Archief

Archive for november, 2013

Naar een Europese bankenkampioen?

22 november 2013 Plaats een reactie

Donderdag hield de Tweede Kamer een hoorzitting over de toekomst van het Nederlandse bankwezen. Dit naar aanleiding van de bankenvisie die het kabinet eerder dit jaar heeft gepresenteerd. De wenselijke hoogte van de kapitaalbuffers voerde wederom de boventoon in de discussie. Dat is een belangrijk, maar intussen ook erg slaapverwekkend onderwerp. De stellingen zijn betrokken. Onafhankelijke economen zijn voorstander van een substantiële verhoging van de kapitaalbuffers; de belanghebbende banken zijn tegen en blijven het oneigenlijke argument gebruiken dat zo’n verhoging ten koste van de kredietverlening zou gaan. De economen hebben gelijk maar het financiële establishment durft het niet aan. Veel meer valt er niet over te vertellen.

Boeiender is de discussie over de lange termijn gevolgen van de bankenunie voor het Europese (en Nederlandse) bankenlandschap. Het kabinet schrijft in haar bankenvisie dat meer concurrentie in de Nederlandse bankenmarkt uit die hoek moet komen. De gedachte hierachter is dat er met de invoering van een complete bankenunie (met een Europese toezichthouder, een Europees afwikkelingsmechanisme en een Europees depositogarantiestelsel) een gelijk speelveld ontstaat in de Europese bankenmarkt, zodat banken elkaar gemakkelijker kunnen uitdagen op de nationale marktsegmenten.

Dit het rooskleurige scenario. Het gaat ervan uit dat de bankenunie niet alleen voor meer concurrentie zorgt, maar ook een einde maakt aan de te innige verhoudingen tussen de nationale toezichthouders en hun banken. Met een wat afstandelijker toezicht door de ECB zouden regulatory forbearance (de toezichthouder grijpt niet in) en regulatory capture (de toezichthouder identificeert zich met de eigen banken, zoals DNB onder Wellink) tot het verleden moeten behoren. Verder wordt met bail-in wetgevjng en risicodeling op Europese schaal het systeemrisico van individuele banken gereduceerd.

Ik hoop dat dit scenario werkelijkheid wordt, maar ben er niet gerust op. Banken zullen namelijk niet werkloos toezien hoe hun positie wordt uitgehold, maar zullen alles doen om hun economische en politieke macht te behouden. Die macht ontlenen ze aan hun omvang.

In het hierboven geschetste rooskleurige scenario zou een dominante bank in land A gaan concurreren met een dominante bank in land B. Dat kan door in land B een greenfield operatie op te starten of door een kleine bank op te kopen. Een kostbare en onzekere investering wanneer je als kleine speler tegen een gevestigde bank wilt opboksen. En de bank in land B kan natuurlijk retaliëren, hetgeen de marktmacht in het thuisland kan schaden. Geen aanlokkelijk vooruitzicht. Dan kunnen de Europese grootbanken maar beter fuseren. Dat voorkomt dat ze elkaar gaan beconcurreren. Samen staan ze ook sterker richting de toezichthouder. Wie weet kunnen ze zich ontwikkelen tot een Europese bankenkampioen waar de Europese toezichthouder evenveel ontzag voor heeft als Wellink vroeger voor ABN-AMRO en ING. Dan zijn we weer terug bij af: too big to fail, regulatory forbearance en regulatory capture, maar dan op Europees niveau.

Dirk Schoenmaker zinspeelde in het FD van donderdag 21-11 al op een mogelijke fusie- en overnamegolf in de bankenunie. Hij ziet vooral de voordelen van samenklontering tot Europese megabanken: lagere rentetarieven voor klanten, betere dienstverlening aan multinationals en een stabieler bankbedrijf door diversificatie van het kredietrisico binnen Europa.

Ik ben het niet met hem eens. Voorbij een bepaalde bankomvang raken de schaalvoordelen uitgeput en overheersen de nadelen. Amerikaanse megabanken zoals JP Morgan hebben een serieus too big to manage probleem. Megabanken maken het financiële stelsel bovendien fragiel, om de terminologie van Nassim Taleb te gebruiken. Een systeem van vele Europese bankjes waarvan er af en toe een paar over de kop gaan is robuuster.

