Archief

Archive for februari, 2014

Eerste hulp bij geldvraagonderzoek (reactie op Fransman)

10 februari 2014 Plaats een reactie

Lang geleden ben ik gepromoveerd op een proefschrift over Europees monetair beleid, met daarin o.a. een paper over de vermeende stabiliteit van de Europese geldvraag. Ik vind het nog steeds een leuk onderwerp, en heb er sindsdien nog wel eens over gepubliceerd (laatstelijk met Sebastiaan Roelands in het Journal of Macroeconomics).

Dan is het altijd leuk om te merken dat ook anderen geïnteresseerd raken in dit ietwat esotere onderwerp. Na mijn vorige blog is Robin Fransman op zoektocht gegaan in de wondere wereld van het Europese geldvraagonderzoek. Hij heeft één oud paper gevonden en kan dus wel wat hulp gebruiken. Bij deze.

Mijn eerste suggestie aan hem is om niet alleen te googlen op omloopsnelheid (“velocity”), maar ook op geldvraag (“money demand”). Een empirische specificatie voor de omloopsnelheid is namelijk een speciaal geval van een geldvraagfunctie (nl met inkomenselasticiteit=1). De meeste economen schatten tegenwoordig de inkomenselasticiteit en stellen hem niet op voorhand gelijk aan 1. De term omloopsnelheid kom je dus niet zo vaak meer tegen. Als je in google scholar “money demand M3 euro” intikt kom je meer papers over het onderwerp tegen dan je lief is. En ook papers van recentere datum. Probeer het maar eens.

Wel leuk overigens dat die steekproef van één studie uit 2002 meteen een trendmatig dalende omloopsnelheid oplevert. Dit zou bevestigen dat de omloopsnelheid niet “tamelijk constant” is, zoals Fransman in zijn eerste blog beweerde. Niet dat ik veel waarde hecht aan die ECB studie. Mijn tweede suggestie is namelijk om alle studies die vlak na de introductie van de euro zijn verschenen meteen in de prullenbak te gooien (dus ook het ECB paper uit 2002). Die deugen methodologisch niet. Ze gebruiken namelijk kunstmatig geaggregeerde data uit het pre-euro tijdperk om de vraag naar euro’s te schatten. Ja, zo zot kan wetenschappelijk onderzoek soms zijn.

Mijn derde suggestie is om je in je literatuuronderzoek te focussen op geldvraagstudies die ook vermogensprijzen (huizenprijzen) als extra verklarende variabelen opnemen om de geldvraag stabiel te krijgen. Dit soort studies is in het algemeen het beste in staat om de monetaire overhang voorafgaand aan de crisis te verklaren. Ik vind die studies inhoudelijk ook bevredigender dan studies die met ingewikkelde econometrische kunsten een geldvraagfunctie stabiel krijgen (Duitse econometristen hebben daar een handje van. Die willen koste wat ’t kost de geldvraag stabiel krijgen. Heimwee naar Bundesbank-beleid, denk ik dan altijd). Als beleidsmaker heb je er overigens niet zoveel aan als je de monetaire overhang alleen ex-post kunt duiden. Mosterd na de maaltijd. Beleid is real-time.

Mijn vierde suggestie is om het ECB persbericht uit 1998 met een flinke schep zout nemen. De monetaire pijler met de referentiewaarde van 4.5% voor M3 had geen enkele solide basis in empirisch onderzoek (kon ook niet, want de euro bestond in 1998 nog niet!). De functie hiervan was puur politiek. De Bundesbank was altijd een sterk voorstander geweest van een geldhoeveelheidsbeleid. Met de monetaire pijler kon enige beleidsconituïteit worden gesuggereerd. Rouwverwerking voor de Bundesbank, dus. Verder heeft de ECB zich in de beginjaren weinig van de monetaire pijler aangetrokken, getuige het feit dat de geldgroei vrijwel steeds hoger lag dan de referentiewaarde.

Dus ik blijf bij mijn stelling dat de geringe stabiliteit van de omloopsnelheid een reden is om heel voorzichtig te zijn met het gebruik van de verkeersvergelijking in het monetair beleid (of in columns). Daar is heel veel evidentie voor in de literatuur (over blindheid gesproken…). Hiermee wil ik overigens niet zeggen dat geld onbelangrijk is. Integendeel. Maar de relatie met de reële economie is complex en instabiel.

Ik sluit graag af met een citaat van Charles Goodhart, mijn favoriete monetaire econoom, uit dit paper:

“No sooner had all the empirical research work been done to demonstrate how stable would be the demand for M3 function in the eurozone, than it all broke down badly in 2001-2005.”

