Archief

Archief beheerder

Banken stellen niet de trouwe klant maar hun winst centraal

6 februari 2020 Plaats een reactie

Opiniebijdrage ND, 4 februari 2020

Sparen loont niet. Dat is al tijden zo. En het wordt er niet beter op. Vorige maand was ABN AMRO de eerste Nederlandse grootbank die aankondigde de rente voor particuliere spaarders te verlagen naar 0%. De bank klaagt over de historisch lage rente en beweert dat ze het toestromende spaargeld niet tegen een hogere rente kan uitlenen. Het overtollige spaargeld moet dan tegen een negatieve rente worden gestald bij de ECB. Wij kunnen er niks aan doen, lijkt de boodschap van ABN AMRO. Het is allemaal de schuld van de ECB. Maar dat is natuurlijk niet het hele verhaal, want het wereldwijde spaaroverschot houdt de rente overal laag. En het argument van het overtollige spaargeld roept vraagtekens op.

Het is opmerkelijk dat een Nederlandse grootbank geen behoefte meer zou hebben aan spaargeld. Een structureel kenmerk van onze financiële sector is immers dat de spaargelden ontoereikend zijn om de leningen van banken te financieren. De oorzaak hiervan is dat de besparingen van Nederlanders voor een groot deel verplicht worden afgedragen aan pensioenfondsen, zodat er minder vrij spaargeld overblijft. Banken moeten het gat tussen de kredietverlening en het spaargeld financieren op de vermogensmarkten, wat ze kwetsbaar maakt voor de grillen van de financiële markten.

Deze onbalans tussen kredieten en spaargeld was voor Nederlandse grootbanken een reden om de boer op te gaan met internetspaarrekeningen. Nieuwe merken als Moneyou, ING Direct en Rabodirect werden in het leven geroepen om in binnen- en buitenland nieuwe spaarders on-line te lokken met aantrekkelijke rentes. Deze strategie trekt vooral rentegevoelige spaarders aan; financiële koopjesjagers die ook zo weer vertrokken zijn als de spaarrente bij een andere bank hoger is. De banken rekenden erop dat hun bestaande klanten niet de moeite zouden nemen om over te stappen. Zo is een situatie ontstaan waarin banken hun trouwste klanten het slechtste bedienen. Het zit in het DNA van banken om winst te halen uit de indolentie van trouwe klanten. Vroeger introduceerde de Postbank om de haverklap nieuwe spaarrekeningen. Oudere spaarders herinneren zich ongetwijfeld de waaier aan girorekeningen: plusrekening, sterrekening, leeuwrekening en ga zo maar door. De rente op de oudere rekeningen bleef vervolgens achter bij die op de nieuwe rekening. De onoplettende spaarder had het nakijken.

Terug naar het heden. Het merkwaardige aan het rentebeleid van ABN AMRO is dat de bank klaagt over overtollig spaargeld maar nog steeds een relatief hoge rente biedt op een internetspaarrekening bij Moneyou (een volle dochteronderneming van ABN AMRO). Als ABN AMRO deze rente zou verlagen naar 0% nemen de financiële koopjesjagers onmiddellijk hun geld op. Dat levert de bank een dubbel voordeel op: zij hoeft minder rente te vergoeden en kan tevens haar negatief renderende kasgeld bij de ECB verminderen. Waarom doen de bankiers van ABN AMRO dit niet? De enige verklaring die ik kan bedenken is dat ze helemaal niet van het spaargeld af willen. Het gat tussen kredieten en spaargeld bestaat immers nog steeds. Ook bij ABN AMRO, waar tegenover elke euro aan krediet circa 90 eurocent aan spaargeld staat. Wat de bankiers wel willen is hun winstmarge vergroten. En dat gaat het gemakkelijkste door de rente te verlagen voor de trouwe spaarder die niet wegloopt. Met de koopjesjagers ga je voorzichtiger om; die zouden wel eens hun rekening kunnen opzeggen.

Dit rentebeleid is een voorbeeld van prijsdiscriminatie, een strategie om het maximale rendement uit klanten te halen. Voor hetzelfde product worden verschillende prijzen in rekening gebracht afhankelijk van de bereidheid van de klant om een hoge prijs te betalen (of in dit geval een lage rente te accepteren). Het is niet verboden en het komt veel voor. De prijs die u voor een vliegtuigstoel betaalt is een andere dan die van de passagier naast u. Verdienen aan de indolentie van de trouwe spaarder zou je dus kunnen zien als een legitieme strategie om de winst te vergroten.

