Archief

Archive for oktober, 2012

Verlos de universiteiten van een belangenconflict

30 oktober 2012 1 reactie

Onderstaande blog verscheen eerder in HO management, Oktober 2012

De overheid wil dat universiteiten zowel een hoge kwaliteit als een hoog studierendement leveren. Een probleem hierbij is dat deze doelstellingen kunnen conflicteren, zoals de InHolland-affaire heeft aangetoond. Het antwoord van de vorige regering op dit belangenconflict was een drastische toename van de bureaucratie. Een nieuwe minister van onderwijs zal echter moeten inzien dat extra bureaucratie het onderliggende probleem niet oplost. Het belangenconflict kan beter bij de wortel worden aangepakt, door de verantwoordelijkheid voor de studievoortgang bij de student zelf te leggen. De universiteiten kunnen zich dan richten op het handhaven van het niveau van de opleidingen.

Het is een bekend gegeven dat de wekelijkse studie-inspanning van studenten bij de overgang van het vwo naar het wo fors daalt. Onderwijskundigen zijn gewend de oorzaak hiervan bij het onderwijs zelf te zoeken. Dat zou niet activerend genoeg zijn. De student moet daarom tot een studieinspanning worden verleid met intensieve onderwijsvormen. Maar intensieve onderwijsvormen zijn dure onderwijsvormen. In een tijd waarin de overheid fors bezuinigt wekt het pamperen van een jonge bevoorrechte elite een extravagante indruk. We moeten af van het idee dat we alleen goede studieprestaties mogen verlangen in ruil voor een verdere intensivering van het onderwijs.

Er zijn goedkope manieren om de studieprestaties te bevorderen. Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam wordt bijvoorbeeld het nominaal studeren bevorderd door de norm voor het bindend studieadvies te verhogen naar de maximale 60 studiepunten. De hogere lat daagt studenten uit om onmiddellijk een goede prestatie neer te zetten. Ook zou het een goed idee zijn om studenten na een tweede negatief bindend studieadvies de verdere toegang tot het wo te ontzeggen. Een door de samenleving gefinancierde plek in het hoger onderwijs is immers een schaars goed, waar een student op een verantwoorde wijze mee moet omspringen. Mede dankzij de langstudeerregeling dringt dit besef langzaam door bij studenten. De beschamende manier waarop politici tijdens de verkiezingscampagne hiervan afstand namen, doet echter vrezen dat zij studenten niet durven aan te spreken op hun studievoortgang. De gemakkelijke weg is dan om de universiteiten verantwoordelijk te maken voor de inspanning van de student, bovenop hun verantwoordelijkheid voor het eindniveau van afgestudeerden.

Een nieuwe minister moet de universiteiten verlossen van dit belangenconflict. Leg de verantwoordelijkheid voor het eindniveau bij de universiteit en die voor het rendement bij de student. Verlos de instellingen ook van een perverse prikkel door de bekostiging te baseren op onderwijsdeelname in plaats van op rendement. Zonder belangenconflict hoeven we minder bang te zijn voor InHolland-toestanden en kan het kostbare, op wantrouwen gebaseerde accreditatiecircus worden teruggesnoeid.

De lastenreductie die bij de invoering van de instellingsaccreditatie werd beloofd is niet waargemaakt. De instellingsaccreditatie komt bovenop de al bestaande opleidingsaccreditatie. Ook is de interne bureaucratie binnen de universiteiten sterk toegenomen, als risicomijdende reactie op de instellingsaccreditatie. Het ligt dan ook voor de hand om de instellingsaccreditatie weer af te schaffen. De zaken waar het echt om draait in het onderwijs, zoals de kwaliteit van de docenten en de toetsing, liggen immers op opleidingsniveau.

Een bijkomend voordeel hiervan is dat het een halt toeroept aan de tendens tot centralisatie in het hoger onderwijs. Bij de invoering van de instellingsaccreditatie is de denkfout gemaakt dat goed bestuur gelijk staat aan centraal beleid. Zo wordt van een instelling een ‘breed gedragen visie’ op de kwaliteit van het onderwijs verwacht. Dit doet me erg denken aan InHolland, waar elke docent mee moest in de hype van het competentiegerichte onderwijs. We weten hoe het daar is afgelopen. Grote onderwijsinstellingen hebben meer baat bij diversiteit dan bij eenheidsworst.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Brood en spelen

20 oktober 2012 Plaats een reactie

Bij alle commotie rond het stopzetten van de sponsoring van de Raboploeg mis ik toch nog het antwoord op een aantal vragen:

– Waarom besteden Nederlandse financiële instellingen zo buitensporig veel geld aan sportsponsoring?

