Archief

Archive for april, 2013

Bankenunie behoeft betere risicobeheersing

De communis opinio onder economen is dat de overdracht van toezichtstaken naar de ECB moet worden vergezeld van risicodeling op Europees niveau, door de invoering van een Europees resolutiemechanisme voor probleembanken en een Europees depositogarantiestelsel. Dit onder het motto: “power and resources must go hand in hand”, zoals IMF economen het onlangs formuleerden. Alleen zo zou de doom-loop tussen Europese overheden en banken kunnen worden doorbroken.

Tegelijkertijd wordt in Duitsland de politieke weerstand tegen een bankunie steeds heviger. De door Schäuble gewenste verdragswijziging leidt op zijn minst tot substantiële vertraging van de invoering van een bankenunie. De Duitse obstructie komt deels voort uit de onterechte wens om de macht over de eigen banken te behouden, maar ook uit een terechte weerzin om blanco cheques voor Europese zombiebanken uit te schrijven.

Grand designs van economen zullen de koudwatervrees van Schäuble niet wegnemen. Het is daarom beter is om na te denken over concrete risicobeheersingsmaatregelen die de Duitsers ervan kunnen overtuigen dat een Europese bankenunie tot een stabieler bankwezen zal leiden, tegen aanvaardbare risico’s voor de Duitse belastingbetaler. Hieronder een voorzet.

1) Beperk staatsobligaties op bankbalansen

De doom-loop tussen banken en overheden werkt twee kanten op. Het redden van omvallende banken belast de schatkist, maar omgekeerd zijn banken blootgesteld aan het kredietrisico op staatsobligaties van de schuldenlanden. Dit was de belangrijkste factor achter de verzwakking van de Griekse en Cypriotische banken.

Sinds de start van de kredietcrisis is de opeenhoping van staatsobligaties bij banken eerder toe- dan afgenomen. De Italiaanse centrale bank rapporteerde onlangs nog dat de beleggingen van Italiaanse banken in Italiaanse staatsobligaties zijn gestegen tot een all-time record van € 351,6 miljard. Overheden blijven banken dus gebruiken als financieringsbron. Een Europees resolutiemechanisme brengt hierin niet automatisch verandering, maar impliceert wel dat het kredietrisico op staatsobligaties wordt gedeeld. Ofwel, met een bankenunie krijg je via de achterdeur een begrotingsunie erbij. Als we die al willen in Europa, dan liever via de voordeur.

Een ander nadeel van de huidige situatie is dat overheden erg afhankelijk zijn van de bereidwilligheid van banken om hun obligaties aan te houden, zeker in tijden van stress in de financiële markten. Het is zeker niet denkbeeldig dat overheden in ruil hiervoor de banken niet te hard aanpakken (you don’t bite the hand that feeds you).

De opeenhoping van staatsobligaties bij banken is mijns inziens in strijd met artikel 102 uit het Verdrag van Maastricht, waarin een voorkeursbehandeling van overheden door banken wordt uitgesloten (zie deze eerdere blog). Het aanpakken van de doom-loop zou dan ook moeten beginnen met de handhaving van artikel 102, zodat ook overheden onder de large exposures directive van de EU vallen. Concreet zou dit betekenen dat de blootstelling van een bank aan een overheid nog maar maximaal 25% van het vermogen mag bedragen.

Om dit te realiseren is tijd nodig. Overheden zullen immers op zoek moeten naar andere kopers van staatsobligaties. Een mogelijke overgangsregeling is om alleen banken die voldoen aan artikel 102 toegang te geven tot een Europees resolutiemechanisme. Natuurlijk zullen Ministers van Financiën niet staan te trappelen om de gemakkelijke indirecte monetaire financiering van bevriende banken op te geven. Maar als ze dit niet willen dan schept dat ook meteen duidelijkheid en is het einde oefening voor wat betreft de bankenunie.

2) Zorg voor een snelle invoering van strenge bail-in wetgeving

Volgens de Dijsselbloem-doctrine betaalt de belastingbetaler voortaan niet meer automatisch de rekening van het falen van banken, maar worden de verliezen neergelegd bij de aandeelhouders, de obligatiehouders en de onverzekerde spaarders. De voorstellen van eurocommissaris Barnier gaan in die richting, maar kunnen nog verder worden aangescherpt, zowel inhoudelijk als voor wat betreft het tijdspad van invoering.

Van belang hierbij is dat de toepassing van bail-in op een uniforme manier wordt vormgegeven, zodat het besluit om tot een bail-in over te gaan wordt genomen op basis van de zwakte van de desbetreffende bank, ongeacht de draagkracht van het land waarin de bank is gevestigd. Een Nederlandse bank moet zich niet goedkoper kunnen financieren dan een Spaanse bank, omdat de markt verwacht dat de Nederlandse staat gemakkelijker de portemonnee trekt. Kortom, een bail-in mag niet concurrentieverstorend werken.