En toch wringt het als banken dit doen. Het toont aan dat de belofte om na de bankencrisis de klant centraal te stellen niet meer is dan een holle frase. Het toont ook aan dat banken zich nog steeds niet bewust zijn van hun maatschappelijke rol. Nog niet zo lang geleden noemde premier Rutte banken “semi-overheidsinstellingen”, omdat ze tijdens de crisis afhankelijk waren van het vangnet van de belastingbetaler. En van de loyaliteit van de spaarder. Een loyaliteit die niet wordt beloond.

Zolang Nederlandse grootbanken hun internetbanken in de lucht houden is hun geklaag over de toevloed aan spaargeld een ongeloofwaardig argument om de trouwe spaarder verder uit te knijpen. De beste repliek van de spaarder bij ABN AMRO is om uit de luie stoel te komen en zijn spaargeld door te sluizen naar Moneyou.

Categorieën:Uncategorized

Hoe groen kan monetair beleid zijn?

6 februari 2020 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 19 december 2019

Met de gelijkheid tussen man en vrouw is het in de Europese politiek slecht gesteld. Zo zijn slechts vijf van de 28 regeringsleiders vrouw. De Europese Unie streeft naar een man-vrouw balans in bepalende posities in de maatschappij, maar de vooruitgang is tergend langzaam. Is het misschien een idee dat Christine Lagarde, de nieuwe president van de Europese Centrale Bank, de macht van haar instelling gebruikt om deze nobele doelstelling dichterbij te brengen? De ECB zou een genderneutraal monetair beleid kunnen voeren, waarbij alleen nog maar staatsleningen worden opgekocht van landen waarvan de regering voor de helft uit vrouwen bestaat. Landen die achterlopen worden dan geconfronteerd met hogere leenkosten en hebben een sterke financiële prikkel om meer vrouwelijke ministers te benoemen.

Dit extreme voorbeeld van ECB-bemoeienis is minder vergezocht dan het lijkt. Onder het nieuwe  bewind van Lagarde lijkt de ECB klaar om de gebaande paden te verlaten. Hoewel een genderneutraal monetair beleid nog toekomstmuziek is, geldt dat niet voor een groen monetair beleid. Op de recente klimaatconferentie hebben politici weer eens hun onmacht laten zien om de klimaatcrisis aan te pakken. Omdat de ECB zich heeft bewezen als een slagvaardige crisisbestrijder, ligt het voor de hand om te kijken of zij kan bijdragen aan het oplossen van de klimaatcrisis. Christine Lagarde heeft al toegezegd zich sterk te willen maken voor een vergroening van het monetair beleid. Maar wat betekent dat concreet? En heeft de ECB wel het mandaat om het monetair beleid te vergroenen?

Volgens een voorstel dat nu circuleert zou de ECB niet meer moeten beleggen in obligaties van vervuilende bedrijven en zou de ECB deze obligaties ook niet langer als onderpand moeten accepteren. Het idee is dat de leenkosten van vervuilers dan stijgen en dat ze financieel worden geprikkeld om te verduurzamen. Tegenstanders van dit voorstel betogen dat het niet aan de ECB is om in haar beleggingsbeleid de ene bedrijfstak te bevoordelen boven de andere. Als de overheid vervuilende bedrijfsactiviteiten wil ontmoedigen kan zij dat heel goed zelf doen via democratisch tot stand gekomen veranderingen in het belastingstelsel, bijvoorbeeld in de vorm van een CO2 heffing. Ondanks de logica van dit laatste argument, lijkt het me toch een goed voorstel. Van een instelling die het publieke belang dient mag je enige kieskeurigheid in het beleggingsbeleid verwachten. De ECB heeft hiervoor bovendien het mandaat. Zolang zij haar primaire taak om voor prijsstabiliteit te zorgen niet uit het oog verliest, mag de ECB volgens het Verdrag van Maastricht haar macht gebruiken om het economisch beleid van de EU te ondersteunen. Vergroening is een onderdeel van dat beleid. Het zou dan ook goed zijn als de ECB obligaties van vervuilende bedrijven voortaan mijdt, net zoals obligaties van wapen- of sigarettenfabrikanten. Helaas laten berekeningen zien dat zo’n maatregel slechts een bescheiden effect heeft op de leenkosten van vervuilende bedrijven. Dit sympathieke voorstel zal dan ook geen “game-changer” zijn in het klimaatbeleid. Kan de ECB niet meer doen dan krabbelen in de marge? Moet Lagarde niet groter denken?

