Home > Onderwijs > Schaf de instellingstoets in het hoger onderwijs af

Schaf de instellingstoets in het hoger onderwijs af

Opinieartikel in het Nederlands Dagblad van 2 augustus

Velen in het hoger onderwijs zullen reikhalzend hebben uitgezien naar de brief die Minister Bussemaker onlangs naar de Tweede Kamer stuurde over de vermindering van de regeldruk in het onderwijs. Die brief stelt helaas zwaar teleur. Er staat heel weinig in over het hoger onderwijs, de sector waar onder de “liberale” staatssecretaris Zijlstra de regeldruk explodeerde. En wat de minister daarover in de brief schrijft overtuigt niet.

Nog niet zo heel lang geleden kende het hoger onderwijs alleen de opleidingsaccreditatie. De kwaliteit van elke opleiding werd periodiek onder de loep genomen door een externe commissie. Op basis daarvan werd al dan niet de accreditatie verlengd. Nu zuchten de hogescholen en universiteiten onder vier lagen toezicht: de opleidingsaccreditatie en de nieuwe instellingsaccreditatie (beiden onder auspiciën van de NVAO), het toezicht op de met de minister gemaakte prestatieafspraken door de Review Commissie Hoger Onderwijs en tot slot het meer incidentele onderzoek door de Onderwijsinspectie. Deze stapeling van toezicht komt voort uit de overreactie van de politiek op de kwaliteitsproblemen bij hogeschool InHolland.

In haar brief suggereert de minister dat met de instellingsaccreditatie de bureaucratie zal afnemen. De opleidingen van onderwijsinstellingen die deze toets met succes doorlopen hoeven immers alleen nog maar via een beperkte opleidingstoets te worden beoordeeld. Maar daarmee schetst de minister een veel te rooskleurig beeld. Iedereen die op de universitaire werkvloer met kwaliteitszorg te maken heeft weet dat het dubbele accreditatiestelsel veel meer werk oplevert.

Het probleem zit niet bij de opleidingsaccreditatie. In de beperkte opleidingsaccreditatie zit alles wat je nodig hebt om de kwaliteit van een opleiding te beoordelen. Scripties lezen, onderwijsmateriaal en toetsen beoordelen, studenten en docenten spreken. Dat is het nuttige en onontbeerlijke handwerk van de opleidingsaccreditaties. Maar het kost niet minder tijd dan vroeger. Integendeel, door de terechte recente aandacht voor toetskwaliteit en scriptiekwaliteit is de kwaliteitszorg op opleidingsniveau juist veel arbeidsintensiever geworden. Als opleidingen daar beter van worden is dat niet erg.

Het echte probleem zit bij de instellingstoets. Deze heeft een sterk procesmatig karakter en is erop gericht om vast te stellen of een onderwijsinstelling een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. De instellingstoets gaat niet over de inhoud of over de opleidingskwaliteit, maar over procedures, processen en beleid. Geen college van bestuur wil zakken voor de instellingstoets. Het gevolg is dan ook een toename van de interne bureaucratie en beleidsdiarree binnen de onderwijsinstellingen, als logische risicomijdende reactie op de instellingsaccreditatie. Van al deze inspanningen is de relatie met de opleidingskwaliteit ver te zoeken.

Maar dat is nog niet eens het ergste. Bij de invoering van de instellingsaccreditatie is door de NVAO de denkfout gemaakt dat goede kwaliteitszorg gelijk staat aan centraal beleid. Zo verlangt de NVAO van een instelling een ‘breed gedragen visie’ op de kwaliteit van het onderwijs. Dat doet mij erg denken aan InHolland, het schoolvoorbeeld van een in de praktijk gebrachte onderwijsvisie. Bij InHolland werd competentiegericht onderwijs instellingsbreed ingevoerd. Kennisoverdracht door docenten werd in de ban gedaan. We weten allemaal hoe het daar is afgelopen. Een onderwijsinstelling zonder instellingsbrede onderwijsvisie is de beste bescherming tegen dit soort onderwijskundige hypes. Grote onderwijsinstellingen hebben mijns inziens meer baat bij diversiteit dan bij van bovenaf opgelegde eenheidsworst. Maar helaas duwt de instellingstoets het hoger onderwijs juist in de omgekeerde richting van verdere centralisatie.

De eis dat er een ‘breed gedragen visie’ moet zijn illustreert overigens hoe ver de NVAO van de universitaire werkelijkheid af staat. Een universiteit is een plek waar vele hoogopgeleide medewerkers proberen om zo goed mogelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen, elk in hun eigen vakgebied en voor hun eigen opleiding. Zo dat al wenselijk is, is het een illusie om te denken dat je al deze wetenschappers in een keurslijf van een instellingsbrede visie kunt persen.

De zaken waar het echt om draait in het hoger onderwijs, zoals de kwaliteit van de docenten en de toetsing, liggen op opleidingsniveau. Als Bussemaker echt de regeldruk wil verminderen dan kan ze de overbodige instellingstoets onmiddellijk afschaffen. In de kamerbrief durft ze dat nog niet aan. De enige concrete maatregel die de minister aankondigt is dat de NVAO, de Inspectie en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs hun “werkprocessen” beter zullen afstemmen. Een bureaucratische oplossing voor de overdaad aan bureaucratie, dat gaat niet werken.

Maar er is nog hoop. Minister Bussemaker heeft aan de Tweede Kamer toegezegd dat ze zich verder wil beraden op de samenhang in en de afbakening van de taken tussen de Onderwijsinspectie, de NVAO en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs. Ook zal het accreditatiestelsel nog in 2013 worden geëvalueerd. Ik ben benieuwd.

Advertenties
Categorieën:Onderwijs
  1. Nog geen reacties
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s