt al decennia mooie auto’s die buitenlanders graag kopen. In 2011, toen de euro een tijdje boven de 1,40 $/€ stond, was Duitsland ook al ’s werelds grootste auto-exporteur. Onze Oosterburen zijn gewoon goed in het maken van auto’s; dat kun je ze niet kwalijk nemen. Het wordt anders wanneer een land jarenlang een tekort of overschot in alle handel met de rest van de wereld heeft. Dat kan duiden op een onderliggend macro-economisch probleem. Zo wordt er in de VS weinig gespaard en veel geconsumeerd. Dit vertaalt zich in een handelstekort.

De tweede denkfout heeft betrekking op het gebruik van de wisselkoers als indicator voor concurrentiekracht. Sinds 2014 is de euro ten opzichte van de dollar sterk verzwakt. Als deze verzwakking hand-in-hand was gegaan met een evenzo grote loonstijging in de Duitse industrie, dan was er van het concurrentievoordeel niets overgebleven. De concurrentiepositie wordt dus niet alleen door de wisselkoers beïnvloedt, maar ook door de loon- en prijsontwikkeling. Als je daar rekening mee houdt resulteert voor Europa een divers beeld. Het Britse World Economics heeft berekend dat Duitsland momenteel 12% goedkoper is dan de VS. Daar staat tegenover dat Frankrijk 8% en Griekenland zelfs 20% duurder is dan de VS. Ten opzichte van Duitsland is Griekenland dus maar liefst 32% te duur! Dat probleem los je niet op met een sterkere euro, die niets doet aan de interne concurrentiepositie binnen het eurogebied. Integendeel, een sterkere euro zou het alleen maar moeilijker maken voor landen als Frankrijk en Griekenland om concurrerend te worden ten opzichte van handelspartners buiten de eurozone.

Wat is dan wel de oplossing? Net als in de VS duidt de Duitse (en Nederlandse) onbalans in de internationale handel op een macro-economisch probleem. In Noord-Europa wordt te veel gespaard en te weinig geconsumeerd en geïnvesteerd. In Nederland is de koopkracht van werknemers er sinds de crisis nauwelijks op vooruit gegaan. Zelfs het CPB en DNB roepen nu op tot hogere lonen. Ook in Duitsland is volgens het IMF ruimte voor verdere loongroei. Hogere lonen maken Nederland en Duitsland duurder ten opzichte van zowel Zuid-Europa als de VS. Precies wat nodig is om de handelsonevenwichtigheden te herstellen.

Als iedereen het hierover eens is, waarom gebeurt het dan niet? Er wordt wel gewezen op de onmacht van de vakbonden om loonsverhogingen af te dwingen. De opkomst van de flexwerker zou hierin een rol spelen. Daarnaast zou ook de overheid weinig kunnen doen om loonsverhogingen af te dwingen. Dit laatste argument lijkt mij onzin. Als grootste werkgever is de overheid ook de grootste partij op de Nederlandse arbeidsmarkt. Wanneer de overheid meer banen gaat scheppen en haar werknemers beter gaat betalen, na jarenlang schraalhans keukenmeester in de publieke sector, dan zal dat tot loonstijgingen leiden, ook in de private sector. Een nieuwe regering doet er dan ook goed aan om het pleidooi voor loonsverhoging van CPB en DNB kracht bij te zetten door zelf het goede voorbeeld te geven. Dan moet ze wel het tegenstrijdige advies van CPB en DNB om de hand op de knip te houden maar even laten voor wat het is.

Categorieën:Uncategorized

De economische agenda van Rutte III

Opiniebijdrage in het ND van 20 maart

De borstklopperij dat Nederland sterk uit de crisis is gekomen werd tijdens de verkiezingscampagne voor zoete koek geslikt. In het EenVandaag debat vergeleek Rutte Nederland in positieve zin met Frankrijk en Italië. Daar deed de regering niets en blijft de economie kwakkelen. Maar willen wij ons echt met deze zwakke broeders vergelijken? Een betere vraag is hoe Nederland uit de crisis was gekomen als Rutte had gekozen voor een beleidsmix die meer was gericht op structurele hervormingen en minder op het te snel terugbrengen van een begrotingstekort met bezuinigingen en lastenverzwaringen. Ik denk dat Nederland er dan veel beter had voorgestaan.