Bedrijfsobligaties beslaan slechts een klein deel van de balans van de ECB. Verreweg het meeste geld zit in Europese staatsleningen. Dit zijn leningen aan overheden die zich hebben gecommitteerd aan de klimaatafspraken van Parijs en die nu moeten leveren. Een groen monetair beleid dat staatsleningen ongemoeid laat is een gemiste kans om overheden een duwtje in de goede richting te geven. Als de ECB echt wil vergroenen, dan kan zij ervoor kiezen om met haar monetair beleid landen bij de klimaatles te houden. Bijvoorbeeld door alleen staatsleningen te gebruiken van landen die zich aan de klimaatafspraken houden. De leenkosten van regeringen die onvoldoende actie ondernemen zullen daardoor stijgen, terwijl regeringen die zich wel aan afspraken houden goedkoper uit zijn.

Wanneer de ECB milieueisen stelt aan staatsleningen zullen veel nationale politici beweren dat de ECB haar boekje te buiten gaat. Maar weet dan dat de zij die het hardste schreeuwen daarmee meteen aangeven hoe serieus ze de klimaatafspraken nemen. Politici die zich aan de klimaatafspraken houden hebben immers niets te vrezen. Laat Lagarde deze knuppel maar in het hoenderhok gooien.

Categorieën:Uncategorized

Negatieve rente voor kleine spaarders is een gevaarlijk experiment

6 februari 2020 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 10 september 2019

ING topman Ralph Hamers heeft een talent om ophef te veroorzaken. Toen hij vorige maand opperde om een negatieve spaarrente in rekening te brengen reageerden zijn klanten ontstemd. Een negatieve spaarrente betekent dat er geen rente meer wordt bijgeschreven, maar dat er een percentage op je tegoed wordt ingehouden. Het is het schrikbeeld voor elke brave spaarder: een saldo dat elk jaar automatisch een beetje daalt.

Sparen loont niet, dat is al jaren zo. De rente op een vrij opneembaar tegoed houdt de inflatie niet bij. Wanneer de spaarrente onvoldoende compensatie biedt voor de geldontwaarding, holt de koopkracht van het spaargeld achteruit. In reële termen, gecorrigeerd voor inflatie, hebben we al lang met een negatieve spaarrente te maken. Sinds de invoering van de vermogensrendementsheffing in 2000 wordt sparen bovendien extra bestraft door de fiscus. Gelukkig komt daar, als we de recente berichtgeving mogen geloven, in 2022 een einde aan. Voor de spaarder is dus relevant wat hij na belasting en inflatie met zijn spaargeld kan doen. Hoe droevig het lot van de hedendaagse spaarder ook is, in het verleden is het wel eens erger geweest. Zo lagen de spaarrentes aan het einde van de jaren zeventig veel lager dan de inflatie en werd de koopkracht van een spaartegoed toen sneller uitgehold dan nu. Waarom winden spaarders zich nu dan zo op over de uitspraken van Hamers? Er zijn, denk ik, een aantal oorzaken.

Wanneer mensen financiële beslissingen nemen hebben ze de neiging om in geldbedragen te denken, niet in termen van koopkracht. Spaarders kijken dan alleen naar de hoogte van de spaarrente en vergeten te corrigeren voor geldontwaarding. Economen noemen dit geldillusie. Daar komt een andere menselijke neiging bij. Uit de gedragseconomie is bekend dat mensen een verlies zwaarder wegen dan een winst. Dit verschijnsel wordt verliesaversie genoemd. De combinatie van geldillusie en verliesaversie kan verklaren waarom een negatieve spaarrente een heftige reactie ontlokt bij de spaarder. Een spaarder protesteert niet wanneer hij 0,5% rente krijgt bij een inflatie van 2%, maar wordt boos bij een negatieve rente van -0,5% en een inflatie van 1%. Terwijl in beide gevallen de koopkracht van het spaargeld met 1,5% daalt.