Advertenties
Categorieën:Banken, Uncategorized

De verkeersvergelijking van Fransman

9 februari 2014 Plaats een reactie

In zijn polemiek tegen hogere kapitaaleisen haalt Robin Fransman een variant van de verkeersvergelijking van Fisher van stal. Ik citeer de relevante passage uit zijn column:

Het nationale inkomen is gelijk aan de geldhoeveelheid maal de omloopsnelheid. In middelbare school economie: Y = M * V.

De gemiddelde omloopsnelheid is op de wat langere termijn tamelijk constant en groei van de geldhoeveelheid moet dan ook, opnieuw over de lange termijn, ongeveer gelijk zijn aan de nominale groei van de economie. Als we de lange termijn inflatie gelijk houden aan het ECB mandaat, 2%, en de groei rond de 1% is een groei van de geldhoeveelheid van 3% nodig. De bankbalansen moeten dus, opnieuw, op de lange termijn, met 3% per jaar groeien.

Fransman stelt dus de groei van de geldhoeveelheid gelijk aan de groei van het bancaire balanstotaal. Ook veronderstelt hij een constante omloopsnelheid. Met deze twee veronderstellingen valt de verkeersvergelijking van Fransman af te leiden:

Y = BB * V(BB)

Het nominaal inkomen is gelijk aan het balanstotaal van banken (BB) maal de omloopsnelheid van dat balanstotaal (V(BB)). Bij een constante omloopsnelheid volgt een één-op-één relatie tussen de groei van het nominaal inkomen en de groei van het bancaire balanstotaal. De impliciete boodschap van Fransman is duidelijk: als je aan het balanstotaal van banken komt, kom je aan de economie!

Ik weet niet of Fransman zijn verkeersvergelijking aan eigen empirische toetsing heeft onderworpen. Wat ik wel weet is dat zijn veronderstellingen weinig steun vinden in de empirische monetaire economie.

Laten we beginnen met de omloopsnelheid. Er bestaat een omvangrijke literatuur waarin de stationariteit en de stabiliteit van de omloopsnelheid (en daaraan gerelateerd de geldvraagfunctie) wordt getest. Met gemengde resultaten natuurlijk. Maar er bestaat absoluut geen consensus dat de omloopsnelheid op de wat langere termijn tamelijk constant is. Niet-stationariteit (dit is econometrisch jargon voor het ontbreken van een constant lange termijn gemiddelde) van de omloopsnelheid wordt vaak gevonden. Ook is het bekend dat trends in de omloopsnelheid samenhangen met o.a. veranderingen in de structuur van de financiële sector. Geen middelbare school economie, maar wel relevant.

De geringe stabiliteit van de omloopsnelheid is dan ook een reden om heel voorzichtig te zijn met het gebruik van de verkeersvergelijking in het monetair beleid (of in columns). Dat volgt ook uit de aard van de vergelijking: het is in wezen niets meer dan een definitie van de omloopsnelheid. Als je hier iets mee wil moet je er een valide theorie over de vraag naar geld (of de vraag naar bancair balanstotaal) aan koppelen. De verkeersvergelijking van Fransman ontbeert zo’n theorie.

Dan de gelijkstelling van geldgroei aan de groei van de bankbalansen. Het is heel jammer dat Fransman zijn verkeersvergelijking niet dertig jaar geleden heeft uitgevonden. Als die toen de basis zou zijn geweest voor het economisch beleid zou de Nederlandse economie nu niet opgescheept zitten met zo’n financieel waterhoofd. Dan zou er geen geklaag zijn geweest over het depositofinancieringsgat en zou er minder ruimte zijn geweest voor rommelbeleggingen, buitenlandse avonturen en het opblazen van het hypotheekvolume (en de huizenprijzen) met fiscaal vriendelijke constructies. Dan hadden banken zich kunnen beperken tot wat ook volgens Fransman hun primaire functie is: de ondersteuning van de reële economie.

Maar zoals we weten ging in de decennia voorafgaand aan de crisis de verkeersvergelijking van Fransman niet op. De groei van de bankbalansen was een veelvoud van de geldgroei. Via vermogenseffecten kwam die groei zeker ook terecht in het nominaal inkomen. Maar na het uiteenspatten van de huizenzeepbel zitten we nog steeds met de kater.

Zoals alle bankiers kijkt Fransman niet graag achteruit. De blik is naar voren gericht, de banken moeten hun groeipad weer hervinden. De verkeersvergelijking van Fransman geeft de pseudo-wetenschappelijke onderbouwing.

Ik denk dat Nederlandse banken nog veel ruimte hebben om hun balansen te laten krimpen, zonder dat dat meteen ten koste van de reële economie in Nederland hoeft te gaan. Het vereist wel dat bankiers hun groeiambities de baas blijven, secundaire activiteiten afstoten en werk maken van hun primaire functie. Een kleiner balanstotaal maakt het vervolgens ook veel gemakkelijker om aan een hogere kapitaaleis te voldoen.

