Home > Onderwijs, Uncategorized > Effecten van een hogere lat

Effecten van een hogere lat

Onder het motto “Nominaal = Normaal” heeft de Erasmus Universiteit het afgelopen jaar de strijd aangebonden met de endemische studievertraging in het hoger onderwijs. Eén van de meest in het oog springende maatregelen is de ophoging van de minimumnorm voor een positief bindend studieadvies van 40 studiepunten naar het maximum van 60 studiepunten. Waarom deze maatregel en zal het werken?

De lage lat

Nederlandse universiteiten zijn gewend om vanaf dag één de academische lat te laag te leggen. De BSA-norm ligt bij de meeste instellingen tussen de 30 en 45 studiepunten. Zo’n lage waarde biedt volop ruimte aan het uitstelgedrag van studenten. Een deel van de studenten springt calculerend om met de BSA-norm en ziet deze meer als een streefwaarde dan als een minimum. Sommige studenten beginnen voortvarend aan de studie, maar verslappen zodra het minimum is bereikt. Anderen beginnen te laat met serieus studeren en weten met een eindspurt nog net aan het minimum te voldoen.

Wanneer studenten streven naar het minimum is het gevolg dat een deel van de studiepunten wordt doorgeschoven naar een volgend studiejaar. Dit uitstelgedrag leidt er toe dat de studieinspanning op een inefficiënte manier wordt versnipperd over meerdere jaren en vele tentamenpogingen. Op halve kracht studeren kost de student uiteindelijk meer tijd en energie dan een serieuze eerste inspanning. Bovendien is het slecht voor de studiemotivatie.

Ook om onderwijskundige redenen is de lage lat onwenselijk. De meeste academische curricula kennen een volgtijdelijke opbouw, die wordt ondermijnd met het doorschuiven van eerstejaarsvakken naar later. Dit probleem valt natuurlijk op te lossen met het vaststellen van voorkennisvereisten per vak, maar daarmee veroorzaakt een opleiding alleen maar meer studievertraging. Een belangrijk onderwijskundig inzicht is verder dat de student zich het beste op een beperkt aantal vakken kan concentreren. Daarom is het beter als een student met een blanco blad aan zijn tweede jaar begint. Docenten die college geven in het tweede jaar klagen terecht dat studenten zich niet volledig inzetten, omdat ze hun aandacht versnipperen over vakken uit het eerste en tweede jaar.

De lage lat is dus onwenselijk. De vraag is nu of een verhoging van de lat studenten ook echt aanspoort om harder te werken, of alleen maar tot meer studieuitval leidt. Een pilotstudie bij de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit liet positieve resultaten zien (zie Adriaans, Baars, Van der Molen & Smeets, 2013, TH&MA 1, 30-34). Ik voeg daaraan enkele waarnemingen vanuit de Erasmus School of Economics toe.

Enkele observaties

Hieronder wordt het cohort 2012-2013 van de opleiding Economie & Bedrijfseconomie (met een BSA-norm van 60 studiepunten) vergeleken met twee eerdere cohorten (met een norm van 40). Deze twee eerdere cohorten zijn ook gebruikt in dit artikel. Afgezien van de verhoging van de BSA-norm is er in het onderwijssysteem niets veranderd. Dat neemt niet weg dat het geen gecontroleerd experiment is. De studenten en ook sommige docenten verschillen tussen de cohorten. Desalniettemin zijn de verschillen hieronder zo groot dat deze niet zo gemakkelijk door student- of docentvariatie kunnen worden verklaard.

Eerst de einduitkomst. De eerste grafiek laat zien dat percentage studenten dat 60 studiepunten haalt sterk is gestegen na de verhoging van de norm (ter verduidelijking: het betreft de groep studenten die een BSA-advies heeft ontvangen, dus exclusief vroege uitschrijvers). De middengroep (40<60) is sterk uitgedund.

