Archief

Archive for juni, 2014

De “historische” stapjes van de ECB

“Historische stappen” noemt het Financiële Dagblad (6 juni) het monetaire verruimingspakket waartoe de ECB donderdag heeft besloten. Dat is een erg overdreven kwalificatie. De nieuwe maatregelen maken gebruik van dezelfde twee instrumenten die de ECB al gedurende de gehele crisis gebruikt: renteverlagingen en leningen aan banken. Het nieuwe zit hem in de negatieve rente op de depositofaciliteit en het feit dat de bankleningen gericht zijn op de stimulering van de kredietverlening aan het bedrijfsleven (targeted LTRO’s). Maar beide noviteiten zijn waarschijnlijk geen “game changers” in de strijd tegen deflatie en stagnatie en verdienen dan ook geen hyperbolische reactie in de pers. Het opkoopprogramma voor MKB-leningen is “in voorbereiding” en tel ik daarom nog even niet mee.

Om met de negatieve rente te beginnen, twee jaar geleden (mei 2012) stond er € 760 miljard op de depositofaciliteit van de ECB. Afgelopen maand stond er nog € 39 miljard op. Deze cijfers geven wel aan dat de importantie hiervan sterk is afgenomen. Dan de targeted LTRO’s van € 400 miljard (een veel kleiner bedrag dan de oorspronkelijke LTRO’s ruim twee jaar geleden). Op zich is het een goede zaak dat deze leningen alleen mogen worden gebruikt om de kredietverlening aan het bedrijfsleven aan te jagen. Dit voorkomt dat banken de middelen gebruiken om hun blootstelling aan staatsschuld nog verder te verhogen. Maar het is de vraag of het extra geld zal worden gebruikt. De Europese banken werken nog steeds aan hun balansherstel en proberen aan de hogere kapitaaleisen te voldoen. En het Europese bedrijfsleven is nog zwak. Balansverlenging met risicovolle bedrijfskredieten zal niet hoog op de prioriteitenlijst van bankbestuurders staan.

Twee jaar geleden waren de LTRO’s effectief in het stutten van het bankwezen en het ondersteunen van de perifere obligatiemarkten (waarbij de banken het vuile werk voor de ECB mochten opknappen). Maar de doelstelling van de TLTRO’s is veel ambitieuzer: de ECB wil hiermee de economische groei een impuls geven. Daarbij vertrouwt ze op de medewerking van een bankwezen dat nog niet is hersteld. Dat is een grote gok.

Het zou pas echt een historische stap zijn geweest als de ECB donderdag op grote schaal was gaan interveniëren in de obligatiemarkten. De casus voor kwantitatieve verruiming (QE) is sterk. Ondanks de zwakke economie wordt het eurogebied geplaagd door een te sterke euro. In de VS heeft QE de dollar verzwakt. Nu QE in de VS wordt afgebouwd, mag je verwachten dat een krachtige kwantitatieve verruiming door de ECB de euro substantieel kan verzwakken. Daarmee wordt de internationale concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven versterkt. Via stijgende importprijzen kan zo ook het gevaar van deflatie worden bestreden.

Historisch was de uitspraak van Draghi om “whatever it takes” te doen om de euro te redden. Historisch zou ook het doorbreken van het Europese taboe op kwantitatieve verruiming met staatsobligaties zijn. Wat we donderdag hebben gezien waren slechts twee nieuwe stapjes op gebaande paden.

Advertenties

Leenstelsel moet niet tot meer bijbaantjes leiden

Wie wil er nu niet een studievoorschot? Na het akkoord over de hervorming van de studiefinanciering is Minister Bussemaker alvast begonnen om met semantische middelen de leenangst onder studenten te bestrijden. Een voorschot klinkt nu eenmaal een stuk symphatieker dan een lening. Tegelijkertijd wekt ze hoge verwachtingen over de verbeteringen in de onderwijskwaliteit die met deze hervorming kunnen worden gefinancierd. De studenten zijn echter niet onder de indruk en blijven fel ageren tegen de afschaffing van de basisbeurs. Zo schrijft de studentenvakbond LSVb op haar website: “Het is onvoorstelbaar hoe de overheid tegen beter weten in jonge mensen in de schulden jaagt.”