Categorieën:Banken, Uncategorized

Op naar de derde studiekeuze

6 februari 2014 1 reactie

In mijn vorige blog beweerde ik dat de studiekeuze te vrijblijvend is en dat studenten te vaak mogen falen. Na een negatief bindend studieadvies moet een student zijn opleiding staken, maar daarmee komt er nog geen einde aan zijn studentenleventje. Hij kan zich immers probleemloos bij een andere opleiding inschrijven. Een groep studenten wordt zo als een hete aardappel doorgegeven van opleiding naar opleiding, zonder dat iemand hen uit hun academisch lijden verlost.

Aan de Erasmus School of Economics hebben we ooit een student gehad die na een negatief bsa bij Economie vervolgens heeft geproefd aan de opleidingen Bedrijfskunde, Bestuurskunde en Fiscaal Recht, alvorens zich opnieuw in te schrijven bij Economie (dat mag weer 3 jaar na een negatief bsa). Zoveel trouw aan de eerste liefde is hartverwarmend, ware het niet dat deze student bij de tweede poging opnieuw geen studiepunten haalde. Een “two strikes and you’re out”-regel had kunnen voorkomen dat deze student zijn tijd zo zou hebben verlummeld.

Nu is dit een extreem geval dat weliswaar tot de verbeelding spreekt, maar daarmee nog niet meteen een maatschappelijk probleem vormt (al is elke student die zo’n roemloos academisch cv opbouwt er één teveel). Hoe groot is de groep studenten die herhaald de verkeerde keuze maakt of te weinig inzet laat zien? Bij mijn weten is hier nog geen systematisch onderzoek naar gedaan. Maar op basis van enkele observaties vanuit de ESE kan ik er wel iets over zeggen.

Elke jaar maken circa 50 studenten de overstap van Bedrijfskunde naar Economie. In omvang is dit voor de ESE een niet-triviale groep (ca. 7% van de populatie). In bijna alle gevallen hebben deze studenten bij Bedrijfskunde een negatief bsa ontvangen. Inhoudelijk gezien is deze overstap vreemd. Economie staat bekend als een studie die pittiger is dan Bedrijfskunde (vooral door een intensiever gebruik van wiskunde). Als het niet lukt bij Bedrijfskunde, dan is de kans groot dat het ook niet lukt bij Economie. Hier is voldoende evidentie voor. De slaagkans bij Economie na een negatief bsa bij Bedrijfskunde is zeer laag. Het is ongeloofwaardig dat een student die al een jaar rondloopt op de campus dit niet weet. Maar goed, een paar jaar geleden zijn we deze groep toch pro-actief gaan benaderen om de overstap te ontraden. We zijn er echter snel mee gestopt. Het was volstrekt ineffectief was. Deze groep studenten bleef volharden in hun foute keuze. Waarom? Dat is moeilijk te zeggen. Wellicht heeft het te maken hebben met een fixatie op een bepaald loopbaanperspectief of met verliesaversie. Of ze weten niet wat ze moeten doen en kiezen dus maar iets wat zo dicht mogelijk bij de eerste keuze ligt.

Dit jaar is er wederom een groep studenten overgestapt van Bedrijfskunde naar Economie. De grafiek hieronder geeft de voortgang na twee onderwijsperioden. De studenten hadden tot nu toe maximaal 24 credits kunnen halen; meer dan 60% van deze overstappers haalt echter 4 credits of minder. De tweede studiekeuze pakt in deze gevallen niet veel beter uit dan de eerste. Als deze studenten hadden geweten dat dit hun laatste kans was op een academische opleiding hadden ze wellicht een makkelijkere studie gekozen of harder gewerkt. Nu staan ze volgend jaar voor hun derde studiekeuze.

overstappers

Gelukkig zijn er ook een paar overstappers die wel het juiste spoor hebben gevonden. Van de 8 studenten die alle 24 credits hebben gehaald hadden er overigens 7 Wiskunde B op het VWO (maar dat is een ander onderwerp).

Gerelateerde artikelen:

Ivo Arnold en Wouter van den Brink, Naar een effectiever bindend studieadvies, THEMA, 2010, nr. 5.

Ivo Arnold en Wietske Rowaan, Hoe voorkomen we dat studenten met een negatief BSA wederom een verkeerde studie kiezen, Onderzoek van Onderwijs, juni 2011.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Goede studiekeuze is geen substituut voor hard werken

4 februari 2014 1 reactie

Opiniebijdrage in het ND van 4 februari 2014

Het afgelopen weekend mocht ik scholieren en hun ouders voorlichten over de opleiding Economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dat is een dankbare taak. Voor jonge mensen is een goede studiekeuze immers van groot belang voor hun ontwikkeling en loopbaanperspectief. Het is bekend dat scholieren die zich vroeg en goed oriënteren op hun vervolgopleiding een betere kans van slagen hebben dan scholieren die ongeïnformeerd of ongeïnteresseerd een last-minute keuze maken.