3) Maak de Europese toezichthouder echt onafhankelijk

Zoals opgemerkt in dit IMF-rapport en in deze eerdere blog, leunt de ECB voor haar toezichtstaak sterk op de nationale toezichthouders. Daarbij gaat het niet alleen om de uitvoering van het toezicht, maar ook om de besluitvorming. De Europese commissie stelt namelijk voor om de supervisory board binnen de ECB te laten bestaan 17 vertegenwoordigers van de nationale toezichthouders, een voorzitter, vice-voorzitter en 4 andere leden. Van de 23 leden komt een grote meerderheid dus vanuit de nationale toezichthouders. Als het doel is om de ECB onafhankelijk toezicht te laten uitvoeren, dan is dit geen goede governance structuur. De nationale toezichthouders blijven immers aan de touwtjes trekken. Het hele idee dat de ECB als een objectieve buitenstaander de ongezonde verwevenheid tussen nationale overheden, banken en toezichthouders kan aanpakken wordt op deze manier om zeep geholpen. Regulatory capture en regulatory forbearance zullen blijven bestaan.

Kortom, wanneer we er nu eerst voor zorgen dat begrotingsproblemen de bankbalansen niet langer kunnen infecteren, dat de geldschieters van banken kunnen worden aangeslagen en dat de ECB echt een onafhankelijke toezichthouder wordt, dan is een bankenunie veel minder bedreigend voor de Noordelijke belastingbetalers. Al deze risicobeheersingsmaatregelen kunnen nu al worden genomen. Er is geen verdragswijziging voor nodig. Als er geen wil is om ze te nemen, dan is dat een duidelijk signaal dat een bankenunie een slecht idee is.

Geen kwaliteit met vrijblijvendheid

12 april 2013 2 reacties

Deze blog – geschreven met Gerard Baars – verscheen eerder in HO-Management, April 2013

Het is een bekend probleem dat de studieuitval in het eerste jaar van het hoger onderwijs veel te hoog is. Maar het probleem is nog schrijnender dan je puur op basis van de eerstejaars rendementen zou denken. Recent onderzoek laat namelijk zien dat al heel vroeg in het eerste studiejaar duidelijk wordt wie het jaar gaat halen en wie niet. Bij de bacheloropleiding Economie en Bedrijfseconomie aan de Erasmus Universiteit kan al na de eerste tentamenronde in oktober met grote nauwkeurigheid een groep uitvallers worden geïdentificeerd (zie Arnold & Baars, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs 2012(3)). Idealiter zou je deze studenten meteen willen laten instromen in een andere opleiding, maar dat is lastig in een onderwijsbestel dat een uniforme academische jaarcyclus hanteert. De student weet eigenlijk wel dat hij kansloos is, maar de poorten van andere opleidingen zijn gesloten. Het gevolg is dat deze studenten de rest van het jaar de pretentie in de lucht proberen te houden dat ze studeren of dat ze afhaken en een baantje onder hun niveau zoeken.

De oorzaak van deze onwenselijke situatie kan een slechte studiekeuze, een ondermaatse studieinspanning of een combinatie van beiden zijn. Het kabinet denkt dat het vooral aan het eerste ligt en heeft daarom in het wetsvoorstel “Kwaliteit in verscheidenheid” een aantal maatregelen opgenomen om de studiekeuze te verbeteren. Zo wordt de aanmeldingsdatum vervroegd naar 1 mei en krijgt iedere aankomende student het recht op een studiekeuzeadvies. Dit laatste is een voorbeeld van een politiek correcte maatregel. De student wordt immers niet aangesproken op zijn gebrekkige inspanning. Neen, het probleem ligt bij een verkeerde matching tussen student en opleiding. Je zou verwachten dat deze beleidskeuze evidence-based is, maar dat valt erg tegen. In een recent rapport wordt opgemerkt: “Een harde uitspraak dat studiekeuzegesprekken werken om studie-uitval tegen te gaan of studie-voortgang te bevorderen, is op grond van deze resultaten daarom niet mogelijk.” (Studiekeuzegesprekken, op zoek naar maatwerk, Kohnstam Instituut, 2011)

