Archief

Archive for januari, 2014

Spetterende studievoorlichting

26 januari 2014 9 reacties

De opiniebijlage van het NRC stond dit weekend in het teken van de studiekeuze. Een actueel thema, aangezien de nieuwe wet “Kwaliteit in Verscheidenheid” universiteiten dit jaar voor het eerst verplicht om aankomende studenten studiekeuzeactiviteiten aan te bieden.

In een eerdere blog heb ik me hierover met enige scepsis uitgelaten. De universiteiten worden door de minister op kosten gejaagd terwijl het studiekeuzeadvies vrijblijvend is. Als scholieren zich maar ergens vóór 1 mei inschrijven kan een opleiding ze immers niet weigeren, of de studiekeuzeactiviteit nu positief of negatief uitpakt. Een onbegrijpelijke weeffout in de wet.

Dit is vooral een manco wanneer je studieuitval goed kunt voorspellen, zoals bij de studie economie. Door een oudere weeffout in ons onderwijsbestel bevat het vakkenpakket in het VWO-profiel Economie & Maatschappij – het profiel dat is ontworpen om scholieren goed voor te bereiden op een economische vervolgstudie – een inferieure vorm van wiskunde (wiskunde A ipv wiskunde B). Deze sluit niet goed aan op de wiskunde die nodig is voor economie. Scholieren met een natuurprofiel op het VWO (met wiskunde B) hebben daardoor ironisch genoeg een veel hogere kans om voor hun studie economie te slagen dan scholieren die het “passende” profiel hebben gekozen (zie ook dit ESB- artikel).

Hoe erg het aansluitingsprobleem is wordt nog eens geïllustreerd door onderstaande grafiek. Het gaat om de laatste lichting eerstejaars economiestudenten die het VWO (E&M profiel) met een 6 voor wiskunde A hebben afgerond. De grafiek geeft de cijferverdeling voor het eerste wiskundevak dat ze in september 2013 aan de Erasmus School of Economics volgden. Een slachting: het gemiddelde is een 3,5; minder dan 10% van deze groep slaagt voor het vak. Deze studenten zijn bij aanvang al kansloos. De opleiding wist het, de student is in de voorlichting hiervoor gewaarschuwd, maar de minister staat niet toe dat de opleiding de student weigert. De fictie dat het VWO een goede voorbereiding biedt moet blijkbaar in stand worden gehouden.

 
6voorwiskundeA

In het NRC wordt spottend gesproken over de “spetterende studievoorlichting”
waarmee opleidingen studenten proberen te lokken. Saar van Veelen heeft het in haar bijdrage over “glimmende brochures, gratis condooms en flitsende presentaties”. Aanstaande zaterdag is de open dag bij de Erasmus School of Economics. Ik zal er geen condooms uitdelen maar bovenstaande grafiek laten zien. Demarketing noemen ze dat. Mijn grootste angst is dat het niet werkt. Dat zichzelf overschattende scholieren denken dat het gemiddelde niet op hen van toepassing is en dat zij de uitzondering zijn in de rechterstaart van de verdeling. Deze studenten zouden tegen zichzelf beschermd moeten worden. Maar de minister staat dat niet toe.

Advertenties
Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Knip de navelstreng tussen banken en overheden helemaal door

7 januari 2014 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 7 januari 2014

De belastingbetaler mag niet langer opdraaien voor problemen bij banken. Onder dit motto hebben Europese regeringsleiders op de valreep naar het nieuwe jaar weer een paar stappen richting de bankenunie gezet. Nadat eerder de regie over het bankentoezicht bij de ECB was gelegd, zijn er nu een aantal compromissen gesloten over een afwikkelingsmechanisme en een afwikkelingsfonds. Hiermee wordt geregeld hoe een probleembank wordt opgedoekt of gesaneerd en wie de kosten daarvan voor zijn rekening neemt. Volgens het “bail-in” principe draaien eerst de aandeelhouders en de obligatiehouders op voor de verliezen. Daarna is het de beurt aan het afwikkelingsfonds van € 55 miljard, dat zal worden gevuld vanuit de financiële sector zelf.

Kritiek is er ook. Vrij algemeen is de kritiek dat de besluitvorming rond het opdoeken van een bank veel te complex is gemaakt. Er praten meer dan 100 bestuurders mee voordat er een knoop kan worden doorgehakt. In een crisissituatie is dat onwerkbaar. Verder is er kritiek op de geringe omvang van het afwikkelingsfonds en de nog beperkte risicodeling tussen Europese landen.