Dan het diversificatievoordeel van Europese megabanken. Voor aandeelhouders is dit geen voordeel: zij kunnen hun blootstelling aan Europees kredietrisico beter managen door in een mandje bankaandelen te beleggen dan in één Europese megabank. Ook voor een Europees afwikkelingsmechanisme en depositogarantiestelsel werkt het verzekeringsprincipe beter als er veel kleine banken zijn in plaats van een beperkt aantal grote banken. De kredietcrisis heeft ons bovendien geleerd dat je niet al te zeer moet rekenen op diversificatievoordelen: in de VS ging de huizenmarkt overal omlaag.

Kortom, voordat we ons al te enthousiast op het pad naar een bankenunie begeven moeten we eerst nadenken over de wenselijke structuur van het bankwezen binnen zo’n unie. Laten we niet op Europese schaal de fout maken die we in Nederland eind jaren tachtig hebben gemaakt. Het afschaffen van het structuurbeleid en het toestaan van de samenklontering van de Nederlandse banken heeft sindsdien het systeemrisico aanzienlijk vergroot en de keuzevrijheid van de consument beperkt. Europa heeft instrumenten om een herhaling te voorkomen. De Europese mededingingsautoriteiten zouden zich nu al moeten voorbereiden op het voorkomen van Europese megabanken. De Europese toezichthouder zou verder de toezichtslasten en kapitaalbuffers veel sterker moeten laten afhangen van de omvang van een bank. Voor megabanken mag de toezichtslast nooit een concurrentievoordeel worden – zoals Zalm deze week suggereerde met zijn “too small to comply” opmerking – maar zou het een zwaar concurrentienadeel moeten zijn.

Twijfels bij Wijffels

17 november 2013 Plaats een reactie

Een mooi artikel van Martin Sommer in de Volkskrant van zaterdag. Over het leiderschap van Herman Wijffels.

Wijffels wijst Nederland graag de weg, en de financiële sector in het bijzonder. Dat doet hij nu als voorzitter van het Sustainable Finance Lab en recentelijk als voorzitter van de commissie structuur Nederlandse banken. Dat deed hij vroeger (periode 1986-1999) als bestuursvoorzitter van de Rabobank. Toen was het vooral de weg omhoog. In de laatste jaren van het “rentmeesterschap” van Wijffels heeft de Rabobank het pad van het zakenbankieren en van de snelle groei gevonden, op weg naar too-big-to-fail en misschien ook wel too-big-to-save status.

Onderstaande grafiek toont de balanstotalen uit de geconsolideerde jaarrekeningen van de Rabobank in verhouding tot het Nederlandse nominale BBP over de periode 1985-2012. Wijffels heeft eind jaren negentig de groei van de Rabobank in een hogere versnelling gezet.

Volgens het kabinet vormt de “combinatie van omvang en concentratie van de Nederlandse bankensector … een potentieel risico voor de overheid en de financiële stabiliteit.” (bankenvisie p. 3). Dan is het wel heel bijzonder dat deze persoon zo’n prominente positie in het Nederlandse bankendebat inneemt.

balansrabo

Categorieën:Banken, Uncategorized

De prijs voor schakelprogramma’s moet omhoog

13 november 2013 Plaats een reactie

Ik ben geen fan van “Kwaliteit in Verscheidenheid” (KiV), de vergaarbak van politiek correcte maatregelen in het hoger onderwijs die Minister Bussemaker deze zomer door de kamer wist te loodsen. In een eerdere blog heb ik me kwaad gemaakt over de vrijblijvende vormgeving van de studiekeuzeactiviteiten die universiteiten aan scholieren moeten gaan aanbieden. Hieronder gaat het over Bussemaker’s prijsingreep op de markt voor schakelprogramma’s.

Wat is er aan de hand? Studenten met een HBO bachelor missen de kennis en academische vaardigheden om rechtstreeks door te stromen naar een WO master. Vandaar dat universiteiten al sinds jaar en dag schakelprogramma’s aanbieden om HBO afgestudeerden voor te bereiden op een academische masteropleiding.