Geldillusie en verliesaversie zijn echter niet het hele verhaal. Het voelt ook anders of je als spaarder wordt gepakt door de inflatie, de fiscus of door de heer Hamers. Inflatie is een macro-economisch verschijnsel waar de spaarder niets aan kan doen. De meeste burgers beseffen ook dat het betalen van belasting een noodzakelijk kwaad is. Nu stelt echter de man die in 2018 een salarisverhoging van 50% wilde voor om spaartegoeden te korten. Natuurlijk schiet dit bij de spaarder in het verkeerde keelgat. Daar komt bij dat het vermijden van een negatieve spaarrente op je ING rekening gemakkelijker is dan het vermijden van inflatie of belastingen. Er zijn genoeg financiële instellingen die een hogere spaarrente bieden dan de grote banken. Bij de internetbank Moneyou, nota bene een volledig dochterbedrijf van ABN AMRO, krijgt de spaarder nog 0,15% rente, terwijl ABN AMRO haar eigen trouwe klanten afscheept met 0,02% (hetzelfde rentetarief als ING). Een negatieve spaarrente zou wel eens de trigger kunnen zijn die spaarders ertoe aanzet om hun geld bij een andere bank onder te brengen. En als dat niet lukt kunnen de bankbiljetten altijd nog onder het matras worden bewaard.

Het valt niet te voorspellen of de combinatie van geldillusie, verliesaversie en rancune jegens graaiende bankiers ertoe leidt dat kleine spaarders massaal hun geld opnemen bij een negatieve rente. Mocht dat gebeuren, dan zijn de banken verder van huis dan wanneer ze tijdelijk een wat lagere rentemarge accepteren. In belang van de financiële stabiliteit is het dus maar beter als het niet zover komt. Een negatieve rente voor kleine spaarders is een gevaarlijk experiment waar de economie niet op zit te wachten.

Het beste zou zijn als de negatieve rente bij de bron wordt aangepakt. Daartoe moet het economisch beleid in Europa veranderen. Sinds het begin van de crisis heeft de Europese Centrale Bank (ECB) met renteverlagingen en het opkopen van staatsschuld de Europese economie gestimuleerd. Nu de Europese economie wederom tekenen van zwakte vertoont wordt er opnieuw naar de ECB gekeken. Maar een nog lagere rente heeft weinig zin als het goedkope geld niet wordt gebruikt voor investeringen in de reële economie. De nieuwe ECB president Christine Lagarde roept overheden dan ook terecht op om meer te investeren in milieu, infrastructuur en onderwijs en een ruimer begrotingsbeleid te voeren. Juist in Nederland en Duitsland, waar spaarders klagen over de lage rente, houden de ministers van financiën echter de hand op de knip. Het wordt tijd dat zij inzien dat het voor de ECB gemakkelijker is om een einde te maken aan de negatieve rente, wanneer zij hun begrotingsbeleid inzetten om de kwakkelende economie te stimuleren.

Categorieën:Uncategorized

Beperk de uitstoot van decibellen

Opiniebijdrage in het ND van 7 mei

In Nederland wint het economisch belang het vaak van de kwaliteit van de leefomgeving. De Groningse gaswinning is te lang doorgegaan, de kolencentrales zijn nog steeds niet gesloten, Schiphol blijft maar groeien en het kabinet vraagt zich af of een CO2-heffing het bedrijfsleven niet al te veel schaadt.

In deze tijd van het jaar, wanneer de festivalorganisatoren zijn ontwaakt uit hun winterslaap, komt daar nog extra milieuleed bij. Koningsdagfestivals, bevrijdingsfestivals, zomerfestivals; elke gelegenheid wordt aangegrepen om geld te verdienen aan de productie van hard geluid in de openbare ruimte. Muziek zou ik het niet noemen, maar over smaak valt niet te twisten. Betwistbaar is wel of er bij het organiseren van deze evenementen voldoende rekening wordt gehouden met het publieke belang.

Normaliter komen alle opbrengsten en kosten van de productie voor rekening van de ondernemer. Bij een openlucht festival treden echter externe effecten op. Dit zijn kosten die niet worden betaald door de producent, maar worden afgewenteld op de omgeving. Omwonenden van festivals worden gedwongen om de dreunende bassen te ondergaan of hun huis te ontvluchten. Bezoekers kunnen zelfs gehoorschade oplopen. Deze maatschappelijke kosten van de geluidsoverlast zijn niet in de ticketprijs verwerkt, waardoor de kaartjes te goedkoop zijn en de animo voor deze evenementen te hoog is.

