Archief

Archive for mei, 2013

Troika’s als surrogaat voor Thatcher

9 mei 2013 1 reactie

Nederland is weinig opgeschoten met de euro, maar het is te kostbaar om de muntunie nu te ontbinden. Dit zei Coen Teulings bij zijn afscheid van het CPB. De eerste constatering getuigt van een groot – mijns inziens te groot – vertrouwen in het vermogen van de economische wetenschap om kosten-baten analyses te maken van grote structuurveranderingen. De tweede constatering is van een tenhemelschreiende moedeloosheid. Is er dan echt geen wenkender perspectief te geven aan jonge Europeanen? Ik denk het wel, en paradoxaal genoeg moeten we daarvoor te rade gaan bij Margaret Thatcher, bij leven een fel tegenstandster van de gemeenschappelijke munt.

Kosten en baten

Het CPB heeft in het boek “Europa in crisis” een slag proberen te slaan naar het voordeel dat we van de euro hebben. Het zou jaarlijks gaan om ongeveer een weeksalaris extra. Nog steeds verschijnen er dit soort studies, laatstelijk door de Bertelsmann Stichting van Aart-Jan de Geus. Hierin werden de voordelen van de euro ietsjes hoger ingeschat. Ik heb weinig fiducie in dit soort exercities.

Natuurlijk kunnen econometristen proberen te schatten welk effect de euro heeft op bijvoorbeeld de handelsstromen. Maar een volledige analyse zou veel verder moeten gaan. Hoe zouden de eurolanden zich economisch hebben ontwikkeld zonder de euro? En belangrijker nog, hoe zouden ze de grootste crisis sinds de jaren dertig zijn doorgekomen met afzonderlijke valuta? We weten het niet, maar het is niet moeilijk om scenario’s te bedenken die even erg, zo niet erger, zijn dan de stagnatie waar we nu in zitten. Denk bijvoorbeeld aan monetaire financiering van overheidstekorten in Zuid-Europa, gepaard gaande met een scherpe stijging van de inflatie en omvangrijke devaluaties. Het is onwaarschijnlijk dat de interne markt het er in zo’n scenario zonder kleerscheuren vanaf had gebracht. Ik heb nog geen studie gezien die dit scenario heeft doorgerekend. Het pad dat de Europese economieën zonder de euro zouden hebben gevolgd is speculatief, maar niet noodzakelijk beter dan het huidige pad. Sociale onrust en verarming komen ook voor in landen die een eigen munt hebben en problemen proberen op te lossen door de geldpers aan te zetten.

Het gaat om de instituties

Het tegenargument is dat euroloze landen als Zweden, Denemarken en Zwitserland het tijdens deze crisis prima redden zonder te vervallen in inflatie en devaluatie. Maar dat is appels met peren vergelijken. Dit zijn landen waarin de economische en politieke instituties een hoge kwaliteit hebben en die het vermogen en de geloofwaardigheid hebben om zelfstandig een gezond financieel-economisch beleid te voeren.

In Zuid-Europa is dit minder vanzelfsprekend. De instituties zijn daar een stuk zwakker. Als een belastingdienst niet in staat is om voldoende belastinginkomsten te genereren om de publieke sector te financieren, dan is de inflatiebelasting een aanlokkelijk alternatief. Sinds de ineenstorting van het Bretton Woods systeem begin jaren zeventig zijn eerst de vaste wisselkoersen binnen het EMS en vervolgens de gemeenschappelijke munt instrumenten geweest om de handen te binden van politici die gewend waren om het monetaire systeem te misbruiken voor korte-termijn politieke doeleinden. Met name Italiaanse economen zagen de voordelen van deze externe disciplinering van het economisch beleid. Externe disciplinering zou dan “vanzelf” een verandering in de instituties forceren. Als je geen geld meer kunt bijdrukken moeten de overheidsbestedingen immers op een andere manier worden gefinancierd.

In de wittebroodsweken van de EMU (1999-2007) is er van institutionele verandering echter weinig tot niets terecht gekomen. Dat kunnen we betreuren en de politici verwijten, maar hoe realistisch is het om te verwachten dat politici in goede tijden de confrontatie aangaan met gevestigde belangen? Iedere verandermanager weet dat niets een beter klimaat schept voor een radicale hervorming dan een flinke crisis. Thatcher wist dat ook.