In KiV wordt een nieuwe tariefstructuur voor HBO-WO schakelprogramma’s vastgelegd. De wet verplicht universiteiten om voor schakelprogramma’s tot 30 studiepunten maximaal een proportioneel gedeelte van het wettelijk tarief (dit jaar € 1835) te vragen. Voor grotere schakelprogramma’s kan het gedeelte boven de 30 studiepunten worden afgerekend voor maximaal twee keer het wettelijk tarief. Voor een schakelprogramma van 60 studiepunten kan de universiteit dus maximaal € 2752,50 rekenen. Aangezien het schakelonderwijs niet door de minister wordt bekostigd en er – in ieder geval aan de EUR – € 1835 door het College van Bestuur wordt afgeroomd om de overhead te betalen, resteert voor de opleiding het luttele bedrag van € 917,50 om aan een schakelstudent een jaar lang onderwijs te geven. Een verlieslatend schijntje.

De studentenorganisaties ISO en LSVb reageerden enthousiast op de prijsingreep. Ze stoorden zich aan de wildgroei van naar hun mening te hoge schakeltarieven. Maar het is de vraag of deze ingreep echt in het belang van de schakelstudent is. Het standaardvoorbeeld over maximumprijzen gaat over gereguleerde huren in New York (te vinden in menig inleidend studieboek micro-economie, maar binnen studentenorganisaties zijn helaas zelden studenten economie actief). Op de korte termijn oogt het sympathiek om de huurder te beschermen tegen huurstijgingen. De negatieve gevolgen komen later aan het licht, wanneer blijkt dat woningen niet meer worden onderhouden of aan het huuraanbod worden onttrokken. Dan kan de huur wel laag zijn, maar is er geen woning meer te vinden.

Gaat iets dergelijks ook gebeuren bij de schakelprogramma’s? Ik denk het wel. Het wordt steeds onaantrekkelijker om HBO schakelprogramma’s aan te bieden. Het levert de opleiding weinig op en het kost veel moeite om HBO studenten naar het gewenste academische eindniveau te brengen. Gemiddeld genomen heeft een HBO student bijvoorbeeld meer scriptiebegeleiding nodig dan een WO student. De kwaliteitszorg is bovendien zo streng geworden dat opleidingen zich geen kwaliteitsrisico’s meer kunnen veroorloven. En die risico’s zijn groter bij studenten die instromen vanuit het HBO. Voor universiteiten die internationaal willen opereren en streven naar de academische top, is de schakelpopulatie ook strategisch oninteressant. Kortom, het ligt voor de hand dat opleidingen zullen overwegen om dan maar geen schakelprogramma’s meer aan te bieden.

Als de politiek toch van mening is dat de HBO-WO doorstroomroute in stand moet blijven, dan kan de rekening daarvoor niet eenzijdig bij de opleiding worden gelegd. De schakelstudent of de minister zal in de buidel moeten tasten. Voor niets gaat de zon op.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

De Rabobank bleek too big to manage

1 november 2013 1 reactie

Eindelijk is Rabobank topman Piet Moerland opgestapt. De schendingen van de zorgplicht bij de lokale Rabobanken, de opmaathypotheek, het geruzie binnen de raad van bestuur, de retentiebonussen voor de Robeco top, het gebrek aan openheid over de salarissen van de bestuurders, de dopingploeg en nu het Liborschandaal. Het is een lange en waarschijnlijk incomplete lijst, die absoluut niet te rijmen viel met Moerland’s zalvende woorden over de coöperatieve normen en waarden van de Rabobank. Zijn geloofwaardigheid was dan ook tot het dieptepunt gedaald. Ik betrapte me er zelfs op dat ik meer sympathie had voor Rijkman Groenink, nu zo prachtig gespeeld door Pierre Bokma in de TV-adaptatie van De Prooi. Om misverstanden te voorkomen, diens ongegeneerde streven naar groei en aandeelhouderswaarde voor ABN AMRO staat haaks op mijn visie voor een stabiel en dienstbaar bankwezen. Maar bij Groenink wist je tenminste wat voor vlees je in de kuip had. Moerland werd daarentegen steeds meer de belichaming van de hypocrisie van de Rabobank. Veel bankiers lijden aan excessieve hebzucht, maar in de combinatie van hebzucht en hypocrisie was de Rabobank toch vrij uniek. De heftige publieke reacties op het Liborschandaal tonen aan dat dit een moeilijk te verteren combinatie is.

