Archief

Archive for september, 2012

Ook de Zwitsers moeten bijdragen aan de stabiliteit in de eurozone

25 september 2012 Plaats een reactie

Vandaag vestigde de FT de aandacht op de rol die de Zwitserse centrale bank (de SNB) speelt in de Europese obligatiemarkt. Onderzoek van S&P zou aantonen dat de SNB in 2012 tot nu toe voor € 80 miljard aan staatsobligaties van de AAA eurolanden heeft gekocht (de SNB ontkent dit bedrag overigens en Credit Suisse schat het lager in op € 30-35 miljard). Deze aankopen versterken volgens S&P het uit elkaar lopen van de rentestanden binnen de eurozone en verhevigen daarmee de crisissfeer op de financiele markten.

Voor een van oudsher sterk monetaristische centrale bank als de SNB zijn de omvangrijke aankopen van eurozone staatsschuld opmerkelijk. In de jaren zeventig en tachtig stond de SNB bekend om haar strikte geldgroeibeleid. In 1999 schakelde de SNB echter over op “inflation targeting”. Sinds 2011 is het beleid van de SNB erop gericht om de franc-euro wisselkoers stabiel te houden, om te voorkomen dat de franc overgewaardeerd raakt vanwege het veilige-haven effect in deze turbulente crisistijd. In tegenstelling tot de Bundesbank sleept de SNB geen hyperinflatie-trauma met zich mee en past zij haar monetair beleid flexibel aan de veranderende omstandigheden aan. Dat is op zichzelf prijzenswaardig.

Als gevolg van dit nieuwe beleid zijn de valutareserves van de SNB sterk toegenomen en is de balans van de SNB fors verlengd. Ter bescherming van de concurrentiepositie van het Zwitserse bedrijfsleven heeft de SNB dus een ongekend valutarisico op haar balans genomen. Dit is verdedigbaar, want de balans van een centrale bank is een instrument van monetair beleid, geen doel op zichzelf. In het ergste geval zorgen toekomstige valutaverliezen voor een negatief eigen vermogen van de SNB. Ze zal echter niet failliet gaan.

Maar de manier waarop de SNB intervenieert verdient geen schoonheidsprijs. De SNB heeft natuurlijk het recht om haar munt eenzijdig te koppelen aan de euro, waardoor Zwitserland kan profiteren van de wisselkoersstabiliteit die in het grote eurogebied heerst. Maar nu die wisselkoersstabiliteit met man en macht moet worden verdedigd, zou het de Zwitsers sieren als ze een constructieve in plaats van een destabiliserende rol zouden spelen. Valutainterventies door het aankopen van staatsobligaties van AAA eurolanden versterken de renteverschillen tussen de kern en landen als Italie en Spanje. Het zijn rentesubsidies aan landen die het niet nodig hebben en het bemoeilijkt de interpretatie van de rentespreads. Het verdient dan ook de voorkeur wanneer de SNB haar valutainterventies op een neutrale manier uitvoert. Dit kan eenvoudig door bij elke interventie een mandje van eurozone staatsobligaties te kopen (inclusief een paar Griekse).

Wellicht dat Mario Draghi een bezoekje kan brengen aan zijn Zwitserse collega en hem duidelijk kan maken dat het meeliften op de Europese wisselkoersstabiliteit een prijs heeft. Mocht de SNB hardhorend zijn, dan zou ik als ECB massaal Zwitserse francs gaan opkopen. Eens kijken wie de sterkste is.

Advertenties

En de klant wil … … pinsparen!

19 september 2012 Plaats een reactie

Vroeger had je als marketeer of productontwikkelaar bij een bank een helder doel. De winst van de bank moest omhoog. Daartoe ging de hele economische truckendoos open. Prijsdiscriminatie – een manier om meer waarde uit inelastische klanten te persen – werd succesvol toegepast in de spaarmarkt (dakpanconstructies) en de hypotheekmarkt (hogere rente voor trouwe oversluiters). Financiele producten werden zo ingewikkeld mogelijk gemaakt om kosten te verbergen, de transparantie te verminderen en de concurrentie te bemoeilijken. Ook de schatkist werd maximaal een poot uitgedraaid door hypotheekvormen te introduceren waarop niet werd afgelost.

En toen kwam de kredietcrisis. Het publiek werd boos op de banken en accepteerde hun winstbejag niet langer. Het roer moest om. Sinds 2009 staat de klant centraal.

Aan de legers marketeers de schone taak om iets nieuws te verzinnen waar de klant ook echt behoefte aan heeft. Dat blijkt niet mee te vallen. Als klant bij de drie grote banken word ik doodgegooid met relatiemagazines, bonnenboekjes, uitnodigingen voor bijeenkomsten en wat dies meer zij. Het gaat allemaal linea recta de prullenmand in. Leuk geprobeerd, maar het voegt geen waarde toe. Had de drukkosten maar bijgeschreven op mijn bankrekening.