Het VK als probleemland

Het Verenigd Koninkrijk van voor Thatcher zou zo in het rijtje probleemlanden van de eurozone passen. De staat had een dominante rol in de economie, de macht van de vakbonden was groot (en het aantal stakingsdagen navenant hoog) en betalingbalans- en valutacrises waren een terugkerend probleem. De gang naar het IMF in 1976 deed menigeen twijfelen aan het Britse vermogen om zelf uit de economische misère te komen. Het VK was dan ook rijp voor Thatcher na de winter of discontent van ’78/’79.

Thatcher had het lef om de gevestigde belangen aan te pakken en het geluk dat de Falklands oorlog haar de politieke tijd van leven gaf om hervormingen door te voeren die het Britse ondernemingsklimaat sterk verbeterden, o.a. door de arbeidsmarktinstituties radicaal te veranderen. Maar wat Thatcher deed in het VK is niet zo eenvoudig te repliceren in de Zuidelijke eurolanden. Een tweede Thatcher en een populariteitsverhogende oorlog liggen niet voor het oprapen.

Troika’s als surrogaat voor Thatcher

Thatcher zou het waarschijnlijk eens zijn geweest met veel van de maatregelen die de Europese troika’s nu opleggen aan de probleemlanden. Een kleinere staat en een betere marktwerking, daar had ze niets op tegen. Haar principiële bezwaar tegen de euro was dat het een inbreuk op de nationale soevereiniteit betekende. Dat was voor haar en de meeste Britten onacceptabel. Maar voor burgers in de probleemlanden van de eurozone kan die afweging anders uitpakken. De troika’s mogen dan de soevereiniteit aantasten, ze kunnen deze landen wel de externe discipline en beleidscontinuïteit bieden die nodig zijn om structurele hervormingen door te voeren in een omgeving van grote binnenlandse politieke instabiliteit. Met hulp van Europa kunnen er ook sterkere instituties worden gebouwd, zoals bijvoorbeeld een competente belastingdienst en een strengere financiële toezichthouder.

De externe disciplinering die de probleemlanden nu ondergaan heeft helaas als neveneffect dat de euro vaak als externe zondebok wordt gebruikt. Maar het gaat veel te ver om alle economische ellende op het conto van de euro te schuiven. De euro is niet debet aan de incompetentie van de Griekse overheid of aan het ondernemersvijandige economische beleid in Frankrijk of Italië. De euro moet ook niet verantwoordelijk worden gehouden voor de huidige, te zeer op austerity gebaseerde macro-economische beleidsmix. Er is in het eurogebied een andere mix mogelijk met een ruimer monetair beleid en een langer tijdpad voor begrotingsconsolidatie, waarbij voor wat betreft de structurele hervormingen en de versterking van de instituties de druk op de ketel wordt gehouden.

Radicale verandering gebeurt in een crisis of gebeurt niet. Bij gebrek aan een Thatcher biedt de troika-benadering voor de probleemlanden nog steeds de beste hoop op een structurele verbetering van hun concurrentiekracht. De troika-benadering is kwetsbaar en kan nog steeds mislukken. Laten we hopen dat dit niet gebeurd. Ook Nederland heeft belang bij economisch succes aan de zuidrand van Europa.

Verwacht geen visie van Nederlandse bankiers

Deze blog verscheen eerder in het Nederlands Dagblad van 3 mei.

Mag je van een lam verwachten dat het zelf de route naar de slachtbank uitstippelt? Volgens Ronald Gerritse, directeur van de Autoriteit Financiële Markten, wel. Hij riep een paar weken geleden bankiers op om zich te mengen in het debat over de toekomst van de financiële sector. Prompt nam Rabobank bestuursvoorzitter Piet Moerland de handschoen op met een lezing voor het Sustainable Finance Lab. Het was het pleidooi van een lam dat vrij wil blijven huppelen in een grote weide.

Op het eerste gehoor klonk het allemaal heel redelijk. De Rabobank was blij met de nieuwe “sterke” kapitaaleisen en toonde zich een voorstander van het laten meebetalen van obligatiehouders wanneer een bank in de problemen komt. Hierdoor wordt de capaciteit om verliezen te absorberen versterkt. Moerland blies de loftrompet over het traditionele bankieren, waarbij een bank een langdurige relatie met de klant aangaat. “Ken je klant”, is zijn devies. Tenslotte pleitte hij voor een divers financieel landschap en voor meer concurrentie op de Nederlandse markt.