– Waarom vinden we het in Nederland normaal dat topmannen in het bankwezen besluiten welke sporten een financiële injectie krijgen en welke niet?

In een markt met sterke concurrentie tussen private bedrijven mag je verwachten dat een bedrijf alleen aan sportsponsoring doet als hiervoor een solide business case te maken valt. De financiële sector is echter ver verwijderd van volledige mededinging en kent, zoals we weten, een hoge mate van kartelvorming en overheidsbescherming. In een dergelijke bedrijfsomgeving met overwinsten is het minder duidelijk of de sponsoring strikt noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf. Het najagen van hobby’s of imagoverbetering door topbestuurders ligt dan al gauw op de loer.

De gulheid waarmee de financiële sector met het geld van de spaarder Sinterklaas speelt in de sportwereld doet me denken aan de manier waarop de Romeinse keizers spelen organiseerden om in de gunst te blijven bij de burger. Maar deze paternalistische houding is niet meer van deze tijd. Banken hebben de verantwoordelijkheid om zeer zuinig met de centen van hun spaarders om te springen. Als er geld overblijft kunnen ze dat terugsluizen naar de klant via betere tarieven.

De bevordering van de sport kan beter via het democratische proces verlopen. Daar hebben we per slot van rekening de overheid voor. En als de banken daaraan willen bijdragen door een hogere bankenbelasting te betalen dan is dat wat mij betreft prima.

Categorieën:Banken

Slecht beleid is geen schok

18 oktober 2012 1 reactie

De komende twee dagen buigen de Europese regeringsleiders zich over het acht pagina’s tellende memo Towards a Genuine Economic and Monetary Union van Van Rompuy en consorten. Hierin wordt een pleidooi gehouden voor het ontwikkelen van een nieuwe fiscal capacity voor de eurozone. De rechtvaardiging hiervoor komt rechtstreeks uit de Optimal Currency Area literatuur. Kort samengevat komt die hierop neer. In een muntunie kan een land niet langer devalueren als reactie op een land-specifieke economische schok. Dit betekent dat de schok op een andere manier moet worden opgevangen. Loon- en prijsflexibiliteit (interne devaluatie) en arbeidsmobiliteit zijn de marktconforme aanpassingsmechanismen. Maar die zijn in de eurozone relatief slecht ontwikkeld. Een alternatief is het versterken van de onderlinge solidariteit via de begroting. Dit is de relevante passage in het memo:

One of the functions of such a new fiscal capacity could be to facilitate adjustments to country-specific shocks by providing for some degree of absorption at the central level. In the EMU, the response to a symmetric shock affecting all countries simultaneously should primarily be provided by monetary policy, whereas in the context of country-specific economic shocks, the response falls primarily on national budgets. The European Stability Mechanism is a crisis management instrument and was not designed to perform such a shock absorption function. Moreover, low levels of cross-country labour mobility and structural impediments to price flexibility make economic adjustment mechanisms less effective than in other monetary unions. Asymmetric shock absorption at the central level would represent a form of limited fiscal solidarity exercised over economic cycles, improving the economic resilience of the EMU. (p.5)

Er zijn voorbeelden waarin risicodeling via de begroting door burgers wordt geaccepteerd. In Nederland kunnen we denken aan de positieve schok van de aardgasvondst in Slochteren en de negatieve schok van de mijnsluiting in Zuid-Limburg. Dit type schokken komt nog het dichtste in de buurt van de asymmetrische schokken uit de OCA-literatuur: de schokken zijn onverwacht en komen van buitenaf (dwz beleidsmakers hebben er maar een beperkte invloed op). Deze schokken zijn in principe verzekerbaar. Wanneer burgers ook maar enige lotsverbondenheid voelen zal er in dit geval een bereidheid tot risicodeling zijn.