Het offer van Moerland schiet natuurlijk tekort. Bij een megaboete van € 774 miljoen past het aftreden van de gehele raad van bestuur. Het is vooral ook onbegrijpelijk dat de verantwoordelijke bestuurder Schat is aangebleven. Iemand die het vaststellen van liborrentes ziet als een “administratieve handeling” en zich niet bewust is van de mogelijke belangenconflicten bij deze taak is ongeschikt voor een topfunctie bij een financiële instelling. De verontwaardiging over de slappe maatregelen en over de neiging van Rabobank bestuurders om problemen te bagatelliseren (“het gaat om paar medewerkers in het buitenlandbedrijf”) is begrijpelijk, maar geeft geen antwoord op de belangrijkste vraag. Wat moet er nu met de Rabobank gebeuren?

Ter verdediging van de Rabobank bestuurders wordt aangevoerd dat ze zelf niet betrokken waren bij het Liborschandaal. Maar dat is nu juist het beangstigende. Het illustreert dat het bestuur niet “in control” was. Ook na lezing van het DNB rapport over de Libor affaire valt aan die conclusie niet te ontkomen. De bank met een balanstotaal groter dan de Nederlandse economie is niet alleen “too big to fail” maar ook “too big to manage”.

Het antwoord op de onbestuurbaarheid van de Rabobank zal waarschijnlijk bestaan uit dure investeringen in cultuurverandering, centralisatie en controle. Van cultuurverandering verwacht ik niets. Juist de Rabobank beweerde een andere cultuur te hebben dan de andere banken en heeft in het verleden veel geïnvesteerd in haar coöperatieve identiteit. Bij de effectiviteit daarvan kun je nu vraagtekens plaatsen.

Is meer centralisatie en controle de oplossing? De Rabobank gaat de komende tijd de teugels aanhalen bij de lokale kantoren. Meer macht dus bij het hoofdkantoor en minder zeggenschap op lokaal niveau. Ongetwijfeld zal ook het leger compliance-medewerkers fors worden uitgebreid. Daarmee kan de kans op toekomstige misstanden wellicht worden verkleind, maar dat gaat wel ten koste van de eigenheid van de Rabobank. De Rabobank wordt daarmee één van de inwisselbare ICT fabrieken die steeds mooiere apps maken maar steeds minder kennis hebben van de lokale markt. Dat is slecht voor de diversiteit van het Nederlandse bankenlandschap waarvoor de Rabobank zich altijd in woord, maar niet in daad, sterk heeft gemaakt.  Een al te krampachtige centralisatie en controle zal ook een negatieve invloed hebben op het ondernemerschap van lokale banken en de bereidheid om risico’s te nemen. Voor de financiering van het midden- en kleinbedrijf is dit geen goede zaak. Kortom, deze marsroute lijkt weinig toegevoegde waarde te hebben voor de Nederlandse economie.

Misschien moet de Rabobank zich bezinnen op een radicaal andere koers. Veel foute beslissingen, zoals de start van het zakenbankieren onder Wijffels en recenter de investeringen in commercieel vastgoed, zijn gemaakt door het hoofdkantoor. Lokale kantoren probeerden intussen de coöperatieve gedachte levend te houden. Uit onvrede met de Nederlandse grootbanken wil De Financiële Coöperatie nu een nieuwe kleine bank beginnen. Dat is een sympathieke poging om het wiel opnieuw uit te vinden. Want er zijn in potentie genoeg kleine banken in Nederland die de klant centraal kunnen stellen. We hoeven ze alleen maar te los te knippen van de Rabobank. Een mooie oplossing die het systeemrisico, het gebrek aan concurrentie en de onbestuurbaarheid in het Nederlandse bankwezen zal verminderen.

Categorieën:Banken, Uncategorized