De minister eist van opleidingen dat ze een studiekeuzeadvies organiseren zonder dat we weten of het werkt. Wat we wel weten is dat opleidingen geen consequenties aan het studiekeuzeadvies mogen verbinden. Iemand met slechte vooruitzichten mag dus niet de toegang tot de opleiding worden geweigerd. Daarmee versterkt de wet niet de prikkel bij studenten om de studiekeuze serieus te nemen. Onze verwachting is dan ook dat het instrument weinig effectiviteit zal hebben en dat opleidingen hier zo min mogelijk energie in zullen steken. De VSNU doet al een suggestie: “De instelling geeft zelf vorm aan de studiekeuzeactiviteiten. Het kan hierbij gaan om een veelvoud aan activiteiten, zoals het zogenoemde ‘proefstuderen’, assessments, studiekeuzegesprekken, maar ook minder belastende activiteiten zoals het aanbieden van voorgestructureerde vragenlijsten en zelfbeoordelingstests.” (VSNU memo, 25 januari 2013). De aankomende student loopt straks door een online-vragenlijst heen en krijgt een automatische respons. Gaat dat echt de studieuitval terugdringen?

De terechte vervroeging van de aanmeldtermijn kan veel zinvoller worden gebruikt. Door verplichte toelatingstesten te organiseren die de motivatie en geschiktheid van aankomende studenten testen en daar ook consequenties aan te verbinden. En als er toch een toelatingsfout wordt gemaakt, moet het mogelijk worden om studenten veel sneller door te verwijzen naar een andere opleiding. Maar het wordt natuurlijk nooit wat met studiesucces als de minister alleen maar politiek correcte maatregelen verzint. Met vrijblijvendheid geen kwaliteit.

Categorieën:Onderwijs

Een paar favoriete quotes uit The Bankers’ New Clothes

Dit is geen uitgebreide boekbespreking van The Bankers’ New Clothes van Anat Admati en Martin Hellwig (Princeton, 2013). Het boek heeft al genoeg lovende kritieken gekregen (zie bijvoorbeeld de review van Martin Wolf). Het is een krachtig pleidooi voor veel hogere kapitaalbuffers bij banken en zou dan ook verplichte kost moeten zijn voor het bankiersexamen (en voor toezichthouders natuurlijk).

De enige kritische noot die ik zou willen plaatsen is dat het boek wat langzaam op gang komt en dat de auteurs wel erg veel ruimte nodig hebben om de eenvoudige beginselen van schuldfinanciering en leverage uit te leggen. Dat neemt niet weg dat er veel valt te genieten, vooral in de laatste hoofdstukken. Hieronder een paar citaten.

Deze is voor alle Nederlandse beleidsmakers en toezichthouders die hun oren graag (hebben) laten hangen naar de bankenlobby:

A country’s public policy should not be concerned about the success of its banks or other firms as such, because success that is achieved by taxpayer subsidies or by exposing the public to excessive risk – … – is not beneficial to the economy or to society (p. 10)

En deze is voor Europese beleidsmakers die hebben toegelaten dat Europese banken in extreme mate zijn blootgesteld aan Europese staatsschuld:

Encouraging the banks to fund the government is also not in the public interest if such funding endangers the banks”. (p. 217)

Dan een mooie beeldspraak over impliciete bankensubsidies en too-big-to-fail banken:

It is as if the government subsidized ever larger tankers going ever closer to the coast” (p. 130)

Tot slot over het Bazel III toezichtskader:

Flawed regulation has caused excessive fragility in the past: it has diverted banks away from making loans to small- and medium-sized enterprises and towards investing in tradable assets. Basel III maintains this flawed approach with hardly any change.” (p. 170)

Profitable banks could reach Basel III equity levels much more quickly if they retained earnings. It makes no sense to delay the implementation of Basle III on the grounds that banks need time to ajust and at the same time to allow payouts that make the adjustment slower” (p. 175)

Categorieën:Banken, Uncategorized

Eerstejaarsrendement

Samen met Gerard Baars van het Risbo heb ik voor het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs een themanummer over eerstejaarsrendement geredigeerd. Het is te vinden via deze link.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Bail-ins betekenen nog niet het einde van bail-outs

Deze blog verscheen eerder in het Nederlands Dagblad van 2 april.

Zijn we na alle commotie rond Cyprus dichter bij een oplossing voor de eurocrisis? Misschien. Het door Dijsselbloem gepropageerde “bail-in” beleid – waarbij de verliezen van banken bij hun geldschieters worden gelegd in plaats van bij de Europese belastingbetaler – is een goede stap vooruit en kan de opmaat vormen voor een meer realistische bankenunie. Maar het is een illusie om te denken dat Zuid-Europa zonder hulp uit Duitsland uit de economische misère kan geraken.

