Archief

Archive for januari, 2013

De Icesave-uitspraak en het Nederlandse DGS

31 januari 2013 1 reactie

Afgelopen maandag heeft het EFTA-Hof uitspraak gedaan in de Icesave zaak. Het is een lang vonnis, waarin IJsland op alle punten gelijk krijgt. Kernpunt is dat de IJslandse belastingbetaler niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het falen van het depositogarantiestelsel tijdens een systeemcrisis. Los van de juridische merites doet de uitspraak me deugd. Ik heb het altijd buiten proportie gevonden om een kleine groep IJslandse burgers slachtoffer te laten worden van de blunders van banken en toezichthouders en van de weeffouten in de regulering van en het toezicht op Europese banken. Wat mij wel verbaasd is dat ons Ministerie van Financiën heeft laten weten deze uitspraak te betreuren. Als het over het Nederlandse DGS gaat huldigt onze minister namelijk precies hetzelfde standpunt als zijn IJslandse collega: de kosten voor het DGS komen ten laste van de banken, niet ten laste van de schatkist (zie deze brief, p. 5)

Hoe zou het nu in Nederland gaan, als één van de grootbanken met veel buitenlands spaargeld op de balans zou omvallen? Volgens de Wft schiet DNB als uitvoerder van het DGS de compensatie aan de spaarders voor (dus ook aan de spaarders bij de buitenlandse bijkantoren). Vervolgens probeert DNB de kosten op de boedel van de omgevallen bank te verhalen. Als dat niet helemaal lukt, worden de overgebleven banken aangeslagen. De wet specificeert niet wat er gebeurt als de boedel tekort schiet en de overige banken eveneens betalingsonmachtig zijn. Dit betekent dat DNB (en daarmee de Nederlandse overheid) als voorschotgever risico loopt.

Het is dus zaak dit risico zoveel mogelijk te beperken door ervoor te zorgen dat de boedel van de omgevallen bank het spaargeld dekt. De eerste verdedigingslinie wordt natuurlijk gevormd door de kapitaalbuffer. Zoals de discussie rond SNS laat zien komen vervolgens de (achtergestelde) obligatiehouders in beeld. Het ligt voor de hand dat in geval van nood ook de obligatiehouders verlies leiden. De expliciete garanties aan spaarders hebben immers voorrang boven de impliciete garanties waar obligatiehouders en kredietbeoordelaars tot nu toe vanuit zijn gegaan. Met de nieuwe interventiewet kan de obligatiehouder worden aangeslagen en is het DGS beter beschermd. De logische implicatie is dat obligatiehouders een passende risicopremie eisen en dat kredietbeoordelaars niet langer uitgaan van impliciete overheidssteun bij de bepaling van de rating. De opmerking hierover van Fitch vorige week was volgens mij overigens eerder een door een journalist uitgelokte logische constatering dan een door Fitch zelf geïnitieerde waarschuwing.

Maar dit alles willen de banken natuurlijk niet. Het is veel leuker om te spelen met gegarandeerde en goedkope financiering dan verantwoording af te leggen aan kritische obligatiehouders. Mijn verwachting is dan ook dat onze banken nog meer dan nu al het geval is op zoek zullen gaan naar goedkoop buitenlands internetspaargeld ter vervanging van dure unsecured obligaties. Voor de geloofwaardigheid van het DGS is dit een slechte zaak, omdat er dan bij een afwikkeling meer gegarandeerd spaargeld staat tegenover dezelfde boedel. Hoe meer onze grootbanken obligaties vervangen door buitenlands spaargeld, het groter de kans dat de boedel tekort schiet en de kosten komen te liggen bij andere banken of bij de overheid. Zou DNB dit doorhebben? Ik geloof het niet, want tot nu toe legt DNB geen beperkingen op aan het vergaren van buitenlands spaargeld door onze grootbanken.

Tot slot een kanttekening bij het redactioneel commentaar in het NRC van gisteren. Het NRC stelt dat Nederland met de wijziging van het DGS in een ex-ante fonds op de goede weg is. Dat klopt, maar het NRC vergeet erbij te vermelden dat in het huidige tempo van fondsvorming deze weg zeer lang is. Het kan tientallen jaren duren voordat het fonds voldoende vulling heeft om een deconfiture van een grootbank te bekostigen. In de tussenliggende tijd moeten kapitaalbuffers en obligatiehouders bescherming bieden aan het DGS. Dan helpt het als de hoeveelheid gegarandeerd spaargeld beperkt wordt tot wat we nodig hebben voor de binnenlandse economie. Verbieden dus, die opportunistische jacht van banken op goedkoop, gegarandeerd buitenlands spaargeld.

Advertenties
Categorieën:Banken, Uncategorized

Wiens belang behartigt de langstudeerdersvakbond?

20 januari 2013 2 reacties

De Erasmus Universiteit heeft onlangs gepubliceerd over de positieve tussenresultaten van haar project Nominaal = Normaal. Dit project is erop gericht om eerstejaars studenten te stimuleren om de propedeuse in één keer te halen. Het project omvat een scala aan maatregelen, waaronder de verhoging van de norm voor het bindend studieadvies (bsa) tot 60 credits en het gebruik van compensatieregelingen.

Over dat laatste windt de LSVb – de langstudeerdersvakbond – zich nu heel erg op. Het kan toch niet zo zijn dat studenten hun eerste jaar halen met onvoldoendes. Schande! “De Erasmus Universiteit legt de lat lager!” Een populistische boodschap waar bijvoorbeeld een krant als de Telegraaf wel gevoelig voor is.

Maar terwijl in de media de discussie over compensatie van onvoldoendes periodiek oplaait, is het onderwerp onomstreden in de onderwijskundige literatuur. In de psychometrie is immers al lang geleden aangetoond dat het veel beter is om een oordeel over iemands geschiktheid (voor bijvoorbeeld een studie) te baseren op het gemiddelde van veel metingen dan op een heleboel afzonderlijke metingen. Tentamens zijn imperfecte metingen van de beheersing van de stof door een student. De kwaliteit van tentamens varieert door de tijd heen en een student kan altijd een mindere dag hebben. Deze imperfecties middel je uit wanneer je compensatie toelaat (zie dit opiniestuk voor meer argumenten). De lat wordt dus betrouwbaarder. En met de verhoging van de bsa-norm naar 60 credits door de Erasmus Universiteit wordt deze lat ook nog eens hoger gelegd. Een betere lat hoger leggen, dat is dus waar het om gaat.

Met het alternatief – studenten laten herkansen tot ze erbij neervallen – hebben we binnen het hoger onderwijs helaas ruime ervaring. Er is geen betere manier om uitstelgedrag van studenten aan te moedigen dan het overvloedig aanbieden van herkansingen. En wat is een zesje nu eigenlijk waard na tien pogingen? De kans wordt steeds groter dat het een toevalstreffer is.

De logica van compensatieregelingen is zo sterk dat je ze – ondanks de onterechte negatieve beeldvorming – regelmatig tegenkomt. Niet alleen in het hoger onderwijs, maar ook in het voortgezet onderwijs. Niet alleen in Nederland, maar ook internationaal. Niet alleen tegenwoordig, maar ook in het verleden. Toen ik studeerde (begin jaren ’80) bestonden ze in ieder geval ook al. Natuurlijk moet een opleiding goed nadenken over de precieze vorm van compensatie. Persoonlijk heb ik een voorkeur voor een examenregeling waarin alleen lichte onvoldoendes kunnen worden gecompenseerd en waarin compensatie plaatsvindt tussen soortgelijke vakken. En dan alleen in de eerste, brede fase van de bacheloropleiding, niet in de specialisatiefase of in de master. Maar afhankelijk van de inhoud en opbouw van het curriculum zijn er verschillen tussen opleidingen mogelijk.

Het opgewonden persbericht van de langstudeerdersvakbond kan dus niet worden onderbouwd.
Waarom maken ze dan zoveel mediakabaal? Volgens mij is voor de langstudeerdersvakbond de echte steen des aanstoots de verhoging van de bsa-norm naar 60 credits. De LSVb is altijd al een fel tegenstander geweest van het bindend studieadvies, overigens om mij onduidelijke redenen. De aanscherping hiervan door de Erasmus Universiteit is de LSVb dan ook een doorn in het oog. Dit beleid moet blijkbaar met alle middelen worden bestreden, onderbouwing of geen onderbouwing.

Met de komst van het sociaal leenstelsel zal studievertraging tot een nog hogere studieschuld leiden. De hoge bsa-norm (met daarbij de invoering van compensatieregelingen en een gelijktijdige afbouw van herkansingsmogelijkheden) reduceert het uitstelgedrag en stimuleert de student tot een onmiddelijke studieinspanning. In het sociaal leenstelsel zal zo’n vliegende start worden beloond met een lagere studieschuld. En van harder werkende studenten verschraalt het onderwijs niet, hooguit het ledenbestand van de langstudeerdersvakbond. Ik vraag me onderhand af wie de belangen van de student beter dient, de langstudeerdersvakbond of de Erasmus Universiteit.

Categorieën:Onderwijs

Out of options

18 januari 2013 Plaats een reactie

In de komende weken zal er meer duidelijkheid moeten komen over de toekomst van SNS. Het lijkt erop dat de schatkist wederom fors zal worden aangesproken om een bank overeind te houden. De animo om met publieke middelen een bank te redden is nu nog veel geringer dan vlak na de ineenstorting van Lehman. Maar veel private opties zijn er niet. Van de paar banken die we nog hebben mogen ING en ABN-AMRO niet meehelpen van Brussel. Blijft over de Rabobank, die zal aanvoeren dat ze na de Friesland Bank niet ook nog eens SNS kan redden.

Dat er weinig opties over zijn heeft de overheid echter volledig aan zichzelf te wijten. Natuurlijk, bankiers doen uit hebzucht domme dingen en toezichthouders lopen vaak achter de feiten aan. Maar we moeten niet de illusie hebben dat gedragscodes de hebzucht uitbannen of dat toezichthouders opeens geen fouten meer maken. De kunst is om een financieel stelsel te ontwerpen dat beter bestand is tegen deze menselijke tekortkomingen. En dat is de verantwoordelijkheid van de regering.

Vanuit dat perspectief is de cruciale blunder door het Ministerie van Financiën zelf gemaakt. Maar dat is intussen zo lang geleden dat weinigen het zich zullen herinneren. Het gaat om de afschaffing van het structuurbeleid ten aanzien van de financiële sector in 1990 (geïnitieerd door Minister Ruding). Het structuurbeleid bestond uit het tegengaan van economische machtsconcentraties rondom banken en een scheiding tussen banken en verzekeraars. Structurele veranderingen in het bankwezen werden door de overheid getoetst aan de criteria “gezond bankbeleid” en “ongewenste ontwikkeling van het kredietwezen”. Het eerste criterium betrof het effect op de solvabiliteit en de liquiditeit van de betrokken bank; het tweede criterium was gericht op het voorkomen van ongewenste economische machtsconcentraties. Fusies van grote banken met andere banken van enige importantie werden in beginsel niet toegestaan, vanwege de daaruit voortvloeiende verschraling van het bancaire aanbod. Ook fusies tussen banken en verzekeraars waren uit den boze. Het structuurbeleid hield de diversiteit van de sector in stand en zette een rem op de groeineigingen van bankiers.

Het structuurbeleid werd op 1 januari 1990 volledig geliberaliseerd. “Europa 1992” was de belangrijkste overweging hierbij. Beleidsmakers vonden dat de Nederlandse financiële instellingen zich adequaat moesten kunnen voorbereiden op de interne markt. Daarbij pasten de beperkingen van het structuurbeleid niet langer.

De binnenlandse samenklontering en de buitenlandse expansie die in de jaren negentig volgden hebben er echter toe geleid dat de consequenties van ongelukken in de Nederlandse financiële sector veel groter werden en de opties om ze op te lossen navenant geringer. Tijdens de vorige vastgoedcrisis konden Westland Utrecht en FGH nog worden gered door branchegenoten. Bij SNS is dat intussen zeer twijfelachtig. De overheid heeft zichzelf dus in een hoek geschilderd. Door het structuurbeleid af te schaffen heeft de overheid niet alleen het systeemrisico verhoogd en de keuzevrijheid van de bankconsument beknot, maar beschikt Minister Dijsselbloem nu ook over minder vrijheidsgraden bij het redden van SNS.

(zie ook deze oude blog over het structuurbeleid)

Categorieën:Banken

Teleurstelling nu of in de toekomst?

11 januari 2013 Plaats een reactie

Mijn vrouw is huisarts. Elk jaar overheerste de teleurstelling wanneer we haar magere pensioenaanspraken (van het huisartsenpensioenfonds, de SPH) vergeleken met die van mijn ABP pensioen. Maar vandaag heb ik geleerd dat ik juist heel blij moet worden van de SPH. Volgens hoogleraar Kocken pakt de SPH het psychologisch beter aan: “Ze bieden meer zekerheid, omdat de lage belofte die ze doen vrijwel altijd gehaald wordt”. Het NRC kopt “Pensioen huisarts stelt nooit teleur”. Maar dat klopt natuurlijk niet. De kop moet zijn: “Pensioen huisarts stelt nu teleur”. En dan vraag je je als econoom af wat erger is: teleurstelling nu of in de toekomst?

Categorieën:Uncategorized

Zolang hoogleraren niet kloonbaar zijn blijft het hoorcollege zinvol

8 januari 2013 Plaats een reactie

In de Volkskrant is een discussie losgebarsten over het nut van hoorcolleges in het universitaire onderwijs. Hoogleraar Jan Derksen pleit voor afschaffing van deze onderwijsvorm:

De universiteit zou moeten aansluiten bij de nieuwe psychologische identiteit van jongeren. Ze zijn individualistisch en narcistisch geworden, mede onder invloed van de technologie. Dat is geen verloedering, maar iets waar je op moet inspelen.

Geef studenten de vrijheid om hun eigen interesses na te jagen. Colleges kunnen het internet op. Toetsen kunnen ook online worden afgenomen.

In de onderwijskunde wordt echter vaak gewezen op het belang van sociale en academische integratie voor de studievoortgang (de guru op dit terrein is de Amerikaanse hoogleraar Vincent Tinto). De column van Floor Rusman in nrcnext, waarin ze het onder meer heeft over het belang van gezamenlijkheid, sluit hierbij aan. Als je de “individualistische en narcistische student” moederziel alleen laat surfen op het internet voorspelt dat volgens Tinto dan ook weinig goeds voor de studievoortgang. [Overigens heb ik in mijn loopbaan meer narcisme gezien onder hoogleraren dan onder studenten, maar dit terzijde].

Voor elke onderwijsvorm geldt dat het succes staat of valt met de kwaliteit van de uitvoering. Zo ook voor het hoorcollege. Je hebt goede en je hebt slechte hoorcolleges. Goede hoorcolleges brengen structuur aan, boeien de student en motiveren hem/haar tot zelfstudie. Net als bij een concert is een goed hoorcollege “live” een betere ervaring dan via het internet, zie ook de uitstekende repliek van Eva van Gemert. Maar er zijn helaas ook minder inspirerende hoorcolleges waarin docenten voorlezen uit collegedictaten of powerpoints.

Met name de grootschalige hoorcolleges vormen een uitdaging voor zowel de docent als de student. Interactie met individuele studenten is immers nauwelijks mogelijk. Deze onderwijsvorm verlangt van de docent doceerkwaliteiten die erop gericht zijn om een groot publiek te bereiken. Niet iedere docent heeft deze van nature in huis. Er worden op veel universiteiten dan ook cursussen theatervaardigheden aangeboden aan universitair docenten. En van de student wordt twee uur stilte en aandacht gevraagd. Dat is natuurlijk een lange tijdspanne in het smartphone-tijdperk met alle sociale media-afleidingen. Maar juist het hoorcollege zou een prikkelvrije omgeving kunnen bieden waarin de student zich volledig concentreert op de spreker. Dan moet natuurlijk wel de smartphone uitstaan. In de bioscoop en de concertzaal is dit vanzelfsprekend; dat zou het ook moeten zijn in de collegezaal. En thuis op de studentenflat zijn er zoveel prikkels en afleidingen dat er van het geconcentreerd afluisteren van een webcast weinig terecht komt. Niet voor niets zoeken studenten voor zelfstudie een ouderwetse bibliotheek op.

In een andere repliek breekt Tom van Hoven een lans voor meer kleinschalig contact tussen docent en student:

De klaagzang van Derksen komt voort uit het geven van hoorcolleges aan groepen van vijfhonderd eerstejaars in een grote collegezaal. Iedere student zal beamen dat deze colleges op zijn zachtst gezegd niet de meest inspirerende zijn. De oplossing van Derksen zal echter deze situatie niet verbeteren maar slechts verslechteren. Een echte oplossing is het verkleinen van de grote groepen studenten en meer college geven in werkgroepvorm naast de reguliere hoorcolleges. Op deze manier kunnen studenten elkaar stimuleren en is er genoeg ruimte voor vragen en discussie. De gedachte dat hier rijen docenten en hoogleraren voor nodig zijn is onjuist. Ouderejaars studenten kunnen door het volgen van cursus didactiek werkgroepen geven aan jongere studenten. Deze ouderejaars weten vaak nog goed waar pijnpunten in een vak lagen en kunnen goed inspelen op de behoeftes en interesses van de studenten. Daarnaast zullen de ouderejaars hun eigen sociale en didactische vaardigheden uitbreiden – twee vliegen in een klap.

Een mix van hoorcolleges door hoogleraren en kleinschalige werkgroepen door ouderejaars studenten of PhD-studenten lijkt me voor de meeste grootschalige opleidingen inderdaad de beste combinatie. Maar het defaitisme van Van Hoven ten aanzien van de hoorcolleges deel ik niet. Juist de hoorcolleges zouden moeten inspireren. De wetenschappelijke bevlogenheid komt niet van een ouderejaars student; die moet toch echt van de hoogleraar komen.

Ik denk overigens dat in het huidige onderwijsklimaat de voordelen van kleinschalige interactie tussen studenten iets worden overschat. Als student luisterde ik liever naar een prof dan naar een mede-student, ook al was in het eerste geval de zaal wat groter. Hoogleraren hebben meer te vertellen, maar zijn helaas niet te klonen voor kleinschalig onderwijs. Ook nu nog luister ik liever naar een boeiende expert dan dat ik een groepsdiscussie bijwoon. Maar luisteren is in het hoger onderwijs helaas een ondergewaardeerde activiteit geworden; meepraten zonder kennis een overgewaardeerde. De ironie wil dat ik ooit een pleitbezorger van probleem-gestuurd onderwijs (geen hoorcolleges maar praatgroepen) een geweldig hoorcollege heb horen geven.

Categorieën:Onderwijs

Geruststellingen in plaats van voorspellingen

3 januari 2013 6 reacties

De website huizenmarkt-zeepbel.nl vestigde mijn aandacht op de volgende uitspraak van Rabobank CEO Moerland in het AD:

En wat de dalende huizenprijzen betreft: we stoppen met het geven van voorspellingen, want eigenlijk weten we niet wat die prijzen gaan doen. Maar als je zegt dat ze gaan dalen, gaan mensen daar rekening mee houden, dan wordt het een self-fulfilling prophecy. Dus doen we dat niet meer.

De eerste bewering (we weten het niet) is eerlijk, de tweede (self-fulfilling prophecy) is hypocriet. Ik heb dat argument nooit gehoord bij het voorspellen van prijsstijgingen in een opgaande markt.

Voor een bank die de grootste hypotheekverstrekker van Nederland is, een hele batterij economen in dienst heeft en zich profileert met kennis als onderscheidende factor, is het nogal wat om ruiterlijk toe te geven dat ze geen idee hebben welke kant de huizenmarkt opgaat. Maar de slechte voorspelkracht viel niet langer te ontkennen.