Of hiermee het bankwezen bestand is tegen een nieuwe systeemcrisis blijft een open vraag. Met de nieuwe regels hebben overheden en toezichthouders in ieder geval meer instrumenten in handen dan voorheen. Maar durven ze straks ook echt de grote banken aan te pakken en de verliezen bij de kapitaalverschaffers te leggen of kiezen toezichthouders als het puntje bij paaltje komt toch weer voor pappen en nathouden? We weten het niet. Dit neemt niet weg dat er een aantal belangrijke stappen in de juiste richting is gezet. De kans dat problemen bij banken overslaan op de nationale overheden is kleiner geworden.

De eenzijdige retoriek van Europese ministers van Financiën over de bescherming van de belastingbetaler gaat echter voorbij aan het feit dat het besmettingsgevaar tussen banken en overheden wederzijds is. Tijdens de eurocrisis sloegen problemen ook over van overheden op banken. De Griekse en Cypriotische banken kwamen in moeilijkheden omdat ze teveel Griekse staatsschuld op hun balans hadden staan. En aan dat probleem is nog niets gedaan. Sterker nog, de Europese Bankenautoriteit – de EBA – constateert in een recent rapport dat de blootstelling van banken aan staatsschuld weer is toegenomen.

Voor de meerderheid van de door de EBA onderzochte banken geldt dat zij meer dan 100% van hun kapitaal hebben uitstaan aan de eigen overheid. Met andere woorden, als de overheid in de problemen komt, wordt de bank meegesleurd. Het bankentoezicht kent een regel die moet voorkomen dat banken al hun eieren in hetzelfde mandje stoppen: banken mogen maximaal 25% van hun kapitaal aan één enkele debiteur hebben uitstaan. Maar overheden hebben zichzelf gemakshalve uitgezonderd van deze prudente regel. Het komt ministers van Financiën wel goed uit dat banken onbeperkt in staatsobligaties mogen beleggen. Helaas blijft zo de ongezonde verwevenheid tussen banken en overheden in stand.

Het zou veel beter zijn als ook de blootstelling van banken aan een overheid zou worden gemaximeerd op 25% van het eigen vermogen. Het maakt het financiële stelsel stabieler en beperkt de mogelijkheden van landen als Griekenland om het Europese financiële stelsel te gijzelen. Je kunt immers met een geruster hart een land failliet laten gaan als je weet dat er geen banken worden meegesleurd. Het afsluiten van de gemakkelijke toegang van overheden tot bankfinanciering versterkt ook de discipline die de financiële markten opleggen aan overheden en prikkelt politici om een geloofwaardig financieel-economisch beleid te voeren. Banken kunnen daarnaast zich beter richten op hun primaire taak, de kredietverlening aan bedrijven die geen rechtstreekse toegang tot de financiële markten hebben. Voor het beleggen in staatsobligaties is geen bank nodig, dat kunnen beleggers zelf ook wel, rechtstreeks of via beleggingsfondsen.

Maar misschien wel het belangrijkste argument voor een substantiële beperking van de afhankelijkheid van overheden van bankfinanciering is dat het een belangenconflict oplost. Vanuit het publieke belang kan het soms nodig zijn dat overheden een streng beleid ten opzichte van de bankensector voeren. Tegelijkertijd zijn veel overheden afhankelijk van de bereidwilligheid van banken om staatsobligaties aan te houden, zeker in tijden van stress in de financiële markten. Dat gaat moeilijk samen. Het is zeker niet denkbeeldig dat overheden vanwege deze afhankelijkheid banken niet al te hard durven aan te pakken. Je bijt immers niet de hand die je voert.

In een recent interview in de Financial Times liet ECB-bestuurder Peter Praet doorschemeren dat de ECB een einde wil maken aan de traditionele voorkeursbehandeling die staatsobligaties genieten in het bankentoezicht. Dat lijkt me hoog tijd. Een doortastend gebruik van de nieuwe instrumenten die de bankenunie biedt is alleen mogelijk wanneer de financiële navelstreng tussen overheden en banken definitief wordt doorgeknipt.

Categorieën:Banken, Uncategorized