De vraag is nu of de problemen in de eurozone door dit soort asymmetrische economische schokken worden veroorzaakt. Kunnen we de gebrekkige belastinginning, de bureaucratie, het cliëntelisme en de corruptie in Griekenland kenschetsen als een negatieve schok? Het lijkt mij niet. Slecht beleid is geen schok en dus niet verzekerbaar. Het moreel risico is domweg te groot. De Griekse problemen oplossen door begrotingssolidariteit is een recept om het draagvlak voor Europese eenwording verder uit te hollen.

Het knappen van de huizenzeepbellen in Spanje en Ierland voelde natuurlijk wel als een schok. Maar ook hier is sprake van een sterke beleidscomponent in de opgaande fase. Toezichthouders en centrale banken hebben volledig onderschat welke invloed de monetaire eenwording op de kapitaalstromen richting deze landen had. Het Duitse en Nederlandse kapitaal vloeide naar Spanje zonder dat hier vraagtekens bij werden geplaatst. Hoewel er in deze twee gevallen dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, ligt het niet voor de hand om dit type financiële schokken met een nieuwe fiscal capacity aan te pakken. Beter macro-prudentieel toezicht en een Europese bankenunie zijn hier de aangewezen beleidsinstrumenten.

Van Rompuy noemt nog een tweede rechtvaardiging voor de fiscal capacity:

Another important function of such a fiscal capacity would be to facilitate structural reforms that improve competitiveness and potential growth… (p. 5)

Overdrachten als smeermiddel voor hervormingen. Maar op dit moment faciliteert Noord-Europa de hervormingen in de schuldenlanden al via leningen uit de noodfondsen. Voor zover de rente op deze leningen lager ligt dan de marktrente en er wellicht in de toekomst op deze leningen moet worden afgeschreven, is hier al sprake van overdrachten. Het gebruik van de noodfondsen past ook beter bij het tijdelijke karakter van de hervormingsinspanning. Hervormen moet nu gebeuren en niet oneindig worden gefaciliteerd met overdrachten. Dus ook hier is er geen noodzaak voor een fiscal capacity.

Kortom, meer begrotingssolidariteit omdat landen verschillen in de kwaliteit van hun financieel-economisch beleid is een zeer slecht idee. Hopelijk vegen de regeringsleiders dit plan snel van tafel en gebruiken ze hun energie om de plannen voor een bankenunie vlot te trekken.

Monetaire transmissie is geen schijnargument

15 oktober 2012 Plaats een reactie

Volgens de ECB is het voorwaardelijke opkoopprogramma (bestaande uit de zogenaamde Outright Monetary Transactions) bedoeld om de renteverschillen die zijn ontstaan vanwege het door de financiële markten gepercipieerde opbreekrisico te elimineren. Op deze wijze zou het OMT-programma bijdragen aan een herstel van het monetaire transmissiemechanisme binnen het eurogebied. In de woorden van Draghi:

“The ECB’s Governing Council therefore faced a choice: to accept this situation and allow the singleness of its monetary policy to be undermined; or to take actions within its mandate to restore the normal transmission of monetary policy across all parts of the euro area. We decided in favor of the latter.” (speech 25/9 in Berlijn)

Op deze argumentatie is veel kritiek geleverd. Een punt dat onder andere ex-ECB bestuurslid Jürgen Stark heeft gemaakt is dat de wens om het transmissiemechanisme te repareren zich slecht verhoudt tot de aan het programma verbonden conditionaliteit. Alsof het monetaire transmissiemechanisme niet meer hoeft te worden gerepareerd als Spanje niet meer aan de voorwaarden zou voldoen. Deze ingebakken tegenstrijdigheid is inderdaad niet fraai, maar kan misschien nog worden goedgepraat als de politieke prijs die moet worden betaald voor een actievere rol van de ECB.

Fundamenteler is de kritiek dat het de ECB helemaal niet zou gaan om het monetaire transmissiemechanisme. Dat zou slechts een schijnargument zijn om de rente op de staatsobligaties van de schuldenlanden te drukken. Een recent artikel in Der Spiegel maakt hier een groot punt van, door erop te wijzen dat er altijd al grote verschillen tussen de eurolanden waren in de rentestanden op bedrijfskredieten:

…there have frequently been substantial spreads in interest rates in the history of the euro. This occurred most frequently at the beginning of the monetary union. But it has been a repeating phenomenon even in more recent years.

This suggests that Draghi’s objective is in fact not to achieve low interest rates for businesses, consumers and home builders, but that he has a different clientele in mind: the governments in Madrid and Rome.

De observatie dat de kredietrentes altijd al een grote mate van variatie vertoonden klopt. De eurozone was nooit een goed geïntegreerde markt voor bedrijfsleningen. Maar Der Spiegel kijkt naar de verkeerde kant van de bankbalans als het gaat om de recente ontwikkelingen. De onderstaande grafiek laat zien dat de dynamiek vooral aan de passiefkant zit. Binnen de eurozone waren de rentestanden op spaargeld voorafgaand aan de kredietcrisis redelijk geconvergeerd (met een cross-sectionele standaarddeviatie onder de 0.2 voor bedrijven en iets hoger voor huishoudens). Sinds de kredietcrisis is de dispersie echter sterk toegenomen. En een daling is nog niet in zicht.

Banken in de schuldenlanden moeten dus veel hogere rentes op spaargeld betalen dan banken in Noord-Europa. Deze risicopremies hebben alles te maken met het feit dat spaarders in de schuldenlanden hun geld niet meer veilig achten bij hun eigen banken, o.a. vanwege het opbreekrisico. Het gevolg hiervan is dat het officiële ECB rentetarief een ongelijke doorwerking heeft in de eurozone. Het is terecht dat de ECB dit ziet als een urgente zorg.

Natuurlijk worden de hogere financieringskosten van Zuid-Europese banken op binnenlands spaargeld deels gecompenseerd door het grotere beroep van deze banken op de goedkope leenfaciliteiten van de ECB. Maar dat is een onwenselijke situatie waar we liever vanaf zouden zijn.

Als het OMT-programma rust kan brengen bij spaarders door het opbreekrisico te elimineren, dan draagt dat bij aan een uniformere transmissie van het ECB tarief naar de rente op spaargeld en kan het helpen om de Zuid-Europese banken minder afhankelijk te maken van ECB funding. In die zin is de argumentatie van Draghi correct en valide. Maar tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat voor Draghi’s singleness of monetary policy veel meer nodig is dan een opkoopprogramma. Zolang er grote verschillen zijn in de financiële gezondheid van banken in de eurolanden zal dat een negatief effect hebben op de uniformiteit van de monetaire transmissie. Misschien kan de ECB daar straks vanuit haar nieuwe toezichthoudende verantwoordelijkheid aan werken.

ING Direct: € 13 bln down, € 47 bln to go

9 oktober 2012 Plaats een reactie

Heel goed dat ING haar bijkantoor ING Direct UK heeft verkocht. Met deze beslissing valt € 13,4 miljard aan spaargeld van Britse burgers gelukkig niet langer onder het Nederlandse depositogarantiestelsel. Het Nederlandse dgs houdt echter een exposure van € 47,1 miljard aan Frans, Italiaans en Spaans spaargeld dat onder ING Direct NV is verzameld. Ook deze activiteiten zouden moeten worden verkocht of tenminste in een dochteronderneming moeten worden omgezet.

Zie voor een uitgebreidere beschouwing over de teloorgang van het ING Direct bedrijfsmodel deze oude blog.

Categorieën:Banken

Het VNO-NCW moet geen bankenlobby doen – Naschrift

6 oktober 2012 1 reactie

Mijn vorige blog heeft nogal wat reacties losgemaakt. “Tendentieus en populistisch” was de mening van Robin Fransman van Holland Financial Center. En er was enige discussie over de cijfers uit het KMPG-rapport en mijn gebruik daarvan.

Om met de cijfers te beginnen, die zijn rechtstreeks overgenomen uit het KPMG rapport. Het bedrag van € 256 mld aan kredietverlening aan binnenlandse bedrijven betreft de zes grootste Nederlandse banken. DNB publiceert cijfers voor het gehele Nederlandse bankwezen en die komen hoger uit. Tabel 5.2.4 op de DNB website geeft een bedrag van € 331 mld, waaronder overigens een hoger bedrag (€ 95 mld) aan vastgoedfinanciering. Maar dit bedrag moet dan ook worden gerelateerd aan een hoger balanstotaal van € 2837 mld (geconsolideerd). Dan resulteert een percentage kredietverlening aan binnenlandse bedrijven van 11,7% inclusief en 8,3% exclusief vastgoedfinanciering. De DNB cijfers geven dus ongeveer hetzelfde beeld als de KPMG cijfers.

