Archief

Archive for december, 2013

Sovereign exposures belangrijkste uitdaging voor ECB

18 december 2013 Plaats een reactie

Er was weer veel aandacht de afgelopen week voor de risico’s die Europese banken lopen door excessief veel staatsschuld op hun balans te nemen. In een interview in de Financial Times liet ECB-bestuurder Peter Praet doorschemeren dat de ECB een einde wil maken aan de traditionele risicovrije status die staatsobligaties genieten in het bankentoezicht in de eurozone:

 Appropriately treating banks’ holdings of sovereign debt according to the risk that they pose to banks’ capital makes it unlikely that the banks will use central bank liquidity to excessively increase their exposure to sovereign debt.

Kort daarna publiceerde de European Banking Authority de EU-wide transparency exercise met daarin uitgebreide aandacht voor de blootstelling van banken aan de staatsschuld van de eigen overheid. Het is één van mijn favoriete onderwerpen, waarover ik al publiceerde in de tijd dat centrale bankiers en toezichthouders nog blind waren voor dit risico (zie bijvoorbeeld dit artikel in International Finance uit 2001).

De EBA constateert dat de netto blootstelling van banken aan staatsschuld weer is toegenomen:

Total net sovereign exposures towards EEA countries declined by about 9% during 2011, but increased afterwards by 9.3%. Half of the sovereign exposures are held in the available for sale portfolios. The share of bonds issued by sovereigns under stress held by domestic banks has increased markedly between December 2010 and June 2013.

Tabel 2 uit het EBA rapport laat het bekende patroon zien: de staatsschuld die bij de banken zit, zit overwegend bij de eigen binnenlandse banken:

Dit is natuurlijk een onwenselijke situatie wanneer je in de eurozone de doom-loop tussen banken en overheden wilt doorbreken. De crisis heeft ons immers niet alleen geleerd dat het redden van omvallende banken de schatkist belast, maar ook dat banken zijn blootgesteld aan het kredietrisico op staatsobligaties van de schuldenlanden.

Het EBA-rapport laat zien dat overheden banken blijven gebruiken als financieringsbron, maar de boodschap wordt voorzichtig gebracht. Bovenstaande tabel relateert de sovereign exposure immers niet aan de bancaire buffers. Gelukkig heeft de EBA de complete dataset op haar website gezet. Als je per bank de sovereign exposure aan de eigen overheid neemt als percentage van het kapitaal (hieronder Tier 1 capital), dan krijg je dit plaatje (stand Juni 2013, alleen landen uit de Eurozone, de bank wordt aangegeven met landencode en EBA-nummer):

Opvallend is dat de Duitse banken de grootste blootstelling aan de eigen overheid hebben. Daarna volgen, minder verrassend, de Italiaanse banken. Voor de meerderheid van de 49 grote banken in de Eurozone geldt dat zij meer dan 100% van hun tier 1 capital hebben uitstaan aan de eigen overheid. Met andere woorden: als de overheid omvalt, wordt de bank meegesleurd. Slechts drie banken voldoen aan de large exposures directive van de EU. Volgens deze richtlijn mag de blootstelling van een bank aan één enkele debiteur maximaal 25% van het eigen vermogen bedragen (aangegeven met de rode lijn in bovenstaande grafiek). Toezichthouders behandelden bij de toepassing van de large exposures richtlijn overheden tot nu toe anders dan private debiteuren, maar dat is mijns inziens in strijd met artikel 102 uit het Verdrag van Maastricht, waarin een voorkeursbehandeling van overheden door banken wordt uitgesloten (zie deze eerdere blog).

