Home > Onderwijs, Uncategorized > De politiek heeft de universiteiten overvraagd

De politiek heeft de universiteiten overvraagd

Opiniebijdrage in het ND van 3 maart 2015

De toorn van de bezetters van het Maagdenhuis richt zich dezer dagen vooral op het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Dat is niet helemaal terecht. De toestand waarin het universitaire onderwijs zich nu bevindt is een uitvloeisel van keuzes die politici hebben gemaakt. Je kunt de bestuurders hooguit verwijten dat ze daar al te enthousiast aan hebben meegewerkt.

Wat wil de politiek van de universiteiten? Dat zij kwalitatief hoogwaardige opleidingen aanbieden en dat zij ervoor zorgen dat studenten snel afstuderen. Deze wensen kunnen conflicteren, zoals de InHolland affaire overduidelijk heeft aangetoond. Bovendien legt de politiek randvoorwaarden op die het extra lastig maken om kwaliteit en rendement gelijktijdig te verwezenlijken. De eerste randvoorwaarde is budgettaire krapte. De rijksbijdrage in sinds 2000 gedaald van € 19.000 naar minder dan € 14.000 per student. De tweede randvoorwaarde is dat het hoger onderwijs toegankelijk moet blijven voor de grote massa schoolverlaters. Dit betekent dat er, uitzonderingen daargelaten, niet aan de poort mag worden geselecteerd. Kortom, universiteiten moeten met steeds krappere financiële middelen grote aantallen geschikte of ongeschikte studenten zo snel mogelijk een goede academische opleiding laten afronden. Ga er maar aan staan.

Blijkbaar waren politici er niet helemaal gerust op dat de universiteiten deze Hercules-taak uit zichzelf tot een goed einde zouden brengen. Daarom is in loop der jaren een duur en complex systeem van toezicht opgetuigd. Zo houdt de Review Commissie Hoger Onderwijs toezicht op de prestatieafspraken die de instellingen met de minister hebben gemaakt, waaronder de afspraken over studievoortgang. Het toezicht op de kwaliteit van het hoger onderwijs kent zelfs een dubbele laag: de opleidingsaccreditatie en de instellingsaccreditatie (beiden onder auspiciën van de NVAO). Bestuurders ontkomen er niet aan om dit toezicht zeer serieus nemen. Niet voldoen aan de prestatieafspraken kan een onderwijsinstelling geld kosten. Een negatief kwaliteitsoordeel van de NVAO levert reputatierisico op, zeker wanneer het zonder enige nuance wordt vertaald in vette krantenkoppen.

Wat doen bestuurders wanneer ze op pad worden gestuurd met een schier onmogelijke opdracht en hard worden afgerekend wanneer het niet lukt? Ze halen krampachtig de teugels aan. Universiteitsbestuurders hebben de afgelopen jaren gestuurd op schaalvergroting en stroomlijning om de kosten omlaag te brengen. Om aan de accreditatie-eisen te voldoen zijn de interne kwaliteitscontroles toegenomen en wordt op steeds meer terreinen het beleid centraal bepaald. Zo eist de NVAO bij de instellingsaccreditatie dat de instelling een “breed gedragen visie” op de kwaliteit van het onderwijs heeft. De denkfouten die hierbij worden gemaakt is dat goed bestuur gelijk staat aan centraal beleid en dat eenheidsworst beter is dan diversiteit. Colleges van Bestuur zijn in deze centralisatietendens meegegaan omdat het hun machtspositie ten opzichte van eigenwijze wetenschappers versterkt. Het is terecht dat de bezetters van het Maagdenhuis hier vraagtekens bij plaatsen.

Een structurele oplossing van de problemen in het hoger onderwijs vraagt echter ook iets van de student zelf. De politiek moet de universiteiten niet langer opzadelen met de conflicterende doelstellingen kwaliteit en rendement. Universiteiten zouden zich puur moeten richten op het handhaven van de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek. De verantwoordelijkheid voor de studievoortgang kan dan het beste worden gelegd bij de partij die daar de meeste invloed op heeft: de student zelf. Een door de samenleving gefinancierde plek in het hoger onderwijs is een schaars goed, waar een student op een verantwoorde wijze mee moet omspringen. Helaas verwarren veel studenten academische vrijheid met vrijblijvendheid. Zo is het bekend dat de wekelijkse studie-inspanning van studenten bij de overgang van het VWO naar het WO fors daalt. Maar politici durven studenten niet aan te spreken op hun studievoortgang en hebben altijd voor de gemakkelijke weg gekozen door de universiteiten verantwoordelijk te maken voor de inspanning van de student. Dat moet en kan anders. Bijvoorbeeld door studenten die niet hun best doen de toegang tot het hoger onderwijs te ontzeggen of meer te laten betalen. Dan wordt de student de probleemeigenaar van zijn studievoortgang, in plaats van de instelling.

Zonder conflicterende doelstellingen hoeven we minder bang te zijn voor InHolland-toestanden en kan het kostbare, op wantrouwen gebaseerde toezichtcircus worden teruggesnoeid. Een College van Bestuur heeft dan nog steeds de belangrijke taak om de heterogeniteit en eigenwijsheid van de wetenschappelijke staf te koesteren en de voorwaarden te scheppen waaronder het individuele talent kan schitteren, in plaats van het ondergeschikt te maken aan een collectieve visie.

Advertenties
Categorieën:Onderwijs, Uncategorized
  1. Nog geen reacties
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s