Hieronder staat een tabel met realisaties en voorspellingen. Het betreft jaar-op-jaar veranderingen in de NVM huizenprijs en de voorspellingen daarvan die de Rabobank in de herfst (november of september) voorafgaand aan het desbetreffende jaar heeft gemaakt. De informatie op de Rabobank website gaat helaas niet heel ver terug, dus ik moet het hier doen met slechts zes jaren. In drie daarvan (2007, 2010 en 2011) waren de voorspellingen goed, maar bij de omslag in 2008 (van groei naar stilstand) en de forse prijsdalingen in 2009 en 2012 sloegen de voorspellingen de plank mis. Qua voorspelkracht doet de Rabobank het niet beter dan een random walk voorspelling [voor de fijnproevers: de MAE van de Rabobank is iets lager dan de random walk, maar de RMSE is hoger].

Jaar____Realisatie___Voorspelling
2007_____ 3,6_________ 3,25
2008_____-0,1_________ 3,25
2009_____-7,4_________ 1
2010_____ 3,2_________ 3
2011_____-1,7_________-1
2012_____-7,5_________ 2,5

(alles in %; realisatie 2012 = rabovoorspelling in november 2012)

Het is een bekend fenomeen dat omslagen in het marktsentiment en extreme veranderingen moeilijk zijn te voorspellen. Daar heeft niet alleen de Rabobank, maar ook bijvoorbeeld het CPB last van. Het relativeert ook de toegevoegde waarde van economische voorspellingen: als je ze echt nodig hebt, geven ze niet thuis.

Naast het missen van de uitschieters valt de positieve bias in de Rabo-voorspellingen op: gemiddeld voorspelde de Rabobank over de periode 2007-2012 een verandering van 2%; het werd -1,7%. Opmerkelijk is ook dat de voorspellingen relatief weinig fluctueren: de standaarddeviatie is 1,7 (tegen 4,9 voor de realisaties).

Over de periode 2007-2012 schetsen de voorspellingen van de Rabobank een beeld van een zich gematigd positief ontwikkelende huizenmarkt die zich na elke dip weer snel herstelt. Een beeld dat meer het verlangen van de bank naar stabiliteit reflecteert dan de werkelijkheid in de huizenmarkt. Want als je op een berg hypotheken zit en te dure woningaankopen van clienten hebt gefinancierd, dan wil je de markt natuurlijk niet destabiliseren. Dan wil je vooral geruststellen in plaats van voorspellen.

Moerland zal dan ook wel geschrokken zijn toen hij de voorspelling voor 2013 onder ogen kreeg. Een Rabo-econoom had de stoute schoenen aangetrokken en een prijsdaling van maar liefst 6% voorspeld (NVM benchmark), ver buiten de brave range over de periode 2007-2012. De Rabobank zal vast veel negatieve reacties hebben gekregen van bevriende makelaars en andere belanghebbenden. Dit kan toch niet de bedoeling zijn, er zou wel eens een self-fulfilling prophecy kunnen optreden. Veel te spannend. Dan maar gauw stoppen met die onzin.

Toch is stoppen met voorspellen de enige juiste beslissing, zij het dat die veel te laat en om de verkeerde reden is genomen. Het goede argument hiervoor is dat de Rabobank als belanghebbende partij de schijn van belangenverstrengeling moet vermijden. Het is veel chiquer om te zeggen: “Het is niet aan ons om de huizenmarkt te voorspellen, daarvoor zitten wij er te diep in. Laat een onafhankelijke partij dat maar doen”. Hetzelfde geldt voor de andere banken en voor de NVM. En de media zouden eindelijk eens moeten leren dat ze voor prognoses van de huizenmarkt niet moeten aankloppen bij banken en makelaars.

En het publiek dan? Dat zal moeten leren dat ook een huis een riskant beleggingsobject is, dat de markt twee kanten kan opgaan, dat geen enkele bank ze kan geruststellen en dat ze zich conservatief zullen moeten financieren.

Natuurlijk is het gemakkelijk om achteraf voorspellingen te bekritiseren, hoewel ik in deze oude pre-Lehman blog een stuk realistischer was dan de Rabobank.

Categorieën:Banken