Het aanpakken van de doom-loop is niet compleet zonder handhaving van artikel 102, zodat ook overheden onder de large exposures directive van de EU vallen. Concreet zou dit betekenen dat de blootstelling van een bank aan een overheid nog maar maximaal 25% van het vermogen mag bedragen. Dit heeft drie voordelen (zie ook deze blog):

  1. Door de sovereign exposures van banken te beperken en beter te diversificeren over verschillende overheden wordt het financiële stelsel stabieler. Het reduceert ook de mogelijkheden van landen als Griekenland om het financiële systeem te gijzelen.
  2. Met een substantiële reductie van de afhankelijkheid van overheden van bankfinanciering kan een belangenconflict worden opgelost. Vanuit het publieke belang geredeneerd willen overheden wellicht een streng beleid ten opzichte van de bankensector voeren. Tegelijkertijd zijn veel overheden erg afhankelijk van de bereidwilligheid van banken om hun obligaties aan te houden, zeker in tijden van stress in de financiële markten. Het is zeker niet denkbeeldig dat overheden in ruil hiervoor de banken niet te hard aanpakken (you don’t bite the hand that feeds you).
  3. Het afsluiten van de gemakkelijke toegang van overheden tot bankfinanciering versterkt de discipline die de financiële markten opleggen en prikkelt politici om een geloofwaardig financieel-economisch beleid te voeren.

De laatste grafiek laat zien wat er zou gebeuren als deze 49 banken aan de large exposures directive zouden moeten voldoen. In totaal zou er dan voor € 737 miljard aan staatsobligaties door de banken moeten worden verkocht, waarvan bijna € 250 miljard aan Duitse bunds. Een gigantische schok voor de obligatiemarkten natuurlijk, en dan hebben we het alleen nog maar over de 49 grotere banken uit het EBA onderzoek.

Dit illustreert dat het aanpakken van de risicovrije status van staatsobligaties verreweg de belangrijkste uitdaging is waar de ECB in haar nieuwe rol als bankentoezichthouder voor staat.

Advertenties

Kredietbeoordelaar blijf bij je leest

3 december 2013 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 3 december

De afwaardering van de Nederlandse staatsschuld door de Amerikaanse kredietbeoordelaar Standard & Poor’s roept gemengde reacties op. De meeste commentatoren spreken er schande van dat opeenvolgende kabinetten het zover hebben laten komen. De afwaardering wordt gezien als een smet op Neerlands blazoen, als gevolg van een langdurig zwak economisch beleid. Heel voorspelbaar probeert de regering nu het verlies van de AAA rating te bagatelliseren, nadat zij ons eerst hiervoor bang heeft gemaakt.

Ik kan mij nog goed herinneren hoe toenmalig Minister van Financiën Jan Kees de Jager bijna twee jaar geleden in het Financiële Dagblad voorrekende dat het verlies van de AAA-status zou leiden tot een vol procentpunt hogere rente. Het zou Nederland € 4 miljard extra aan rente kosten per jaar. Dit argument werd gebruikt ter ondersteuning van vele korte termijn beleidsmaatregelen die gericht waren op het snel terugdringen van het begrotingstekort onder de Brusselse 3% norm, zoals de BTW-verhoging in 2012. Maar het beleid van lastenverzwaringen en bezuinigingen heeft niet gewerkt. Het heeft de koopkracht van de burger uitgehold en de zwakke groei gezaaid waar Standard & Poors’s nu zo over klaagt. De 3% norm is echter niet gehaald. Aan zelfreflectie over de eigen rol die de kredietbeoordelaar in dit drama heeft gespeeld – door aan te dringen op tekortreductie ten koste van economische groei -ontbreekt het Standard & Poor’s echter volledig.

Belangrijker voor de economie is de reactie van de financiële markten op de afwaardering. Die haalden gelukkig hun schouders op. De Nederlandse rente schommelt al een tijdje op een niveau dat 0,10 procentpunt ligt boven de rente van Finland, één van de weinige overgebleven kleine AAA-landen in het eurogebied. Op de dag van de afwaardering veranderde daar weinig aan. De één procentpunt hogere rente van De Jager was een spookbeeld, bedoeld om de burger angst aan te jagen.

