Home > Banken, Uncategorized > De verkeersvergelijking van Fransman

De verkeersvergelijking van Fransman

In zijn polemiek tegen hogere kapitaaleisen haalt Robin Fransman een variant van de verkeersvergelijking van Fisher van stal. Ik citeer de relevante passage uit zijn column:

Het nationale inkomen is gelijk aan de geldhoeveelheid maal de omloopsnelheid. In middelbare school economie: Y = M * V.

De gemiddelde omloopsnelheid is op de wat langere termijn tamelijk constant en groei van de geldhoeveelheid moet dan ook, opnieuw over de lange termijn, ongeveer gelijk zijn aan de nominale groei van de economie. Als we de lange termijn inflatie gelijk houden aan het ECB mandaat, 2%, en de groei rond de 1% is een groei van de geldhoeveelheid van 3% nodig. De bankbalansen moeten dus, opnieuw, op de lange termijn, met 3% per jaar groeien.

Fransman stelt dus de groei van de geldhoeveelheid gelijk aan de groei van het bancaire balanstotaal. Ook veronderstelt hij een constante omloopsnelheid. Met deze twee veronderstellingen valt de verkeersvergelijking van Fransman af te leiden:

Y = BB * V(BB)

Het nominaal inkomen is gelijk aan het balanstotaal van banken (BB) maal de omloopsnelheid van dat balanstotaal (V(BB)). Bij een constante omloopsnelheid volgt een één-op-één relatie tussen de groei van het nominaal inkomen en de groei van het bancaire balanstotaal. De impliciete boodschap van Fransman is duidelijk: als je aan het balanstotaal van banken komt, kom je aan de economie!

Ik weet niet of Fransman zijn verkeersvergelijking aan eigen empirische toetsing heeft onderworpen. Wat ik wel weet is dat zijn veronderstellingen weinig steun vinden in de empirische monetaire economie.

Laten we beginnen met de omloopsnelheid. Er bestaat een omvangrijke literatuur waarin de stationariteit en de stabiliteit van de omloopsnelheid (en daaraan gerelateerd de geldvraagfunctie) wordt getest. Met gemengde resultaten natuurlijk. Maar er bestaat absoluut geen consensus dat de omloopsnelheid op de wat langere termijn tamelijk constant is. Niet-stationariteit (dit is econometrisch jargon voor het ontbreken van een constant lange termijn gemiddelde) van de omloopsnelheid wordt vaak gevonden. Ook is het bekend dat trends in de omloopsnelheid samenhangen met o.a. veranderingen in de structuur van de financiële sector. Geen middelbare school economie, maar wel relevant.

De geringe stabiliteit van de omloopsnelheid is dan ook een reden om heel voorzichtig te zijn met het gebruik van de verkeersvergelijking in het monetair beleid (of in columns). Dat volgt ook uit de aard van de vergelijking: het is in wezen niets meer dan een definitie van de omloopsnelheid. Als je hier iets mee wil moet je er een valide theorie over de vraag naar geld (of de vraag naar bancair balanstotaal) aan koppelen. De verkeersvergelijking van Fransman ontbeert zo’n theorie.

Dan de gelijkstelling van geldgroei aan de groei van de bankbalansen. Het is heel jammer dat Fransman zijn verkeersvergelijking niet dertig jaar geleden heeft uitgevonden. Als die toen de basis zou zijn geweest voor het economisch beleid zou de Nederlandse economie nu niet opgescheept zitten met zo’n financieel waterhoofd. Dan zou er geen geklaag zijn geweest over het depositofinancieringsgat en zou er minder ruimte zijn geweest voor rommelbeleggingen, buitenlandse avonturen en het opblazen van het hypotheekvolume (en de huizenprijzen) met fiscaal vriendelijke constructies. Dan hadden banken zich kunnen beperken tot wat ook volgens Fransman hun primaire functie is: de ondersteuning van de reële economie.

Maar zoals we weten ging in de decennia voorafgaand aan de crisis de verkeersvergelijking van Fransman niet op. De groei van de bankbalansen was een veelvoud van de geldgroei. Via vermogenseffecten kwam die groei zeker ook terecht in het nominaal inkomen. Maar na het uiteenspatten van de huizenzeepbel zitten we nog steeds met de kater.

Zoals alle bankiers kijkt Fransman niet graag achteruit. De blik is naar voren gericht, de banken moeten hun groeipad weer hervinden. De verkeersvergelijking van Fransman geeft de pseudo-wetenschappelijke onderbouwing.

Ik denk dat Nederlandse banken nog veel ruimte hebben om hun balansen te laten krimpen, zonder dat dat meteen ten koste van de reële economie in Nederland hoeft te gaan. Het vereist wel dat bankiers hun groeiambities de baas blijven, secundaire activiteiten afstoten en werk maken van hun primaire functie. Een kleiner balanstotaal maakt het vervolgens ook veel gemakkelijker om aan een hogere kapitaaleis te voldoen.

Advertenties
Categorieën:Banken, Uncategorized
  1. Nog geen reacties
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s