Ook in de media ontkom je niet aan de nieuwe klantgerichte creativiteit van banken. Pinsparen van ABN-AMRO is een mooi voorbeeld. Sparen terwijl je pint. Zit de Nederlandse bankconsument hier echt op te wachten? Ik kan me niet voorstellen dat dit product tot een optimale spaarbeslissing leidt. Dan hebben we nog de ING Bank die Unicef donateurs een hogere rente wil bieden. Liefdadigheid op kosten van een ander, noem ik dat. Reken liever scherpere hypotheektarieven en laat de klant zelf beslissen of die aan een goed doel wil schenken.

Goede bankproducten zijn saaie bankproducten. Hier is maar in zeer beperkte mate creatief talent nodig. Het wordt dan ook tijd om al die bankenmarketeers uit hun lijden te verlossen. Ontsla ze zodat ze hun talenten in een andere bedrijfstak productiever kunnen aanwenden. En de lagere loonkosten kunnen natuurlijk rechtstreeks worden doorgegeven aan de bankconsument.

Categorieën:Banken

Zembla

16 september 2012 Plaats een reactie

Zojuist de Zembla-uitzending over de hypotheek als melkkoe nagekeken. Ik ben het met twee punten eens:

1) de rentemarge is in Nederland sinds de kredietcrisis gestegen (ook in vergelijking met ons omringende landen);
2) het was niet verstandig om in een geconcentreerde markt een prijsleiderschapverbod op te leggen aan ING.

Waar ik nog niet van overtuigd ben is de conclusie die hieruit getrokken wordt, namelijk dat als Kroes geen prijsleiderschapsverbod had opgelegd we in Nederland automatisch lagere hypotheekrentetarieven zouden hebben gehad.

Bedenk dat sinds de kredietcrisis de prijsvechters uit de markt zijn verdwenen en dat banken vooral bezig zijn om hun balans op orde te brengen. Ook onder invloed van Basel III staan banken niet te popelen om hun balans te verlengen door agressief nieuwe hypotheken te verkopen. Mijn verwachting zou dus zijn dat er in de plaats van het expliciete prijsleiderschapsverbod van Kroes wel een impliciete vorm van concurrentiebeperking was gekomen (tacit collusion). Als we echt wat aan die overwinsten op hypotheken willen doen is het schrappen van het prijsleiderschapsverbod niet genoeg. Rechtstreeks ingrijpen in de tarieven of een hogere bankenbelasting zijn dan betere alternatieven.

Desalniettemin een boeiende uitzending, met name door de boven water gehaalde correspondentie.

Categorieën:Banken

Eerst de governance, dan de garanties

15 september 2012 1 reactie

See EconoMonitor for an English version of this post.

Het deze week gepubliceerde plan van de Europese Commissie om een Europees toezichtsmechanisme voor alle banken in de eurozone op te richten is gemengd ontvangen. We wisten al dat de voortvarendheid van de commissie ten aanzien van de reikwijdte (alle banken) en het tijdpad (1e fase begin 2013) op Duitse politieke weerstand mag rekenen. Onder Duitse druk lijkt de commissie nu bovendien terug te deinzen voor snelle verdere stappen richting een Europees depositogarantiestelsel en een Europees fonds om probleembanken af te wikkelen. Veel economen zijn hierover teleurgesteld, omdat in een echte bankenunie niet alleen de zeggenschap over de regelgeving en het toezicht centraal wordt geregeld, maar ook de risicodeling. En juist die risicodeling zou de negatieve wisselwerking tussen problemen bij banken en overheden kunnen voorkomen en zou ook een einde kunnen maken aan de vlucht van kapitaal uit de probleemlanden.

Als eindstation ben ik het eens met risicodeling op Europees niveau. Maar in het pad naar een bankenunie is de prudente volgorde om te beginnen met het centraliseren van de zeggenschap. We moeten hier leren van de lessen op het terrein van het begrotingsbeleid, waar te zachte afspraken werden gemaakt over begrotingsdiscipline, maar de eurolanden wel de financiele risico’s hebben moeten delen.

Hoe scoort het plan van de commissie dan op het punt van de zeggenschap? Krijgen we een toezichthouder met tanden, die een einde maakt aan de te innige banden tussen bankiers, politici en toezichthouders die nu in veel eurolanden bestaan? Of blijft de macht toch liggen bij de nationale toezichthouders?

Op papier ziet het er allemaal indrukwekkend uit. Gebruik makend van artikel 127(6) van het Verdrag van Lissabon wil de commissie de belangrijkste toezichtstaken overhevelen naar de ECB. Ook krijgt de ECB verregaande bevoegdheden, bijvoorbeeld om informatie op te eisen of rechtstreeks invallen te doen bij banken. De wens om binnen de verdragstekst te opereren, hoewel wenselijk om het momentum te behouden, leidt soms tot een kromme situatie. Zo krijgt de ECB de belangrijkste toezichtstaken, maar blijft de “overall responsibility” over het bankentoezicht bij de nationale toezichthouders liggen. De vraag hoe die nog verantwoordelijk blijven kunnen als de ECB gaat over de verstrekking van een bankenvergunning wordt niet beantwoord. Het is ook voer voor toekomstige competentieconflicten.

Toch zit hier niet het voornaamste pijnpunt. Mijn belangrijkste bezwaar tegen het plan van de commissie betreft de gebrekkige governance. Het gaat dan met name om de samenstelling van de supervisory board binnen de ECB. De commissie heeft ervoor gekozen om deze te laten bestaan uit 17 vertegenwoordigers van de nationale toezichthouders, een voorzitter, vice-voorzitter en 4 andere leden. Van de 23 leden komt een grote meerderheid dus vanuit de nationale toezichthouders. Hoewel deze keuze ongetwijfeld de weerstand van nationale toezichthouders tegen het nieuwe mechanisme zal verminderen, is het risico dat op deze wijze de bestaande praatclub wordt geinternaliseerd. Hoe gaat dat straks werken, met een bestuur waarvan 17 leden liever geen pottenkijkers vanuit de ECB willen hebben? Waarschijnlijk sluiten deze 17 een coalitie om de facto inmenging in het nationale toezicht te voorkomen (wat gij niet wilt dat u geschiedt…). Daarmee wordt de Europese toezichthouder al bij de geboorte gecastreerd. Het hele idee dat de ECB als een objectieve buitenstaander de ongezonde verwevenheid tussen nationale overheden, banken en toezichthouders kan aanpakken wordt op deze manier om zeep geholpen. Regulatory capture en regulatory forbearance zullen blijven bestaan.

De governance van het Europees toezichtsmechanisme is dus nog niet goed geregeld. Reparatie is niet moeilijk en kan bijvoorbeeld door de nationale vertegenwoordigers non-voting te maken. Maar zolang de governance niet op orde is, is een Europees depositogarantiestelsel een naieve droom.

Paars gedijde tot nu toe alleen in economische voorspoed

10 september 2012 Plaats een reactie

Nu een paars kabinet weer in beeld komt, is het misschien goed om even stil te staan bij de unieke economische omstandigheden waaronder de paarse kabinetten Kok I en II (periode 1994-2002) een succes konden worden.

Vanaf 1994 kende Nederland een lange periode van voor ons doen extreem hoge economische groei. In de periode 1994-2000 lag de reele BBP-groei elk jaar boven de 3% (en twee jaren zelfs boven de 4%) alvorens in 2001 af te vlakken naar 1.9%.

Toen was er genoeg geld om zowel linkse hobbies (Melkert’s banenplannen) als rechtse hobbies (belastingverlagingen) te financieren.

Aan Rutte en Samsom de uitdaging om in economisch zwaar weer samen te werken. Dan ontkom je er niet aan om te snijden in linkse en rechtse hobbies. “Niet realistisch”, noemde Rutte een nieuwe paarse samenwerking. Een paars kabinet midden in crisistijd is inderdaad niet eerder vertoond en met recht een uitdaging te noemen.

De Fed-in-Frankfurt bestaat al lang

9 september 2012 Plaats een reactie

Wat een overdreven reacties op de aankondiging van de OMT-transacties door de ECB. Alsof de ECB van haar geloof was gevallen. Met veel gevoel voor dramatiek treurden economen en journalisten (met name in de Duitse pers) om de dood van de Bundesbank en het begin van een Fed-in-Frankfurt. (zie ook collegae Sylvester Eijffinger en Edin Mujagic over de teloorgang van de Bundesbank-doctrine hier) Ten onrechte, want de Bundesbank-doctrine van de ECB was niet meer dan een dun cosmetisch laagje over een beleid dat altijd al sterk op dat van de Fed leek.

ECB en Fed: perceptie versus werkelijkheid.