De verkiezingsuitslag geeft Rutte de kans zich te revancheren. Ook al speelde de economie geen hoofdrol in de campagne, zij zal wel de agenda van Rutte III bepalen. Het ligt voor de hand dat een nieuw kabinet zich gaat richten op de hervormingen die onder Rutte II zijn mislukt (arbeidsmarkt), nog niet zijn voltooid (woningmarkt, zorg) of zijn doorgeschoven (belastinghervorming; pensioenen). Natuurlijk verwacht de burger nieuw beleid van een nieuw kabinet, zeker na de beleidsarmoede van de afgelopen twee jaar, maar ik wil mijn persoonlijke top vijf toch beginnen met wat een nieuw kabinet vooral niet moet doen.

1. Geen korte-termijn begrotingsbeleid

Het zou wenselijk zijn als een nieuwe minister van financiën minder krampachtig stuurt op het korte-termijn begrotingstekort. De riante vermogenspositie van de Nederlandse staat, met haar hoge belastingclaims op de toekomstige pensioenuitkeringen, betekent dat de kredietwaardigheid van Nederland niet ter discussie staat. Dit betekent dat het begrotingsbeleid zich kan richten op het waarborgen van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op de lange termijn. Er geen enkele noodzaak om politieke energie te besteden aan het micro-managen van het tekort op de korte termijn. As de economie even tegenzit loopt het tekort op en vice versa. Laat het gebeuren, zou ik zeggen.

2. Wijsheid in Europees beleid

De grootste risico’s voor de Nederlandse welvaart komen van buiten. Nederland zal binnenkort de gevolgen van Brexit voelen. Daarnaast is de stabiliteit van het eurogebied nog allerminst gegarandeerd. Het is zaak dat het nieuwe kabinet hier vanuit weloverwogen eigenbelang mee omgaat en de emotie buiten de deur houdt. Als handelsnatie hebben wij belang bij een zo zacht mogelijke Brexit en een zo sterk mogelijke Europese Unie. Nederland moet dan ook een matigend tegenwicht bieden aan Europese partners die de Britten graag zien bloeden. Met betrekking tot Griekenland blijft het zaak de halsstarrige Griekse regering tot hervormingen te bewegen. Hiervoor is engelengeduld nodig, maar het Grexit alternatief is allerminst aantrekkelijk. Nog een mislukte staat erbij in een explosieve regio kunnen we in Europa niet gebruiken.

3. Aandacht voor uitvoering

Dan nu de binnenlandse hervormingen. Voorop moet staan dat er meer aandacht komt voor de kwaliteit van de uitvoering. Het stapelen van nieuw beleid op een onmachtig uitvoeringsapparaat is vragen om problemen, zoals we hebben gezien bij de belastingdienst en in het PGB-dossier. In een vierpartijencoalitie zal iedere partij zich willen profileren en snel zijn stokpaardjes willen verwezenlijken. Ik vrees dan ook een ingewikkeld regeerakkoord met voor elk wat wils, met als risico dat het wederom mis gaat in de uitvoering. Het land heeft er baat bij als de nieuwe regering een beperkt aantal zaken goed en zorgvuldig aanpakt, in plaats van het ambtenarenapparaat te laten verzuipen in de beleidsinitiatieven. Ik zou prioriteit geven aan belastinghervorming en arbeidsmarkthervorming.

4. Belastinghervorming

Het reduceren van complexiteit is het meest urgent op het terrein van de belastingen. Ons belastingstelsel is met zijn toeslagencircus veel te ingewikkeld en behoeft een grondige herziening. De uitdaging is om versimpeling samen te laten gaan met vergroening. Ook kan de hypotheekrenteaftrek verder worden teruggebracht door de fiscale behandeling van de eigen woning over te hevelen naar box 3. Een omvangrijke belastinghervorming kent altijd verliezers. Gelukkig staan de overheidsfinanciën er goed voor en is er smeergeld om de verliezers te compenseren.

5. Arbeidsmarkthervorming

Er is alom onvrede over de Wet Werk en Zekerheid en de Wet Deregulering Arbeidsrelaties. Beide wetten zijn gemaakt door Rutte II en doen niet wat ze beogen. Hoe je ook denkt over de wenselijkheid van flexwerken versus vaste loondienst, de huidige regelgeving voldoet niet. Een nieuw kabinet zal hier iets aan moeten doen. Veel werknemers hebben behoefte aan vastigheid, maar we moeten niet de illusie hebben dat werkgevers de baan voor het leven kunnen garanderen. Voor werkgevers is het daarentegen van belang dat de kosten bij ziekte en ontslag draagbaar zijn. Welke keuze op het spectrum vast-flex ook wordt gemaakt, in alle gevallen is het van belang dat onze beroepsbevolking bij blijft in een tijd waarin de technologische ontwikkelingen razendsnel gaan. Een goed arbeidsmarktbeleid gaat dus ook over investeren in onderwijs en over het stimuleren van permanente educatie.

Categorieën:Uncategorized