Om de studiekeuze verder te verbeteren heeft minister Bussemaker een aantal maatregelen opgenomen in de nieuwe onderwijswet “Kwaliteit in Verscheidenheid”, die dit jaar in werking treedt. De aanmeldingsdatum voor opleidingen is vervroegd naar 1 mei en iedere aankomende student krijgt het recht op een studiekeuzeactiviteit en een studiekeuzeadvies. Een wet vol goede bedoelingen om de matching tussen student en opleiding te verbeteren. Maar zal hiermee de hoge studieuitval in het hoger onderwijs substantieel worden teruggedrongen?

Ik denk van niet. De nieuwe wet is daarvoor veel te vrijblijvend. De universiteiten worden door de minister op kosten gejaagd om studiekeuzeactiviteiten te organiseren. Maar als het studiekeuzeadvies negatief is mogen scholieren niet worden geweigerd. Een onbegrijpelijke weeffout in de wet.

De vrijblijvendheid in het hoger onderwijsbestel gaat verder. Nederlandse studenten hebben onbeperkte mogelijkheden om te wisselen van studie. Bij onvoldoende studievoortgang kan een opleiding de student een negatief bindend studieadvies geven, waardoor de student die opleiding niet kan vervolgen. Maar geen nood. Een nieuwe studie, een nieuwe kans. Zo doolt er in het hoger onderwijs een groep studenten rond van opleiding naar opleiding, zonder kans op snel afstuderen. Deze ongebreidelde vrijheid om over te stappen leidt niet alleen tot een verkwisting van tijd en geld, maar ondermijnt ook pogingen om de studiekeuze te verbeteren. Als overstappen zo gemakkelijk gaat, is de prikkel om goed te kiezen zwak. Je kunt een studie vrijblijvend uitproberen. Als het niet bevalt doe je volgend jaar iets anders.

De oorzaak van de hoge studieuitval onder eerstejaars studenten ligt in een combinatie van een slechte studiekeuze en een ondermaatse studieinspanning. Politici hebben een voorkeur voor de eerste verklaring. De student hoeft dan niet te worden aangesproken op zijn gebrekkige inspanning. Dat is iets wat politici niet graag doen, want ze willen de studentenlobby niet tegen zich in het harnas jagen. Het falen van de student wordt zo gemakshalve gereduceerd tot een verkeerde studiekeuze.

Hoe belangrijk de studiekeuze ook is, de eenzijdige nadruk hierop als middel tegen studieuitval riskeert dat er een verkeerde boodschap wordt uitgezonden aan jonge mensen. Die verkeerde boodschap luidt dat als je een studie kiest die bij je past of die je “leuk” vindt het allemaal wel goed komt. En mocht het desondanks niet lukken dan heb je blijkbaar toch de verkeerde studie gekozen. Zo’n boodschap maakt het externaliseren van falen wel heel erg gemakkelijk en doet de werkelijkheid van studeren geweld aan. Afgezien van een enkele pretstudie, komt het in vrijwel elke universitaire opleiding aan op inzet, discipline en doorzettingsvermogen. Ik sluit me dan ook graag aan bij wat lerarenopleider Ton van Haperen in het NRC van 25 januari schreef: “Zeker in het eerste jaar is niet de belangstelling, maar de succeservaring de motor achter motivatie. De student die tentamens haalt gaat door. Stop daarom met soul searching. Leer kinderen liever hard werken op school”.

Het is voor politici heel gemakkelijk om universiteiten op te dragen om vrijblijvende studiekeuzeactiviteiten te organiseren. Ze vinden het veel moeilijker om de prikkels voor studenten te versterken om harder te werken. Wie herinnert zich niet hoe in 2012 in het zicht van de verkiezingen de langstudeerdersboete sneuvelde? De stem van de student kon niet worden gemist. Toch is het nodig om het probleem van studieuitval terug te leggen bij de student.

Een eenvoudige maatregel om zowel de reflectie op de studiekeuze alsook de prikkel om te studeren te versterken, is om studenten die twee keer een negatief bindend studieadvies hebben gekregen de verdere toegang tot het hoger onderwijs te ontzeggen. Zo’n “two strikes and you’re out”-regel staat toe dat de student één keer een ongelukkige start kent, maar maakt een einde aan de huidige tolerantie voor herhaalde verkeerde keuzes of te weinig inzet. Deze maatregel zou ook klip en klaar maken dat bij de bevoorrechte status als student niet alleen rechten maar ook plichten horen.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized