Archief

Archive for maart, 2013

The Vision Thing

De Vrije Universiteit ligt onder vuur (zie het NRC van vandaag). Nu heb ik geen oordeel over de interne perikelen bij mijn Amsterdamse collegae, maar op één punt kunnen ze op mijn sympathie rekenen. Volgens een intern onderzoek is de onderwijsvisie van de VU “onvoldoende concreet”. Het zou één van de redenen zijn waarom de VU de instellingsaudit heeft uitgesteld. Maar dat lijkt me nu juist een groot pluspunt. Als scholier zou ik kiezen voor de universiteit met de minst concrete onderwijsvisie. Concrete onderwijsvisies kunnen namelijk heel gevaarlijk zijn, vooral als bestuurders ze proberen uit te voeren.

Het schoolvoorbeeld van een in de praktijk gebrachte onderwijsvisie is natuurlijk InHolland, waar competentiegericht onderwijs instellingsbreed werd ingevoerd. Kennisoverdracht door docenten werd in de ban gedaan. We weten allemaal hoe het daar is afgelopen. Een universiteit zonder concrete onderwijsvisie is de beste bescherming tegen dit soort onderwijskundige hypes.

Een universiteit is een plek waar vele hoogopgeleide medewerkers proberen om zo goed mogelijk onderzoek te doen en onderwijs te verzorgen, elk in hun eigen vakgebied en voor hun eigen opleiding. Zo dat al wenselijk is, is het een illusie om te denken dat je al deze wetenschappers in een keurslijf van een gemeenschappelijke onderwijsvisie kunt persen. Daar zijn ze veel te slim en eigenwijs voor.

Een goed College van Bestuur (CvB) koestert de heterogeniteit en eigenwijsheid van zijn personeel en schept de voorwaarden waaronder het individuele talent kan schitteren. Dit talent ondergeschikt maken aan een collectieve visie staat haaks op de academische gedachte. Een universiteit is geen Shell. De volgende uitspraak van VU-docent Slijper in het NRC bevat dan ook een kern van waarheid:

Het kost heel veel moeite om het college uit te leggen dat wij de universiteit zijn en zij het ondersteunend personeel.

Nu is deze statement ietwat overdreven. Een CvB heeft namelijk ook een belangrijke strategische rol, door de omvang, samenstelling en kwaliteit van de activiteiten te bewaken (in het jargon van de commissie Veerman heet dit profilering). Je zou een universiteit dus kunnen opvatten als een houdstermaatschappij van onderzoeksprogramma’s en opleidingen. Als er rotte appels tussen zitten, grijpt een CvB in. Als activiteiten goed zijn, worden ze verder gestimuleerd. Maar dat is een kwestie van governance en heeft weinig te maken met een onderwijsvisie.

Het misverstand dat je voor de bewaking van de onderwijskwaliteit een instellingsbrede
onderwijsvisie moet hebben is er helaas ingeslopen bij de invoering van de instellingsaccreditatie. Ik citeer eerst de relevante passage uit het toetsingskader van de NVAO:

Het doel van de instellingstoets kwaliteitszorg is vast te kunnen stellen of het bestuur van een instelling vanuit zijn visie op de kwaliteit van het onderwijs een doeltreffend systeem van kwaliteitszorg hanteert waarmee het de kwaliteit van de aangeboden opleidingen kan garanderen. Het gaat bij de instellingstoets kwaliteitszorg uitdrukkelijk niet om de
beoordeling van de kwaliteit van de afzonderlijke opleidingen.

In de uitwerking hiervan schrijft de NVAO:

De instelling beschikt over een breed gedragen visie op de kwaliteit van haar onderwijs en op het ontwikkelen van een kwaliteitscultuur. Deze visie heeft betrekking op de ambitie van de instelling ten aanzien van de kwaliteit van haar onderwijs en de eisen die de instelling stelt aan de kwaliteit van haar opleidingen.

Ik heb deze regels meerdere malen gelezen en weet nog steeds niet wat er precies wordt bedoeld. Wat wil de NVAO? Is dat:

1) Een visie op onderwijs (hoe ziet goed onderwijs er uit?) of
2) Een visie op kwaliteitsbewaking (hoe zorgt de instelling ervoor dat de kwaliteit van het onderwijs wordt bewaakt?).