Eén van de grootste problemen in de eurozone is dat banken en overheden elkaar besmetten. Griekse overheidsschuld verzwakte de Griekse en Cypriotische banken. Omgekeerd werd bijvoorbeeld de Ierse staat onevenredig belast met de redding van haar bankwezen. Op de eurotop van juni 2012 dacht men de oplossing te hebben gevonden voor deze onzalige lotsverbondenheid. De eurozone zou toewerken naar een bankenunie onder Europees toezicht. En het Europese noodfonds zou worden gebruikt om probleembanken rechtstreeks van nieuw kapitaal te voorzien, zo leek de afspraak. Sommige eurocraten hadden al visioenen van een Europese depositiegarantieregeling. Maar al snel verbleekte de Duitse animo om blanco cheques voor het hele Europese bankwezen af te geven. Dit culmineerde uiteindelijk in de aanslag op de grote spaarders van de Cypriotische banken.

Voorstanders van een Europese bankenunie zullen teleurgesteld zijn over deze terugtrekkende beweging. In een echte bankenunie wordt immers niet alleen de zeggenschap over het toezicht centraal geregeld, maar worden ook de kosten van het redden van banken gedeeld tussen landen. Juist deze risicodeling voorkomt de negatieve wisselwerking tussen problemen bij banken en overheden. Cyprus lijkt dan ook een stap terug. Onder het nieuwe beleid gaan de obligatiehouders van banken en de grote spaarders meer risico lopen. Voor de zwakke banken in de probleemlanden zal het moeilijker worden om zich te financieren. Dat betekent nog minder kredietverlening en verdere economische stagnatie. Het risico is dan ook dat Dijsselbloem’s doctrine de negatieve wisselwerking tussen banken en hun economieën in stand houdt.

De realiteit is echter dat een op risicodeling gebaseerde bankenunie nu een stap te ver is. In de AAA-landen heerst de weerzin om nog meer geld over te maken aan disfunctionele Zuid-Europese overheden en banken. En met de verkiezingen voor de deur is het voor Duitse politici onmogelijk om miljarden te stoppen in Cypriotische banken, zeker als daar een geur van witwassen omheen hangt. Ook los daarvan is het de vraag of het wel verstandig is om nu al de grote sprong naar risicodeling te wagen, zonder dat de Europese zeggenschap over de banken echt goed is geregeld. De ECB is nu weliswaar tot opperhoofd in toezichtsland benoemd, maar leunt nog te zeer op dezelfde nationale toezichthouders die er eerder een potje van hebben gemaakt. Daarmee is het de vraag of de nieuwe Europese toezichthouder voldoende onafhankelijk en krachtig is om de belangen van Noordelijke belastingbetaler te beschermen.

Daarmee is het hele idee van een bankenunie nog niet dood. Als een bankenunie er ooit komt, dan alleen als de belangen van de Noordelijke belastingbetaler goed worden beschermd. Juist het beleid van Dijsselbloem kan die bescherming bieden, door de rekening van falende banken bij de geldschieters in plaats van bij de belastingbetalers te leggen. Eventueel kan het worden gecombineerd met de oprichting van een Europees afwikkelingsfonds voor probleembanken dat door de banken zelf wordt gevuld. Zo’n bankenunie “light” is minder risicovol voor de Noord-Europese belastingbetaler en biedt nog steeds voordelen voor Zuid-Europese landen. Onder druk en met hulp van een Europese toezichthouder kan immers de gezondmaking van hun banken sneller en geloofwaardiger verlopen. Dat is hard nodig, want de Zuid-Europese zombiebanken vormen een rem op de economische ontwikkeling. Een voorwaarde hiervoor is wel dat de ECB zich voldoende onafhankelijk kan opstellen ten opzichte van de nationale toezichthouders.

Met een bankenunie “light” is Europa nog niet uit de problemen. De gezondmaking van zombiebanken gaat langzaam en in de tussentijd kampt Zuid-Europa met economische krimp, hoge werkloosheid en een onzekere toegang van overheden tot de kapitaalmarkten. Hulp vanuit het Noorden blijft dus nodig. Die kan op verschillen manieren worden verleend. Duitsland heeft de ruimte om met overheidsbestedingen haar eigen economie te stimuleren. Hiervan zal ook de rest van Europa profiteren. De ECB kan een nog ruimer monetair beleid voeren. Tot slot is het van belang dat het Europese noodfonds de landen die geen toegang hebben tot de financiële markten blijft bijstaan met leningen op zachte voorwaarden. In ruil daarvoor moet Zuid-Europa serieus werk maken van een verbetering van de concurrentiepositie, het ondernemingsklimaat en de kwaliteit van het bestuur. Het is misschien niet de boodschap die Merkel haar kiezers wil vertellen, maar Dijsselbloem’s bail-in regime voor banken kan nooit een substituut zijn voor verdere hulp aan Zuid-Europa.