Archief

Archive for augustus, 2013

Effecten van een hogere lat

27 augustus 2013 1 reactie

Onder het motto “Nominaal = Normaal” heeft de Erasmus Universiteit het afgelopen jaar de strijd aangebonden met de endemische studievertraging in het hoger onderwijs. Eén van de meest in het oog springende maatregelen is de ophoging van de minimumnorm voor een positief bindend studieadvies van 40 studiepunten naar het maximum van 60 studiepunten. Waarom deze maatregel en zal het werken?

De lage lat

Nederlandse universiteiten zijn gewend om vanaf dag één de academische lat te laag te leggen. De BSA-norm ligt bij de meeste instellingen tussen de 30 en 45 studiepunten. Zo’n lage waarde biedt volop ruimte aan het uitstelgedrag van studenten. Een deel van de studenten springt calculerend om met de BSA-norm en ziet deze meer als een streefwaarde dan als een minimum. Sommige studenten beginnen voortvarend aan de studie, maar verslappen zodra het minimum is bereikt. Anderen beginnen te laat met serieus studeren en weten met een eindspurt nog net aan het minimum te voldoen.

Wanneer studenten streven naar het minimum is het gevolg dat een deel van de studiepunten wordt doorgeschoven naar een volgend studiejaar. Dit uitstelgedrag leidt er toe dat de studieinspanning op een inefficiënte manier wordt versnipperd over meerdere jaren en vele tentamenpogingen. Op halve kracht studeren kost de student uiteindelijk meer tijd en energie dan een serieuze eerste inspanning. Bovendien is het slecht voor de studiemotivatie.

Ook om onderwijskundige redenen is de lage lat onwenselijk. De meeste academische curricula kennen een volgtijdelijke opbouw, die wordt ondermijnd met het doorschuiven van eerstejaarsvakken naar later. Dit probleem valt natuurlijk op te lossen met het vaststellen van voorkennisvereisten per vak, maar daarmee veroorzaakt een opleiding alleen maar meer studievertraging. Een belangrijk onderwijskundig inzicht is verder dat de student zich het beste op een beperkt aantal vakken kan concentreren. Daarom is het beter als een student met een blanco blad aan zijn tweede jaar begint. Docenten die college geven in het tweede jaar klagen terecht dat studenten zich niet volledig inzetten, omdat ze hun aandacht versnipperen over vakken uit het eerste en tweede jaar.

De lage lat is dus onwenselijk. De vraag is nu of een verhoging van de lat studenten ook echt aanspoort om harder te werken, of alleen maar tot meer studieuitval leidt. Een pilotstudie bij de Faculteit der Sociale Wetenschappen van de Erasmus Universiteit liet positieve resultaten zien (zie Adriaans, Baars, Van der Molen & Smeets, 2013, TH&MA 1, 30-34). Ik voeg daaraan enkele waarnemingen vanuit de Erasmus School of Economics toe.

Enkele observaties

Hieronder wordt het cohort 2012-2013 van de opleiding Economie & Bedrijfseconomie (met een BSA-norm van 60 studiepunten) vergeleken met twee eerdere cohorten (met een norm van 40). Deze twee eerdere cohorten zijn ook gebruikt in dit artikel. Afgezien van de verhoging van de BSA-norm is er in het onderwijssysteem niets veranderd. Dat neemt niet weg dat het geen gecontroleerd experiment is. De studenten en ook sommige docenten verschillen tussen de cohorten. Desalniettemin zijn de verschillen hieronder zo groot dat deze niet zo gemakkelijk door student- of docentvariatie kunnen worden verklaard.

Eerst de einduitkomst. De eerste grafiek laat zien dat percentage studenten dat 60 studiepunten haalt sterk is gestegen na de verhoging van de norm (ter verduidelijking: het betreft de groep studenten die een BSA-advies heeft ontvangen, dus exclusief vroege uitschrijvers). De middengroep (40<60) is sterk uitgedund.