Een ander punt van kritiek is dat ik in de noemer van dit percentage alle activiteiten heb meegenomen, inclusief bijvoorbeeld buitenlandactiviteiten. Maar daar draait het nu juist om. Hoe belangrijk is de achterban van VNO-NCW nog voor de Nederlandse banken? Waar besteden bankiers hun energie aan? Wat zegt het bijvoorbeeld als ING € 35 mld heeft uitstaan aan Spaanse activa (juli 2012), tegenover € 21 mld kredietverlening aan de Nederlandse industrie door het hele Nederlandse bankwezen (zie wederom Tabel 5.2.4 DNB). Afgemeten aan de balans komt de kredietverlening aan binnenlandse bedrijven pas op de vierde plaats, na verhandelbare activa, hypotheken en buitenlandse activa. Als VNO-NCW zou ik daar vraagtekens bij plaatsen.

De kredietverlening aan binnenlandse bedrijven was overigens door de jaren heen een relatief stabiele balanspost. Snelle groei – vaak een indicatie van expansiedrift (bonus!) en teveel risico nemen – zag je vooral bij de verhandelbare activa, hypotheken en buitenlandse activa. Waarom zou de kredietverlening aan binnenlandse bedrijven moeten lijden onder de missers bij de andere activiteiten? Krimpen kan ook door buitenlandse activa te verkopen.

Je zou kunnen tegenwerpen dat banken private bedrijven zijn die in alle vrijheid hun markten en klanten mogen kiezen. Maar met dat uitgangspunt ben ik het fundamenteel oneens. Onze banken overleven bij de gratie van de Nederlandse spaarders en belastingbetalers. Zij staan garant, niet omdat bankiers zo aardig zijn of superieure internationale ondernemers zijn, maar omdat banken een onmisbare maatschappelijke rol spelen door kredieten te verstrekken aan bedrijven en ondernemers die geen rechtstreekse toegang tot de financiele markten hebben. Zolang de Nederlandse staat de ultieme risicodrager van de activiteiten van onze banken is (dwz totdat er ooit een full-fledged Europese bankenunie is), is het vanzelfsprekend dat deze activiteiten de Nederlandse samenleving moeten dienen. Onder Tilmant, Rijkman Groenink en Wellink is dit besef verloren gegaan. Ik vrees dat het nog niet is teruggekeerd.

Dan mijn “populistische” opmerkingen over de hoge loonkosten in de financiele sector. Ik merk wel vaker dat bankiers dit onderwerp liever mijden. De heren in de nette pakken vinden het niet chique als je daarover begint. En toch hoort dit onderwerp op de politieke agenda. Hoe kan de politiek een nullijn voor ambtenaren rechtvaardigen als de loonvoorsprong die de financiele sector in de goede jaren heeft opgebouwd onaangetast blijft? Moralistisch misschien, maar niet tendentieus of populistisch.

Categorieën:Banken

Het VNO-NCW moet geen bankenlobby doen

4 oktober 2012 4 reacties

Nu het VNO-NCW met de publicatie van het KPMG rapport “Stapeling regelgeving” de lobbytaken van de NVB lijkt te hebben overgenomen, kan de sector alvast een kleine kostenbesparing inboeken door de NVB op te heffen (apparaatskosten € 14 miljoen per jaar volgens het FD).

Het KMPG rapport past in een lijn van eerder onderzoek waaruit zou moeten blijken dat de lawine van overheidsmaatregelen richting het bankwezen een bedreiging vormt voor de kredietverlening aan Nederlandse bedrijven. De hoeveelheid regelgeving waarmee banken te maken hebben gekregen sinds de kredietcrisis is inderdaad duizelingwekkend. Als dit rapport helpt om tot een fundamentele herbezinning van het gedegenereerde Basel III toezichtraamwerk te komen, iets waar ook prominente toezichthouders als Andrew Haldane van de Bank of England eerder toe opriepen, dan is dat een goede zaak. Maar om deze gestapelde regelgeving rechtstreeks te vertalen in een “horror-scenario” voor Nederlandse bedrijven en gezinnen is erg kort door de bocht.

Het probleem met al dit soort studies is dat banken onvoldoende nadenken over veranderingen in hun bedrijfsmodel en kostenstructuur die het doorberekenen van de kosten van de overheidsmaatregelen aan de klant kunnen beperken. Het zit in hun genen om alles bij het oude te laten. Ik denk dat de banken meer kunnen doen dan alleen maar klagen, zowel aan hun balans als aan de kostenkant.