Maar bij nadere bestudering blijken deze woorden weinig substantie te bevatten. De kapitaalbuffers die Moerland sterk noemt vinden de meeste economen volstrekt ontoereikend. Aan het laten meebetalen van obligatiehouders verbindt hij de voorwaarde dat deze van tevoren moeten weten dat ze risico lopen. Het mag dus niet gelden voor de huidige geldschieters. Dit is een rare voorwaarde, want houders van bankobligaties hebben nooit een expliciete overheidsgarantie gekregen en dus altijd al risico gedragen. Mochten ze dat onder het genot van hun hoge rente zijn vergeten, dan heeft de crisis in Cyprus ze er wel aan herinnerd. Zijn enthousiasme voor het traditionele bankieren klinkt goed, maar spoort niet met daden van zijn eigen bank. Het Rabobank onderdeel RaboDirect haalt online vele miljarden aan spaargeld op bij o.a. Duitse en Belgische klanten die voor een hoge rente gaan. Met een langdurige klantrelatie heeft dit niets te maken. Integendeel, de Rabobank ondermijnt met haar webwinkel de traditionele banken in die landen. Toen Icesave in Nederland actief werd schreeuwde de Rabobank moord en brand; nu doet de Rabobank hetzelfde in buitenlandse markten. Dat is niet alleen hypocriet, maar vormt tevens een zwaardere last voor het Nederlandse depositogarantiestelsel. Want als de Rabobank omvalt, garandeert Nederland al die buitenlandse spaarders. De opmerkingen over diversiteit en meer concurrentie zijn vooral gratuit. Vergelijk het maar met Coca-Cola en Pepsi die een pleidooi houden voor meer concurrentie op de markt voor cola-drankjes.

Belangrijker is dat de mooie woorden onbuigzaamheid op één cruciaal punt verhullen. Bankiers blijven falikant tegen veranderingen in de structuur van het bankwezen om de risico’s voor de belastingbetaler te verminderen. Hierbij kan worden gedacht aan een scheiding van consumenten- en zakenbankactiviteiten, het afschermen van internationale activiteiten of zelfs het opknippen van de grootbanken in een aantal kleinere spelers. De angst hiervoor is zo groot dat de topman van de Rabobank een uitruil voorstelt tussen structuurverandering en verliesabsorptie. Het idee is dat naarmate obligatiehouders meer verliezen opvangen, de kans dat de belastingbetaler te hulp moet schieten kleiner wordt en een structuurverandering minder noodzakelijk is.

Ik interpreteer dit voorstel vooral als een slimme tactische zet in de discussie. Nederlandse banken gaan akkoord met het principe om in de toekomst obligatiehouders te laten meebetalen in de hoop dat het lastig zal blijken om hier in Europees verband snel overeenstemming over te krijgen. En wie weet komt van uitstel wel afstel. Daarmee hebben ze dan in ieder geval hun goede wil getoond en kunnen ze de politiek ervan overtuigen om nu af te zien van structuurverandering.

Dat laatste zou jammer zijn. De Nederlandse financiële instellingen zijn veel te groot. Zelfs wanneer de verliezen meer bij de geldschieters worden neergelegd vormen ze een potentieel risico voor de financiële en economische stabiliteit. Om over het gebrek aan concurrentie nog maar te zwijgen. Zonder structuurverandering is er geen enkele rem en controle op de omvang, groei en aard van de activiteiten van banken. Kan Moerland ons garanderen dat er over een tijdje niet opnieuw bankiers als Rijkman Groenink, Tilmant en Wijffels (ja, ook hij) opstaan die de banken in dure avonturen storten. Neen, dat kan hij niet.

De visie van de Rabobank komt neer op een handhaving van de status quo. Ik had niet anders verwacht. Bankiers gaan niet in hun eigen vlees snijden. Een visie over de wenselijke structuur van de financiële sector zal toch echt van de politici moeten komen. Die moeten waken over het publiek belang. Dat kunnen we echt niet aan bankiers overlaten.

Categorieën:Banken, Uncategorized