De aanwezigheid van externe effecten is de reden dat de organisator een vergunning moet aanvragen bij de gemeente. De gedachte hierachter is dat de gemeente de belangen van de omwonenden meeweegt in de beslissing om een vergunning te verlenen. De praktijk is meestal anders. De festivalorganisator heeft een groot zakelijk belang en stelt alles in het werk om een vergunning te bemachtigen. Hij zal wijzen op het economisch belang van het festival, de aantrekkingskracht op jonge mensen en het positieve effect op de uitstraling van een stad. Voor omwonenden is het individuele belang veel kleiner. Ze vinden het vervelend als de overlast zich voordoet, maar zullen niet zo gauw in actie komen. Na een dag is het weer voorbij; bezwaar maken kost tijd en energie. Ook ontbreekt een organisatie of politieke partij die het opneemt voor hun belangen. De festivalorganisator trekt dan al gauw aan het langste eind.

Bovendien werken de gemeentelijke procedures in het voordeel van de organisator. Een vergunning moet lang voordat het evenement plaats vindt worden aangevraagd. Dan kan er ook bezwaar worden gemaakt. Maar omwonenden zijn daar op dat moment niet mee bezig of niet van op de hoogte. Klagen op de festivaldag zelf heeft geen enkele zin. De milieudienst zal antwoorden dat de overlast binnen de grenzen van de vergunning valt. Dat is handhaving waar de burger niets aan heeft.

Moeten stadsbewoners de festivalterreur dan maar voor lief nemen of in een hutje op de hei gaan wonen? Dat lijkt mij niet wenselijk. Ook stadsbewoners hebben recht op een goede leefomgeving. Het Amsterdamse stadsbestuur laat dat zien met de ambitie om de stad in 2025 uitstootvrij te maken. Het zou fijn zijn als het ook de uitstoot van decibellen in de plannen opneemt. Bovendien zijn de meeste inwoners gebonden aan hun stad; zij kunnen zich geen hutje op de hei veroorloven. Willen we echt dat stilte een luxe-product wordt voor de rijke elite die het geld heeft om de geluidsoverlast te ontvluchten?

Nederland heeft zich helaas ontwikkeld tot een samenleving waarin geluidsoverlast de norm is en stilte de uitzondering. Als je in Nederland stilte wilt, moet dat worden georganiseerd. Denk aan de stiltegebieden in de natuur en de stiltecoupes in de trein. Slechts één keer per jaar, met dodenherdenking, is in Nederland de stilte de norm. Maar liefst twee minuten lang.

De echte aberratie is niet dat burgers behoefte hebben aan rust, maar dat festivals de geluidsvolumes zo hoog opschroeven dat bezoekers oordoppen meenemen om zich te beschermen. Het wordt tijd dat politici dit inzien en maatregelen treffen. Het ligt voor de hand om de geluidsnormen aan te scherpen, niet alleen om omwonenden te ontzien maar ook om een epidemie aan gehoorschade te voorkomen. Ook zou het goed zijn om festivals met harde muziek te verbannen naar afgelegen locaties. Dus liever geen festivals meer in het Kralingse bos, dat volgens de Rotterdamse gemeenteraad van 1911 bedoeld is “om aan de bevolking van Rotterdam een plaats te schenken, waar ze zich, na moeizamen arbeid, zal kunnen ontspannen in de vrije natuur.” De Maasvlakte is een prima alternatief.

Categorieën:Uncategorized

Bankenconsolidatie is te belangrijk om aan de markt over te laten

21 februari 2019 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 21 februari

Bij de presentatie van de jaarcijfers kon ING de kater van het witwasschandaal wegspoelen met mooie groeicijfers. Maar liefst één miljoen klanten had ING er in 2018 bij gekregen. Daaruit blijkt maar weer dat de financiële sector nog steeds wordt gedreven door een drang naar groei. Bij onze oosterburen wordt intussen volop gespeculeerd over het samengaan van Deutsche Bank en Commerzbank, waarmee in Duitsland een nationale bankenkampioen zou ontstaan. Een grote bank is echter niet noodzakelijkwijze een betere bank. Megabanken oefenen veel marktmacht uit en vormen een risico voor het financiële systeem. Het publieke belang is vooral gediend met veilige banken die de klant goed bedienen.