Balans

KPMG begint met het schetsen van een traditioneel beeld van een bank:

De kernfunctie van banken is het aantrekken van gelden van particulieren en bedrijven en het weer uitlenen daarvan in de vorm van kredieten. (p.7)

Maar dit beeld contrasteert sterk met de balansopstelling van de zes grootste Nederlandse banken, gepresenteerd in hetzelfde rapport (p. 17). Van het balanstotaal van € 2246 miljard bestaat slechts circa 10% (€ 256 miljard) uit leningen aan binnenlandse bedrijven. Het bedrag aan hypotheken is hoger (€ 487 miljard), maar de grootste post bestaat uit overige activa (€ 913 miljard, vnl securities). Jammer dat KPMG niet de logische conclusie trekt dat het grootste deel van de balans blijkbaar niet bijdraagt aan de kernfunctie van de banken.

Van die € 256 miljard aan bedrijfsleningen bestaat overigens ook nog eens € 80 miljard uit leningen aan vastgoedbedrijven, waarvan je je moet afvragen of die gegeven het speculatieve karakter wel met gegarandeerd spaargeld moeten worden gefinancierd. Blijft over 7,8% van het balanstotaal dat uitstaat aan binnenlandse bedrijfsleningen exclusief vastgoed. Banken zouden toch in staat moeten worden geacht om dit stuk te ontzien bij hun toekomstige balanskrimp. Het lijkt in ieder geval sterk overdreven om horrorscenario’s af te roepen over zo’n gering deel van je balans.

Dan de hypotheken. Het aanhoudende geklaag dat hypotheken niet gefinancierd kunnen worden met spaargeld is ongelofelijk hypocriet. De omvang van de hypotheekportefeuille had veel lager kunnen zijn als de banken geen fiscaal vriendelijke hypotheken hadden uitgevonden. Een “self-inflicted wound” dus. De marsroute op dit dossier is ook duidelijk: stimuleer hypotheeknemers om af te lossen en werk toe naar betere Loan-To-Value ratio’s, zodat de hypotheken gemakkelijker kunnen worden gebruikt in covered bonds of securisaties.

Kortom, voor banken blijft de uitdaging om hun balans beter in lijn te brengen met hun kernfunctie. Ik begrijp dat Basel III hier in de weg kan zitten, bv met doorgeschoten liquiditeitsregels, maar dan zou de bankenlobby zich specifiek hier op moeten richten.

Kosten

Voor een consultant als KPMG is het rapport uitermate zwak op het onderdeel kostenbesparingen. KPMG gaat uit van een maximale operationele kostenbesparing van 5%. Dat lijkt mij een zeer bescheiden inschatting, gezien het feit dat de salarissen in de financiële sector circa 20% boven marktconform niveau liggen. Een stevige HRM consultant had hier met goede benchmarking veel meer besparingen uit kunnen persen.

VNO-NCW

Blijft bij mij de vraag waarom het VNO-NCW zich met dit rapport zo voor het karretje van de grootbanken laat spannen. Is dit ook in het belang van haar eigen achterban? Hooguit gedeeltelijk, voor zover het rapport de kosten van Basel III aan de kaak stelt. Lagere toezichtkosten door een eenvoudiger raamwerk kunnen inderdaad ook ten goede komen aan de bankconsument.

Maar voor de achterban van VNO-NCW is het veel belangrijker dat banken hun kernfunctie serieus nemen en dat ook in hun balans tot uitdrukking brengen. Dus minder beleggen in securities en minder energie steken in buitenlandse avonturen. Bedrijven en particulieren hebben ook baat bij verregaande personele kostenbesparingen en veel scherpere banktarieven, iets wat in het rapport volkomen wordt genegeerd (zie de tabel op p. 15, waarin dit element opvallend genoeg ontbreekt bij de verwachtingen van belanghebbenden). Op dit punt hebben VNO-NCW en KPMG zich helaas laten inpakken door de banken.

Om belangenconflicten te voorkomen kan het VNO-NCW de bankenlobby misschien toch maar beter overlaten aan de NVB. Jammer van die € 14 miljoen.

Categorieën:Banken, Uncategorized