PictureN=N1

De tweede grafiek geeft aan wat studenten uit de herkansingsronde halen. Bij de ESE worden herkansingen ontmoedigd. Er geldt een maximum van drie herkansingen (uit tien vakken) en alle herkansingen worden midden in de zomer gepland. Op de horizontale as staat het aantal studiepunten dat een student gedurende de reguliere onderwijsperiode (dus voor de herkansingen) heeft gehaald. Verticaal staat de oogst uit de herkansingen.

PictureN=N2

Laten we eerst kijken naar de oude cohorten (de blauwe lijn). Met name de piek van die lijn is boeiend. Studenten die de herkansingsronde ingingen met 28 studiepunten, haalden vervolgens dertien studiepunten in de herkansingen, waarmee ze gemiddeld genomen net aan de oude BSA-norm voldeden. Ook studenten die begonnen met 32-36 punten, haalden met hun herkansingen net de minimumeis. Opvallend genoeg presteerden onder het oude regime studenten die met 40 studiepunten aan de herkansingen begonnen slechter dan de groep tussen de 28 en 36 punten. Het heilige moeten was er blijkbaar niet meer. De inspanning daalde. Toch moest deze groep op grond van de studieprestaties gedurende het collegejaar in staat worden geacht om beter te presteren. Dat doen ze dan ook prompt als de lat hoger wordt gelegd (de rode lijn). Tussen de 32 en 48 studiepunten gaapt een groot gat tussen de rode en de blauwe lijn. Studenten halen blijkbaar beduidend meer uit de herkansingsronde wanneer ze onder druk worden gezet om te presteren.

Tot slot een indicator die alleen iets zegt over het gedrag van de student en volkomen onafhankelijk is van tentamenresultaten. Onderstaande grafiek laat zien of studenten deelnemen aan de reguliere tentamens (dus niet de herkansingen). Na ophoging van de BSA-norm stijgt het percentage studenten dat aan alle reguliere tentamens deelneemt van 68% naar 78%. Kortom, de hogere lat zorgt ervoor dat studenten gemiddeld vaker komen opdagen bij de tentamens.

PictureN=N3

Conclusie

Er lijkt sprake te zijn voor een substantieel gedragseffect van een ophoging van de BSA-norm, waardoor studenten vaker naar de reguliere tentamens gaan, een beter gebruik maken van de geboden herkansingsmogelijkheiden en als gevolg daarvan in hun eerste jaar meer studiepunten halen.

Advertenties
Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Schaf de instellingstoets in het hoger onderwijs af

2 augustus 2013 Plaats een reactie

Opinieartikel in het Nederlands Dagblad van 2 augustus

Velen in het hoger onderwijs zullen reikhalzend hebben uitgezien naar de brief die Minister Bussemaker onlangs naar de Tweede Kamer stuurde over de vermindering van de regeldruk in het onderwijs. Die brief stelt helaas zwaar teleur. Er staat heel weinig in over het hoger onderwijs, de sector waar onder de “liberale” staatssecretaris Zijlstra de regeldruk explodeerde. En wat de minister daarover in de brief schrijft overtuigt niet.

Nog niet zo heel lang geleden kende het hoger onderwijs alleen de opleidingsaccreditatie. De kwaliteit van elke opleiding werd periodiek onder de loep genomen door een externe commissie. Op basis daarvan werd al dan niet de accreditatie verlengd. Nu zuchten de hogescholen en universiteiten onder vier lagen toezicht: de opleidingsaccreditatie en de nieuwe instellingsaccreditatie (beiden onder auspiciën van de NVAO), het toezicht op de met de minister gemaakte prestatieafspraken door de Review Commissie Hoger Onderwijs en tot slot het meer incidentele onderzoek door de Onderwijsinspectie. Deze stapeling van toezicht komt voort uit de overreactie van de politiek op de kwaliteitsproblemen bij hogeschool InHolland.

In haar brief suggereert de minister dat met de instellingsaccreditatie de bureaucratie zal afnemen. De opleidingen van onderwijsinstellingen die deze toets met succes doorlopen hoeven immers alleen nog maar via een beperkte opleidingstoets te worden beoordeeld. Maar daarmee schetst de minister een veel te rooskleurig beeld. Iedereen die op de universitaire werkvloer met kwaliteitszorg te maken heeft weet dat het dubbele accreditatiestelsel veel meer werk oplevert.