De afgelopen jaren is er in Europa veel energie gestoken in het optuigen van een bankenunie, met als resultaat dat de regelgeving en het bankentoezicht nu een Europese aangelegenheid zijn. De politiek heeft echter geen idee hoe de bankensector er binnen die bankenunie uit zou moeten zien. Ze lijkt er ook niet echt in geïnteresseerd. Ten onrechte, want ontwikkelingen binnen het bankwezen zijn te belangrijk om aan de banken zelf over te laten. Voor je het weet ontwikkelt de markt zich in een onwenselijke richting.

Wat dat betreft is Nederland ervaringsdeskundige. Tot 1990 waren Nederlandse financiële instellingen onderworpen aan het zogenaamde structuurbeleid, dat tot doel had om economische machtsconcentraties rondom banken tegen te gaan. Fusies van grote banken werden in beginsel niet toegestaan, vanwege de daaruit voortvloeiende verschraling van het bancaire aanbod. Het structuurbeleid hield de diversiteit van de sector in stand en zette het een rem op de groeidrang van bankiers. Het werd afgeschaft omdat de regering destijds van mening was dat grotere Nederlandse banken zich beter zouden kunnen redden op de interne Europese markt. Na de afschaffing volgde een periode van binnenlandse samenklontering die het systeemrisico van Nederlandse banken sterk heeft vergroot. In plaats van Europese concurrentie kreeg de consument een verschraald bankenaanbod. Bijna 30 jaar na de afschaffing van het structuurbeleid klaagt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in haar recente rapport “Geld en schuld” over het gebrek aan diversiteit in het bankenlandschap en de dominantie van de drie systeembanken. Dit is ons niet overkomen, maar een uitvloeisel van een bewuste politieke keuze om de banken vrij spel te geven.

Wat er gebeurt als we de Europese banken vrij spel geven in de bankenunie laat zich raden. Voor hen is de meest profijtelijke strategie om eerst samen te klonteren op de nationale thuismarkt, waar ze gemakkelijk kostenbesparingen kunnen realiseren en hun marktmacht ten koste van de consument kunnen vergroten. Dat proces heeft Nederland helaas al doorlopen, maar is in landen als Duitsland en Italië nog in het beginstadium. Ik verwacht dat nationale systeembanken vervolgens zullen willen fuseren om Europese megabanken te vormen, want bankiers meten hun prestige en beloning primair af aan de omvang van de bankbalans. Ook kunnen ze zo het enige echte schaalvoordeel, dat ze in de Europese markt te groot zijn om failliet te laten gaan en dus op de impliciete steun van de overheid kunnen rekenen, realiseren. Het bovenstaande scenario is in het belang van de bankiers, maar daarmee nog niet in het publiek belang.

Europa kan leren van de blunder die Nederland met de afschaffing van het structuurbeleid heeft begaan. Een Europese instantie moet de regie nemen over de marktordening binnen de bankensector en daarbij de publieke belangen bewaken. Er is dus een Europees structuurbeleid nodig. Dit betekent niet dat er niets moet veranderen. Een aantal Europese landen zijn “overbanked”, met teveel kleine en inefficiënte banken. Het zou geen kwaad kunnen als de efficiëntere middelgrote Europese banken over de grens actief worden en hun zwakkere buitenlandse broeders overnemen. Maar de randvoorwaarden hierbij moeten zijn dat de concurrentie er niet onder lijdt en dat het systeemrisico binnen de perken blijft. Op die manier kan worden gewerkt aan echte integratie van de Europese bankenmarkt, waarbij de klant baat heeft bij betere dienstverlening en de belastingbetaler niet het risico draagt van omvallende megabanken.

Categorieën:Banken

Minder risicodeling voor een stabielere eurozone

4 december 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 4 december

Moeten de eurolanden meer risico’s met elkaar delen? Veel economen vinden van wel. Een euroland dat te maken krijgt met een negatieve economische schok kan niet, zoals vroeger, de klap opvangen met een waardedaling van de eigen munt. De gemeenschappelijke munt maakt dat onmogelijk. In theorie kan meer onderlinge risicodeling tussen de eurolanden dan uitkomst bieden, bijvoorbeeld via een gemeenschappelijke begroting. Landen waar het goed gaat dragen geld af aan een pot met stabilisatiegeld, waaruit landen waar het slecht gaat financiële steun ontvangen. Deze redenering ligt ten grondslag aan de hervormingen die nu in Brussel op tafel liggen. Europese regeringsleiders beslissen deze maand over voorstellen voor een eigen begroting voor de eurozone, een Europees garantiestelsel voor banktegoeden en een hervorming van het noodfonds ESM. Op de achtergrond sluimert een Italiaanse crisis, veroorzaakt door een populistische regering die ageert tegen Europa en lak heeft aan de Europese begrotingsafspraken. Het vooruitzicht om meer risico’s te delen met onwillige partners is niet aanlokkelijk. Het is een goede reden om nog eens stil te staan bij de vraag welke risico’s we wel en niet willen delen in Europa.