PictureN=N1

De tweede grafiek geeft aan wat studenten uit de herkansingsronde halen. Bij de ESE worden herkansingen ontmoedigd. Er geldt een maximum van drie herkansingen (uit tien vakken) en alle herkansingen worden midden in de zomer gepland. Op de horizontale as staat het aantal studiepunten dat een student gedurende de reguliere onderwijsperiode (dus voor de herkansingen) heeft gehaald. Verticaal staat de oogst uit de herkansingen.

PictureN=N2

Laten we eerst kijken naar de oude cohorten (de blauwe lijn). Met name de piek van die lijn is boeiend. Studenten die de herkansingsronde ingingen met 28 studiepunten, haalden vervolgens dertien studiepunten in de herkansingen, waarmee ze gemiddeld genomen net aan de oude BSA-norm voldeden. Ook studenten die begonnen met 32-36 punten, haalden met hun herkansingen net de minimumeis. Opvallend genoeg presteerden onder het oude regime studenten die met 40 studiepunten aan de herkansingen begonnen slechter dan de groep tussen de 28 en 36 punten. Het heilige moeten was er blijkbaar niet meer. De inspanning daalde. Toch moest deze groep op grond van de studieprestaties gedurende het collegejaar in staat worden geacht om beter te presteren. Dat doen ze dan ook prompt als de lat hoger wordt gelegd (de rode lijn). Tussen de 32 en 48 studiepunten gaapt een groot gat tussen de rode en de blauwe lijn. Studenten halen blijkbaar beduidend meer uit de herkansingsronde wanneer ze onder druk worden gezet om te presteren.

Tot slot een indicator die alleen iets zegt over het gedrag van de student en volkomen onafhankelijk is van tentamenresultaten. Onderstaande grafiek laat zien of studenten deelnemen aan de reguliere tentamens (dus niet de herkansingen). Na ophoging van de BSA-norm stijgt het percentage studenten dat aan alle reguliere tentamens deelneemt van 68% naar 78%. Kortom, de hogere lat zorgt ervoor dat studenten gemiddeld vaker komen opdagen bij de tentamens.

PictureN=N3

Conclusie

Er lijkt sprake te zijn voor een substantieel gedragseffect van een ophoging van de BSA-norm, waardoor studenten vaker naar de reguliere tentamens gaan, een beter gebruik maken van de geboden herkansingsmogelijkheiden en als gevolg daarvan in hun eerste jaar meer studiepunten halen.

Advertenties
Categorieën:Onderwijs, Uncategorized
  1. merijnknibbe
    28 augustus 2013 om 6:52 am

    Probleempje. In het tweede jaar blijken ze vervolgens direct weer te normaliseren. Studenten lijken wel wat op de Borg en ´resistance is futile´ (of althans erg vermoeiend voor docenten’. De lat zal dus vier jaar hoog moeten worden gelegd, waar ik het overigens 100% mee eens ben. Overigens werken studenten volgens de studiewijzer een redelijk hoge samenhang tussen het (positieve) studentenoordeel over een opleiding en het aantal uren dat ze maken, wellicht met uitzondering (sorry) van de economische opleidingen.Maar daar heeft Bruno Frey al aardige dingen over uitgezocht – aleen asoklojo´s gaan economie studeren. http://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&cad=rja&ved=0CDEQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.iew.uzh.ch%2Fwp%2Fiewwp104.pdf&ei=uZsdUreKEaqr7AbB1ICQBg&usg=AFQjCNH_KxcFfXfeWOceVQwY88cTgxpXFw&bvm=bv.51156542,d.ZGU

    Waarbij een goede organisatie (en dus, persoonlijke ervaring, weinig onderwijsreorganisaties en invoeringen van nieuwe administratiesystemen en dergelijke) en een praktisch curriculum erg helpen om een positief oordeel te krijgen. Het maakt niet uit hoe je het geeft, als het maar goed georganiseerd en praktisch is. En met goede docenten met kennis van zaken, is ook belangrijk. Zie trouwens ook de meer dan vijftig wekelijkse uren die studenten van de kunstacademie vaak maken: werkplaatsidee. Meer boeken en minder tentamens, jazeker, maar daarnaast vooral meer practica. En, o ja, lessen inplannen op maandag 8:30 en vrijdag 15:00 helpt ook.

  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s