Het probleem zit niet bij de opleidingsaccreditatie. In de beperkte opleidingsaccreditatie zit alles wat je nodig hebt om de kwaliteit van een opleiding te beoordelen. Scripties lezen, onderwijsmateriaal en toetsen beoordelen, studenten en docenten spreken. Dat is het nuttige en onontbeerlijke handwerk van de opleidingsaccreditaties. Maar het kost niet minder tijd dan vroeger. Integendeel, door de terechte recente aandacht voor toetskwaliteit en scriptiekwaliteit is de kwaliteitszorg op opleidingsniveau juist veel arbeidsintensiever geworden. Als opleidingen daar beter van worden is dat niet erg.

Het echte probleem zit bij de instellingstoets. Deze heeft een sterk procesmatig karakter en is erop gericht om vast te stellen of een onderwijsinstelling een goed systeem van kwaliteitszorg heeft. De instellingstoets gaat niet over de inhoud of over de opleidingskwaliteit, maar over procedures, processen en beleid. Geen college van bestuur wil zakken voor de instellingstoets. Het gevolg is dan ook een toename van de interne bureaucratie en beleidsdiarree binnen de onderwijsinstellingen, als logische risicomijdende reactie op de instellingsaccreditatie. Van al deze inspanningen is de relatie met de opleidingskwaliteit ver te zoeken.

Maar dat is nog niet eens het ergste. Bij de invoering van de instellingsaccreditatie is door de NVAO de denkfout gemaakt dat goede kwaliteitszorg gelijk staat aan centraal beleid. Zo verlangt de NVAO van een instelling een ‘breed gedragen visie’ op de kwaliteit van het onderwijs. Dat doet mij erg denken aan InHolland, het schoolvoorbeeld van een in de praktijk gebrachte onderwijsvisie. Bij InHolland werd competentiegericht onderwijs instellingsbreed ingevoerd. Kennisoverdracht door docenten werd in de ban gedaan. We weten allemaal hoe het daar is afgelopen. Een onderwijsinstelling zonder instellingsbrede onderwijsvisie is de beste bescherming tegen dit soort onderwijskundige hypes. Grote onderwijsinstellingen hebben mijns inziens meer baat bij diversiteit dan bij van bovenaf opgelegde eenheidsworst. Maar helaas duwt de instellingstoets het hoger onderwijs juist in de omgekeerde richting van verdere centralisatie.

De eis dat er een ‘breed gedragen visie’ moet zijn illustreert overigens hoe ver de NVAO van de universitaire werkelijkheid af staat. Een universiteit is een plek waar vele hoogopgeleide medewerkers proberen om zo goed mogelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen, elk in hun eigen vakgebied en voor hun eigen opleiding. Zo dat al wenselijk is, is het een illusie om te denken dat je al deze wetenschappers in een keurslijf van een instellingsbrede visie kunt persen.

De zaken waar het echt om draait in het hoger onderwijs, zoals de kwaliteit van de docenten en de toetsing, liggen op opleidingsniveau. Als Bussemaker echt de regeldruk wil verminderen dan kan ze de overbodige instellingstoets onmiddellijk afschaffen. In de kamerbrief durft ze dat nog niet aan. De enige concrete maatregel die de minister aankondigt is dat de NVAO, de Inspectie en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs hun “werkprocessen” beter zullen afstemmen. Een bureaucratische oplossing voor de overdaad aan bureaucratie, dat gaat niet werken.

Maar er is nog hoop. Minister Bussemaker heeft aan de Tweede Kamer toegezegd dat ze zich verder wil beraden op de samenhang in en de afbakening van de taken tussen de Onderwijsinspectie, de NVAO en de Reviewcommissie Hoger Onderwijs. Ook zal het accreditatiestelsel nog in 2013 worden geëvalueerd. Ik ben benieuwd.

Categorieën:Onderwijs