Op het eerste gezicht lijkt het stabiliseren van economische schokken een goede zaak. Wie kan daar nu tegen zijn? Maar dit economisch jargon verhult meer dan het verduidelijkt. Schokken zijn er namelijk in alle soorten en maten. Sommige schokken rechtvaardigen Europese solidariteit, andere niet. Een echte schok komt onverwacht en van buitenaf, wat wil zeggen dat politici er geen invloed op hebben. De migratiecrisis is daarvan een goed voorbeeld. Griekenland en Italië worden als grenslanden onevenredig getroffen door de migratiestroom vanuit Afrika en het Midden-Oosten. Dat Europa hiervoor uit solidariteit de portemonnee trekt is goed uit te leggen aan de belastingbetaler. Hetzelfde geldt voor kernrampen, overstromingen en aardbevingen. Een politieke aardverschuiving is echter een andere zaak. Wanneer de Italiaanse kiezer een regering in het zadel helpt die de kwetsbare overheidsfinanciën verder uit het lood laat slaan en verzaakt om structurele hervormingen door te voeren, is risicodeling geen optie. Dat is niet alleen onverteerbaar voor kiezers in Noord-Europa, maar ook economisch een onverstandig idee. Als je de consequenties van slecht beleid deelt verzwak je de prikkel om het beleid te verbeteren. Wanneer Europa de rekening toch wel oppakt verslapt bij nationale regeringen de wil om pijnlijke maar noodzakelijke maatregelen te nemen.

Het oorspronkelijke hervormingsplan van de Franse president Macron omvatte een eurozonebegroting van honderden miljarden euro’s. Onder Noord-Europese invloed wordt dat bedrag substantieel teruggebracht. In de woorden van Minister van Financiën Hoekstra: van een olifant in een muis. Vanwege de geringe omvang zal de impact op de Europese economie verwaarloosbaar klein zijn. Maar het blijft een slecht plan. Als we toestaan dat er een embryonale stabilisatiepot komt, zal na verloop van tijd de roep vanuit Zuid-Europa klinken om de omvang te vergroten. Met als argument dat de pretenties van de stabilisatiepot moeten worden waargemaakt. Het is dan ook een veilige voorspelling dat de omvang van Macron’seurobegroting maar één kant op zal gaan. En dat is omhoog. Een eurozonebegroting lost echter de structurele economische problemen in landen als Italië en Griekenland niet op. Integendeel, het leidt af van de oplossing. Een stabilisatiepot geeft immers het verkeerde signaal af dat de voorspoed uit Brussel komt, in plaats van door verbeteringen van de concurrentiekracht en de kwaliteit van het openbaar bestuur op nationaal niveau.

Door hun fixatie op meer risicodeling zijn de hervormers van de eurozone blind voor de olifant in de kamer. Dat is de opeenhoping van staatsschuld op de balansen van Europese banken, waardoor Italiaanse begrotingsperikelen een directe bedreiging vormen voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Dit jaar hebben we gezien dat twijfels over de kredietwaardigheid van de Italiaanse overheid overslaan op de aandelenkoersen van Europese banken en tot onrust in de financiële markten leiden. Als het begrotingsconflict uit de hand loopt zal de eurocrisis weer oplaaien. Zo wordt heel Europa deelgenoot van een Italiaans probleem. De beste manier om de eurozone te stabiliseren is dan ook om de blootstelling van banken aan risicovolle staatsschuld drastisch te verminderen. De hervormers hebben het dus mis. Een stabielere eurozone vereist niet meer, maar minder risicodeling.

Categorieën:Uncategorized

Versoepeling bsa bevordert uitstelgedrag

7 september 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 7 september

Universiteiten zijn jarenlang door de politiek onder druk gezet om studenten sneller te laten studeren. Die tijd lijkt nu voorbij. Minister van Onderwijs Van Engelshoven vindt dat de onderwijsinstellingen studenten niet te veel moeten vermoeien. Concreet stelt zij voor de norm voor het bindend studieadvies (bsa) te maximeren op 40 studiepunten. Dit betekent dat eerstejaars studenten hun studie mogen vervolgen wanneer zij 40 van de 60 studiepunten halen.