Interpretatie 2) sluit het meeste aan bij de geest van de instellingsaccreditatie. De instelling moet dan aantonen dat ze de kwaliteitsbewaking goed heeft georganiseerd (en dus “in control” is). Dat kan geheel visieloos. Het gaat dan om de vraag welke eindtermen de opleidingen hebben vastgesteld, of deze aan de internationale maatstaven voldoen, hoe de opleidingen die eindtermen denken te realiseren en of dit ook in de praktijk ook gebeurt. Opleidingen verschillen sterk in hun eindtermen en dus ook in de manieren om die te realiseren. En zelfs binnen hetzelfde wetenschapsgebied zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden. Een breed gedragen onderwijsvisie is dan ook niet nodig voor een sluitend kwaliteitssysteem. De eis dat er een “breed gedragen visie” moet zijn illustreert overigens hoe ver de NVAO van de universitaire werkelijkheid af staat. Een universiteit is immers een broedplaats van meningsverschil. Dat zit nu eenmaal in de aard van het beestje.

De vraag is nu hoe een CvB een instellingstoets ingaat. Kiest het CvB de tweede interpretatie en probeert het aan te tonen dat het “in control” is. Of wordt er voor de zekerheid toch maar een onderwijskundige beleidsmedewerker aan het werk gezet om iets van een onderwijsvisie te produceren die concreet genoeg is om de NVAO tevreden te stellen maar vaag genoeg is om de diversiteit binnen de instelling te accommoderen. Arme beleidsmedewerker, want dat lukt natuurlijk nooit.

Dit brengt me bij de vraag waarom we de instellingstoets überhaupt hebben. In de beperkte opleidingsaccreditatie – die verplicht blijft, ook als je de instellingstoets doorstaat – zit eigenlijk alles wat je nodig hebt om de kwaliteit van een opleiding te beoordelen. Scripties lezen, onderwijsmateriaal en toetsen beoordelen, studenten en docenten spreken. Dat is het nuttige handwerk van de opleidingsaccreditaties. De instellingstoets resulteert daarentegen alleen maar in beleidsdiarree. En het werk van het CvB wordt al beoordeeld via de prestatieafspraken die de minister met de universiteiten heeft gemaakt. Afschaffen dus, die instellingstoets.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Hoe internationaal moeten onze banken zijn?

17 maart 2013 1 reactie

Stel dat Guido van Woerkom morgen zou aankondigen dat de ANWB van plan is de Duitse zusterorganisatie ADAC over te nemen en bovendien leden wil gaan werven in Frankrijk. Als reden noemt hij de internationale orientatie van de Nederlandse toerist. Om deze goed te bedienen moet de toeristenbond natuurlijk ook internationaal georienteerd zijn. Lachwekkend natuurlijk, ware het niet dat dit de kwaliteit van de argumentatie is die DNB-president Klaas Knot hanteert om een sterke internationale rol voor Nederlandse banken te rechtvaardigen:

We hebben een internationaal georienteerd bedrijfsleven, dan heb je een internationaal georienteerd bankwezen nodig (interview in FD, 15 maart 2013).

Deze drogreden kom je vaker tegen. Nederlandse banken zouden zo groot en internationaal zijn geworden omdat ze een groot en internationaal georienteerd bedrijfsleven moeten ondersteunen. Maar een oppervlakkige analyse van de groei en activiteiten van Neerlands grootste internationale bank, ING, leert dat dit grote onzin is.

Het Nederlandse bedrijfsleven was internationaal al zeer succesvol toen de rechtsvoorgangers van ING nog de binnenlandse kleinzakelijke (NMB) of kleinburgerlijke (Postbank) markt bedienden. Als je naar de balans van ING kijkt dan is de internationale groei vooral de resultante van het veroveren van de buitenlandse retailmarkten via de ING Direct formule. Voor Philips, Shell en andere Nederlandse bedrijven is dat een irrelevante activiteit. Ook de internationale expansie van ABN-AMRO met de aankoop van LaSalle, Banco Real en Banco Antonveneta had meer te maken met het realiseren van de eigen groeiambities dan met het ondersteunen van het Nederlandse bedrijfsleven.

De herhaalde pogingen van de Nederlandse grootbanken om internationale zakenbankactiviteiten op te zetten konden nog met enige goede wil worden geinterpreteerd vanuit de gedachte dat ze financiele dienstverlening op het hoogste niveau aan het Nederlandse bedrijfsleven wilden aanbieden. Maar juist in dit segment faalden de Nederlandse banken jammerlijk (met mislukkingen als ING Barings en Rabo International). In investment banking is Nederland geen internationale speler en zal het dat ook nooit worden. En dat is helemaal niet erg. Voor zakenbankieren op topniveau weet het Nederlandse bedrijfsleven echt wel de weg naar Goldman Sachs te vinden.

