Home > Banken, Europese schuldencrisis > Bail-ins betekenen nog niet het einde van bail-outs

Bail-ins betekenen nog niet het einde van bail-outs

Deze blog verscheen eerder in het Nederlands Dagblad van 2 april.

Zijn we na alle commotie rond Cyprus dichter bij een oplossing voor de eurocrisis? Misschien. Het door Dijsselbloem gepropageerde “bail-in” beleid – waarbij de verliezen van banken bij hun geldschieters worden gelegd in plaats van bij de Europese belastingbetaler – is een goede stap vooruit en kan de opmaat vormen voor een meer realistische bankenunie. Maar het is een illusie om te denken dat Zuid-Europa zonder hulp uit Duitsland uit de economische misère kan geraken.

Eén van de grootste problemen in de eurozone is dat banken en overheden elkaar besmetten. Griekse overheidsschuld verzwakte de Griekse en Cypriotische banken. Omgekeerd werd bijvoorbeeld de Ierse staat onevenredig belast met de redding van haar bankwezen. Op de eurotop van juni 2012 dacht men de oplossing te hebben gevonden voor deze onzalige lotsverbondenheid. De eurozone zou toewerken naar een bankenunie onder Europees toezicht. En het Europese noodfonds zou worden gebruikt om probleembanken rechtstreeks van nieuw kapitaal te voorzien, zo leek de afspraak. Sommige eurocraten hadden al visioenen van een Europese depositiegarantieregeling. Maar al snel verbleekte de Duitse animo om blanco cheques voor het hele Europese bankwezen af te geven. Dit culmineerde uiteindelijk in de aanslag op de grote spaarders van de Cypriotische banken.

Voorstanders van een Europese bankenunie zullen teleurgesteld zijn over deze terugtrekkende beweging. In een echte bankenunie wordt immers niet alleen de zeggenschap over het toezicht centraal geregeld, maar worden ook de kosten van het redden van banken gedeeld tussen landen. Juist deze risicodeling voorkomt de negatieve wisselwerking tussen problemen bij banken en overheden. Cyprus lijkt dan ook een stap terug. Onder het nieuwe beleid gaan de obligatiehouders van banken en de grote spaarders meer risico lopen. Voor de zwakke banken in de probleemlanden zal het moeilijker worden om zich te financieren. Dat betekent nog minder kredietverlening en verdere economische stagnatie. Het risico is dan ook dat Dijsselbloem’s doctrine de negatieve wisselwerking tussen banken en hun economieën in stand houdt.

De realiteit is echter dat een op risicodeling gebaseerde bankenunie nu een stap te ver is. In de AAA-landen heerst de weerzin om nog meer geld over te maken aan disfunctionele Zuid-Europese overheden en banken. En met de verkiezingen voor de deur is het voor Duitse politici onmogelijk om miljarden te stoppen in Cypriotische banken, zeker als daar een geur van witwassen omheen hangt. Ook los daarvan is het de vraag of het wel verstandig is om nu al de grote sprong naar risicodeling te wagen, zonder dat de Europese zeggenschap over de banken echt goed is geregeld. De ECB is nu weliswaar tot opperhoofd in toezichtsland benoemd, maar leunt nog te zeer op dezelfde nationale toezichthouders die er eerder een potje van hebben gemaakt. Daarmee is het de vraag of de nieuwe Europese toezichthouder voldoende onafhankelijk en krachtig is om de belangen van Noordelijke belastingbetaler te beschermen.

Daarmee is het hele idee van een bankenunie nog niet dood. Als een bankenunie er ooit komt, dan alleen als de belangen van de Noordelijke belastingbetaler goed worden beschermd. Juist het beleid van Dijsselbloem kan die bescherming bieden, door de rekening van falende banken bij de geldschieters in plaats van bij de belastingbetalers te leggen. Eventueel kan het worden gecombineerd met de oprichting van een Europees afwikkelingsfonds voor probleembanken dat door de banken zelf wordt gevuld. Zo’n bankenunie “light” is minder risicovol voor de Noord-Europese belastingbetaler en biedt nog steeds voordelen voor Zuid-Europese landen. Onder druk en met hulp van een Europese toezichthouder kan immers de gezondmaking van hun banken sneller en geloofwaardiger verlopen. Dat is hard nodig, want de Zuid-Europese zombiebanken vormen een rem op de economische ontwikkeling. Een voorwaarde hiervoor is wel dat de ECB zich voldoende onafhankelijk kan opstellen ten opzichte van de nationale toezichthouders.

Met een bankenunie “light” is Europa nog niet uit de problemen. De gezondmaking van zombiebanken gaat langzaam en in de tussentijd kampt Zuid-Europa met economische krimp, hoge werkloosheid en een onzekere toegang van overheden tot de kapitaalmarkten. Hulp vanuit het Noorden blijft dus nodig. Die kan op verschillen manieren worden verleend. Duitsland heeft de ruimte om met overheidsbestedingen haar eigen economie te stimuleren. Hiervan zal ook de rest van Europa profiteren. De ECB kan een nog ruimer monetair beleid voeren. Tot slot is het van belang dat het Europese noodfonds de landen die geen toegang hebben tot de financiële markten blijft bijstaan met leningen op zachte voorwaarden. In ruil daarvoor moet Zuid-Europa serieus werk maken van een verbetering van de concurrentiepositie, het ondernemingsklimaat en de kwaliteit van het bestuur. Het is misschien niet de boodschap die Merkel haar kiezers wil vertellen, maar Dijsselbloem’s bail-in regime voor banken kan nooit een substituut zijn voor verdere hulp aan Zuid-Europa.

Advertenties
  1. Nog geen reacties
  1. No trackbacks yet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s