De milde reactie in de financiële markten was te verwachten. De economische analyse van Standard & Poor’s bevat immers geen enkel nieuw feit of inzicht waar de markt op zou moeten reageren. Standard & Poor’s herhaalt slechts de bekende lijst van kwalen: de zwakke consumptie, de woningmarkt en de politieke instabiliteit. Nu kan het nooit kwaad als een buitenlandse instantie het kabinet een spiegel voorhoudt en oproept tot meer daadkracht op hervormingsgebied. Maar de kredietbeoordelaar gebruikt de afwaardering van de Nederlandse staatschuld als instrument om haar negative oordeel over de Nederlandse economie kracht bij te zetten. En dat is mijns inziens niet terecht.

Standard & Poor’s suggereert dat de zwakke economie de kredietwaardigheid van de Nederlandse staatsschuld vermindert, maar onderbouwt dat niet. Soms zijn kredietwaardigheid en economische groei inderdaad sterk gerelateerd. Griekenland is bijvoorbeeld voor de houdbaarheid van haar overheidsfinanciën volledig afhankelijk van een sterk – om niet te zeggen bovenmenselijk sterk – economisch herstel. Maar Nederland is geen Griekenland. Nederland heeft namelijk een ijzersterke vermogenspositie. Onze pensioenpotten en de toekomstige belastingclaims daarop zorgen ervoor dat de netto staatsschuld tot de laagste van het eurogebied behoort en bijvoorbeeld ook veel lager is dan die van Duitsland. Tel hierbij op onze handelsoverschotten en onze sterke externe vermogenpositie (dit is ons netto vermogen ten opzichte van de rest van de wereld) en er is geen reden waarom Nederland niet in het rijtje AAA-landen thuis zou horen.

Kritisch commentaar op de Nederlandse economische situatie is altijd welkom, ook van een kredietbeoordelaar. Maar wanneer deze overgaat tot het zware middel  van  een afwaardering, volstaan gratuite opmerkingen over de zwakke Nederlandse economie niet meer. Van een kredietbeoordelaar mag je dan verwachten dat deze precies aangeeft waarom de kredietwaardigheid niet meer AAA is, rekening houdende met de ongeëvenaard sterke vermogenspositie van Nederland. En daarin is Standard & Poor’s niet geslaagd. Het is tijd om Standard & Poor’s af te waarderen.

Categorieën:Uncategorized

Domheid gaat verder: ministerie wil ook middelmatigheid subsidiëren

1 december 2013 Plaats een reactie

Onderstaande opiniebijdrage verscheen in het NRC van 30 november

Op 26 november ageert Leo Prick tegen de beslissing van minister Bussemaker om excellente studenten dubbel collegegeld te laten betalen: inderdaad onbegrijpelijk. Maar de domheid in het ministeriële prijsbeleid gaat verder: de minister wil ook middelmatigheid subsidiëren. Aangezien studenten met een hbo-bachelor de kennis missen om rechtstreeks door te stromen naar een wo- master, bieden universiteiten al jaren schakelprogramma’s aan. Het gaat hier op zijn zachtst gezegd niet om de meest talentvolle groep die zich aan de poorten van de universiteit meldt. De nieuwe wet verplicht universiteiten om voor schakelprogramma’s tot 30 studiepunten maximaal een proportioneel gedeelte van het wettelijk tarief te vragen. Voor grotere schakelprogramma’s kan het gedeelte boven de 30 studiepunten worden afgerekend voor maximaal twee keer het wettelijk tarief, terwijl het ministerie dit onderwijs niet bekostigt. Gevolg is dat het schakelonderwijs ver onder de kostprijs van de opleiding moet worden aangeboden. Het levert de opleiding weinig op en het kost veel moeite om hbo- studenten naar het gewenste academische eindniveau te brengen. Kwaliteit verhogen kan juist door de middelmaat te weren en de excellente student aan zich te binden. Aan de Erasmus School of Economics hebben we de instroom in schakelprogramma’s substantieel gereduceerd, zodat alleen nog de top uit het hbo wordt toegelaten. Tegelijker bieden we aan excellente studenten de mogelijkheid om twee studies te combineren.

Categorieën:Onderwijs