Zoals de ANWB de Nederlandse toerist een paar buitenlandse steunpunten en samenwerkingsverbanden met zusterinstellingen aanbiedt, zo kunnen onze banken Nederlandse bedrijven in het buitenland faciliteren met een paar bijkantoren en met internationale netwerken van bankrelaties. Daarvoor is het helemaal niet nodig dat er voor miljarden aan buitenlandse activa en passiva op de balansen staan. Internationale expansie was voor Tilmant en Rijkman Groenink een instrument om de eigen groei en winst op te fokken; het had niets met de ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven te maken.

Met de uiteenrafeling van ABN-AMRO en de verkoop van een aantal internationale onderdelen van ING is het buitenlandbedrijf van de grootbanken al behoorlijk afgeslankt. Dat proces kan best nog verder worden doorgevoerd. Maar bovenal hebben we in Nederland behoefte aan garanties dat er over een tijdje geen nieuwe Tilmants en Groeninks opstaan die internationaal willen avonturieren onder staatsgarantie. We weten nu dat er van Klaas Knot op dit punt niets valt te verwachten.

Categorieën:Banken, Uncategorized

Hypotheekplan vergroot risicopositie staat

12 maart 2013 1 reactie

Gisteren rapporteerde NIBC-cfo Van Dijkhuizen over zijn onderzoek naar de vraag of institutionele beleggers meer kunnen worden ingeschakeld bij de hypothecaire woningfinanciering. Hij wil een deel van de NHG-hypotheken van banken onderbrengen bij een nieuwe Nederlandse Hypotheek Instelling (NHI) die zich financiert met de uitgifte van Nederlandse Hypotheek Obligaties (NHO’s) onder staatsgarantie. De reacties zijn tot nu toe gematigd positief. Er worden veel voordelen aan het plan toegeschreven. Zo zou het helpen om de kredietverlening aan bedrijven en burgers op gang te krijgen en om het depositofinancieringsgat van banken aan te pakken. Dit alles zonder de risicopositie van de overheid te vergroten. Maar het is zeer de vraag of al deze voordelen tegelijkertijd kunnen worden gerealiseerd.

Laten we even aannemen dat het veiligste gedeelte van de NHG-hypotheken terecht komt bij de NHI. Dan leveren de staatsgaranties op de NHO’s inderdaad geen extra risico voor de staat op (er was immers al een NHG verstrekt). De NHI is dus niet zo interessant. Boeiender is de vraag wat er na de overdracht van de NHG-hypotheken met de bankbalansen gebeurt. Er zijn diverse mogelijkheden, waarvan ik twee extreme scenario’s kort bespreek.

Ten eerste kunnen banken hun balans verkorten met het volledige bedrag van de overgedragen hypotheken. Dat heeft als voordeel dat het depositofinancieringsgat fors afneemt. Maar dat betekent ook dat er dan geen nieuwe impuls vanuit gaat op de kredietverlening. De kortere bankbalansen zullen waarschijnlijk een slechter risicoprofiel kennen, omdat één van de veiligste activa is overgedragen aan de NHI.

Ten tweede kunnen banken de NHG-hypotheken vervangen door nieuwe uitzettingen (bedrijfskredieten en nieuwe hypotheken), zodat hun balans even lang blijft als voorheen. Dat is weliswaar goed voor de kredietverlening (als er vraag naar is), maar houdt ook het depositofinancieringsgat in stand. In nog sterkere mate dan in het eerste scenario zal het risicoprofiel van de banken verslechteren. Veilige NHG-activa worden immers vervangen door bedrijfskredieten, niet-NHG hypotheken of het first-loss gedeelte van nieuwe NHG-hypotheken.

Deze verandering van het risicoprofiel van banken botst met de randvoorwaarde dat de risicopositie van de Nederlandse Staat niet mag worden vergroot. Zoals we intussen allemaal weten is de Nederlandse Staat de ultieme risicodrager van onze banken. Als de veiligste activa van de bankbalansen worden afgehaald stijgt de waarde van de impliciete staatssubsidie aan de banken. Kortom, hiermee wordt op een ondoorzichtige manier toch weer meer risico bij de staat gelegd.

Categorieën:Banken, Uncategorized