Voordat de kredietcrisis uitbrak werd Fed-voorzitter Greenspan gezien als een bekwame monetaire stuurman, met veel oog voor de ontwikkelingen in de reële economie en voor de stabiliteit in financiële markten. In tegenstelling hiermee had de ECB het imago van een rigide inflatiebestrijder. Vlak na het uitbreken van de kredietcrisis draaide de waardering om, waarbij het Amerikaanse beleid als een oorzaak van de crisis en het Europese beleid als lichtend voorbeeld werd aangewezen. De veronachtzaming van de Amerikaanse geldgroei, met als hoogtepunt de stopzetting van de publicatie van cijfers van de ruime geldhoeveelheid (M3) in maart 2006, werd gecontrasteerd met de vermeende langetermijnfocus van de ECB. De ECB handhaafde immers een rol voor de geldgroei in haar monetaire strategie, en leek op die manier de Bundesbank-doctrine in ere te houden.

Het is de vraag of dit beeld terecht is. Met betrekking tot de geldgroei was er vooral een cosmetisch verschil tussen de Fed en de ECB. De ECB benadrukte weliswaar het belang van de ontwikkeling van M3 voor de inflatie. Maar ondanks de mooie woorden heeft de ECB in de periode 1999–2007 M3 laten groeien met gemiddeld 7 procent per jaar, een tempo dat ruim boven haar eigen referentiewaarde van 4,5 procent lag. Ook is er in de empirische literatuur geen enkele steun te vinden voor een effect van de M3-groei op de rentebeslissingen van de ECB. Kort na de invoering van de euro kon de sterke M3-groei nog worden toegeschreven aan overgangseffecten. Na 2004 ging de sterke geldgroei echter hand in hand met een groei in de kredietverlening en nam de informatiewaarde van M3 toe. Maar juist in deze periode is de aandacht van de ECB voor M3 verslapt. Let wel, we praten hier over de periode waarin de monetaire diehards Otmar Issing en Jurgen Stark de scepter voerden over de economische afdeling van de ECB.

Ook voor wat betreft de gemiddelde stand van het monetair beleid over de periode 1999–2008 heeft de perceptie van de ECB als inflatiebestrijder a la de Bundesbank een smalle wetenschappelijke basis. Studies die de Taylorregel gebruiken concluderen dat ook in de eurozone het monetaire beleid voor de kredietcrisis te ruim is geweest. Over de periode 1999-2008 was er ook nauwelijks een verschil tussen de reële rentes in de Verenigde Staten en de eurozone (gemiddeld 2,2 versus 2,3 voor de lange reële rente en 1,3 versus 1,2 voor de korte reële rente). Beide centrale banken lieten zich in slaap sussen door de lage consumentenprijsinflatie en hadden geen oog voor het effect van de ruime liquiditeitsschepping op de vermogensmarkten.

Vrije markt ideologie

Een ander punt van overeenkomst tussen de ECB en de Fed in het pre-crisis tijdperk is het geloof in de heilzame werking van vrije financiele markten. Beide centrale banken lieten de financiele instellingen in alle vrijheid bellen blazen. Issing en Stark stapten helaas niet op omdat ze de Duitse bankleningen aan Spanje te risicovol vonden worden. Het ging goed en het pluche zat lekker. Stark vertrok veel later en liet zijn collega’s pas in de steek toen het moeilijk werd.

Na het uitbreken van kredietcrisis hebben beide centrale banken terecht een onconventioneel monetair beleid gevoerd, waarbij ze beiden hun balans in dienst hebben gesteld van de onderstutting van het financiele stelsel en de economie als geheel. De manier waarop verschilde. De Fed werkte via de financiele markten; de ECB via de banken. We kunnen nu constateren dat de Fed effectiever was in het reduceren van de lange rentes dan de ECB. Er is dan ook veel voor te zeggen om als ECB niet meer via het verstopte bankenkanaal te werken maar rechtstreeks in de markten te intervenieren. Maar de balansverlenging was in beide gevallen gigantisch.

Conclusie

Zowel voor als tijdens de crisis zijn er veel parallelen tussen de Fed en de ECB, zowel in goede als in slechte zin. Ruim geld, een gebrek aan aandacht voor vermogensprijsinflatie, een technocratische focus op de consumentenprijsindex en een vrije markt ideologie ten aanzien van de financiele sector kenmerkten het beleid van de ECB en de Fed voor 2007. Na het uitbreken van de crisis hebben beide centrale banken hun balans verlengd en nemen ze gelukkig hun verantwoordelijkheid voor de economie, daar waar politici falen. En dat gepraat over de Bundesbank is alleen maar nostalgie.

De ECB moet de rol van toezichthouder niet zomaar accepteren

6 september 2012 Plaats een reactie

Ik heb een blog geschreven op Me Judice over de rol van de ECB als Europese bankentoezichthouder. De ECB moet deze taak m.i. alleen onder voorwaarden aanvaarden. Het is wel een goede kans om de EMU stabieler te maken.