Van Engelshoven meent dat wie tweederde van de studiepunten haalt, nooit op de verkeerde plek kan zitten. Dat klinkt redelijk, maar is het niet. Op het Gymnasium zal een scholier die tweederde van de vereiste studiepunten haalt het advies krijgen om over te stappen naar het Atheneum of de Havo. Doorgaan naar het volgende jaar is niet aan de orde. Maar wat normaal is in het vwo, dat studenten doorstromen na afronding van het voorgaande jaar, roept vreemd genoeg weerstand op in het hoger onderwijs. De prestatienorm waarmee de scholier is opgegroeid wordt overboord gegooid.

De minister beweert dat een hoge studiepunteneis stress veroorzaakt, maar een relatie tussen studiestress en de hoogte van de bsa-norm is nooit aangetoond. Een zekere mate van stress hoort bij een academische studie. Tentamens zijn stressmomenten. Veel studenten ervaren ook stress bij het schrijven van een scriptie. Maar dat is geen reden om die dan maar af te schaffen. Tijdens de studie leren studenten omgaan met deadlines en het presteren onder druk, iets waar studenten tijdens de beroepsloopbaan veelvuldig mee te maken zullen krijgen. Door studenten het tijdens de studie gemakkelijk te maken zal de overgang naar het bedrijfsleven des te moeizamer zijn. Daarnaast vergeet de minister dat studenten ook psychische problemen kunnen ondervinden wanneer ze te lang doormodderen in een opleiding waarvoor ze niet geschikt of gemotiveerd zijn. Hoe voelt het als familie en vrienden voor de zoveelste keer naar je gebrekkige studievoortgang informeren? Wat doet dat met je eigenwaarde? Als de studie niet wil vlotten, heeft de student baat bij een snelle overstap naar een andere opleiding. Een hoge bsa-norm helpt daarbij.

De minister refereert ook aan de aanpassingsproblemen van studenten bij de overgang van het vwo naar de universiteit. Opleidingen lossen deze problemen op met flankerend beleid, door bijvoorbeeld herkansingen toe te staan, een compensatieregeling te gebruiken of persoonlijke omstandigheden mee te wegen in de voortgangsbeslissing. Eerder dit jaar oordeelde de onderwijsrechter dat de hoge bsa-norm van 60 studiepunten die de Erasmus Universiteit hanteert niet onredelijk is, mede gelet op de maatregelen die de student in staat stellen de norm in één jaar te halen.

Vele goede en gemotiveerde studenten slagen er gelukkig in om het eerste bachelorjaar in één keer te halen. Voor hen is deze discussie irrelevant. Maar er zijn ook studenten die calculerend met de bsa-norm omgaan. Sommigen beginnen voortvarend aan de studie maar verslappen zodra de minimumeis in zicht is. Anderen beginnen te laat en weten met een eindspurt nog net aan de norm te voldoen. Een norm die bedoeld is als minimumeis, wordt in de praktijk een streefwaarde. Een lage bsa-norm faciliteert zo het uitstelgedrag van de student. Dat is uiteindelijk niet in zijn of haar belang. Het is niet leuk om als ouderejaars student nog eerstejaars vakken te moeten inhalen, terwijl je jaargenoten op internationale uitwisseling gaan of aan een stage beginnen. Een vliegende start van de studie is beter voor de motivatie.

De universiteiten worden niet de dupe van deze maatregel. Integendeel, als studenten hierdoor studievertraging oplopen incasseren ze meer collegegeld. Maar de student betaalt de rekening en wordt onder het sociaal leenstelsel met een hogere studieschuld opgescheept. De steun van de studentenvakbond aan de minister is dan ook moeilijk te begrijpen.

Het meest kwalijk is de boodschap die de maatregel uitstraalt. Een bsa-norm van maximaal 40 studiepunten geeft aan studenten het signaal af dat het OK is om eenderde van het eerste jaar te missen. Onderpresteren wordt immers wettelijk gesanctioneerd. Dat een bevoorrechte groep in de samenleving zo weinig wordt uitgedaagd is niet uit te leggen aan burgers die die kans niet krijgen.

Categorieën:Uncategorized