Beide partijen overdrijven schromelijk. Eerst de LSVb. Die windt zich op over een extra studieschuld van € 15.000 die in 35 (!) jaar mag worden terugbetaald onder zeer zachte voorwaarden. In een land waarvan de inwoners zich tot voor kort massaal in de aflossingsvrije tophypotheken stortten, kun je je nauwelijks voorstellen dat slimme jonge mensen zich hierdoor laten afschrikken om hoger onderwijs te volgen. Hadden we voorafgaand aan de kredietcrisis maar wat meer leenangst in Nederland gehad. Toen deed het ertoe. Uitgesmeerd over 35 jaar gaat het in dit geval echter over een relatief geringe verhoging van de maandlasten voor mensen die het kunnen betalen.

Dan de minister. Bussemaker schetst graag een utopisch toekomstbeeld, waarin het onderwijs beter en uitdagender wordt, met meer contacturen, intensievere begeleiding en een beloning voor wetenschappers die goed college geven. Maar het is zeer de vraag of zij dit kan waarmaken. In de komende drie jaar investeren de onderwijsinstellingen € 200 miljoen extra. Dat is € 300 euro per student. Met dit bedrag kunnen de instellingen op zijn best 6 luttele uurtjes extra individuele aandacht per jaar betalen. Op termijn loopt deze investering op naar maximaal € 1 miljard. Bij een gelijkblijvend aantal studenten zou dit neerkomen op € 1500 per student. Dat is al een stuk beter, maar ook hier is enige relativering op zijn plaats. De universitaire koepelorganisatie VSNU heeft berekend dat de rijksuitgaven per student zijn gedaald van € 19.000 in 2000 naar € 13.000 in 2013. Deze sterke daling houdt verband met de explosieve stijging van de studentenaantallen waarmee de overheidsbekostiging geen gelijke tred heeft gehouden. De investeringimpuls van Bussemaker compenseert slechts een gedeelte van deze achteruitgang. Nadat politici de onderwijsinstellingen jarenlang op zwart zaad hebben laten zitten, mogen ze nu geen wonderen verwachten van een kleine financiële reparatie. Dit neemt niet weg dat elke cent extra welkom is bij de overbelaste onderwijsinstellingen. En dan zou het mooi zijn als het geld rechtstreeks naar het onderwijs toevloeit en niet opgaat aan nieuwe regeldruk vanuit het ministerie. Het bureaucratisch monster is al meer dan genoeg gevoed in de afgelopen jaren, met de introductie van de overbodige instellingsaccreditatie en de prestatieafspraken.

Hoe wenselijk extra investeringen in het hoger onderwijs ook zijn, de inzet van de student zèlf is allesbepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. Wetenschappers kunnen doceren, motiveren en inspireren, maar zonder een aanzienlijke tijdsinvestering in zelfstudie van de kant van de student hebben al deze inspanningen weinig zin. Een belangrijke vraag is dan ook welk effect het leenstelsel zal hebben op de studieinspanning. Dat is niet met zekerheid te zeggen en kan twee kanten op. In het gunstigste geval zullen studenten zich meer dan voorheen realiseren dat ze het beste moeten halen uit hun eigen investering in tijd en geld. Dit zou betekenen dat ze een betere studiekeuze maken en zich vanaf dag 1 volledig inzetten voor hun studie.

Maar het is ook denkbaar dat studenten, bang gemaakt door de LSVb, de afschaffing van de basisbeurs proberen te compenseren met een uitbreiding van hun bijbaantjes. Dit kan ertoe leiden dat studenten minder uren gaan besteden aan hun studie. In dit scenario vallen al die extra investeringen in begeleiding en meer contacturen op een onvruchtbare bodem. Uitdagend onderwijs is immers onmogelijk als de student van het ene naar het andere bijbaantje holt. Idealiter zou de overheid daarom flankerend fiscaal beleid moeten introduceren om studentenbaantjes te ontmoedigen. Dit kan bijvoorbeeld door de heffingskorting voor studenten te schrappen, zoals eerder bepleit door collega Borghans van de Universiteit Maastricht.

Ook al biedt het leenstelsel geen garantie op een hogere onderwijskwaliteit, toch is het een stap in de goede richting. Hogeropgeleiden hebben over het algemeen veel baat van hun diploma. Aan hen mag best een hogere investering worden gevraagd. Maar voor een effect op de onderwijskwaliteit is het vooral van belang dat studenten niet alleen meer geld, maar ook meer tijd in hun studie stoppen.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized