Archief

Archive for juli, 2012

Een onwetenschappelijke conclusie van de VSNU

In een eerdere blog besprak ik het verschijnsel dat een groot deel van de rendementsverschillen tussen opleidingen kan worden verklaard door verschillen in de man/vrouw verhouding. Meisjes doen het beter dan jongens, dus opleidingen met een relatief hoog percentage mannelijke studenten hebben gemiddeld genomen een slechter bachelorrendement. In beleidskringen wordt hiermee zelden rekening gehouden. Illustratief is het VSNU-rapport Prestaties in perspectief. Ik citeer:

Het afgelopen decennium is het studiesucces in de bachelorfase duidelijk verbeterd. Tussen 2002 en 2010 is het bachelorrendement na vier jaar gestegen van 50 tot 62 procent (zie figuur 2.3). Substantiële verbetering vraagt realisering van een ambitieuze studiecultuur, die eisen stelt aan zowel de instelling als de studenten, en om een gedurende vele jaren volgehouden aanpak. Daarbij gaat het om een samenspel van enerzijds studiemotivatie, inzet en houding van studenten, verbondenheid met de opleiding en een gezonde vorm van prestatiegerichtheid, en anderzijds om de inspanningen van de opleidingen om deze kenmerken maximaal te bevorderen en de organisatie van het onderwijsleerproces erop in te richten. De resultaten van de UU en de UM, die veel langer bezig zijn met de verbetering van studiesucces dan de andere universiteiten, laten zien dat een volgehouden aanpak werkt. (p. 9)

Op basis van de ruwe rendementscijfers concludeert de VSNU blijkbaar dat de volgehouden aanpak van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Maastricht ter verbetering van het studiesucces werkt. Dat is een onwetenschappelijke benadering. Om het succes van de aanpak van de UU en de UM aan te tonen, zou er op zijn minst moeten worden gecontroleerd voor studentgerelateerde factoren die het studiesucces beinvloeden en die substantieel verschillen tussen de instellingen, zoals het geslacht van studenten. Hieronder doe ik een eerste aanzet. Voor de 13 Nederlandse VSNU universiteiten heb ik voor cohort 2007 het rendement na vier jaar van eerstejaars wo-studenten die zich herinschrijven (een gebruikelijke rendementsmaatstaf) geregresseerd op het percentage mannelijke studenten (%man) in de instroom van 2007. De geschatte regressievergelijking ziet er als volgt uit: rendement = 0.95 – 0.66 %man De coefficient op %man is zwaar significant (p=0.000) en de verklaarkracht is hoog (Adj. R-kwadraat=0.66). Vervolgens heb ik voor alle universiteiten het geschatte rendement op basis van de regressievergelijking berekend (%man invullen). De afwijking tussen het gerealiseerde rendement en het op basis van de vergelijking geschatte rendement geeft dan aan hoe goed de instelling het doet wanneer rekening wordt gehouden met de man-vrouw verhouding. Let wel, dit is een exercitie die rekening houdt met slechts 1 verklarende externe factor, dus nog zeer beperkt. Onderstaande grafiek laat het resultaat zien. De lichtgrijze staafjes laten het rendement per instelling zien in afwijking van het gemiddelde; de donkergrijze staafjes het rendement in afwijking van de regressielijn. De grafiek laat zien dat zelfs een eenvoudige correctie voor een externe (niet door instellingsbeleid te beinvloeden) studiesuccesfactor al een grote verschuiving aanbrengt in de rangorde van studiesucces. Vooral de TU’s (veel jongens, lage rendementen) hebben veel baat bij deze correctie. De UM blijft op nummer 1, maar het succes van de UU verbleekt enigszins. Zij moet de EUR nu achter zich laten. Verder valt op dat universiteiten die tot nu toe gemiddeld leken te scoren, zoals de UvA en Leiden, het na correctie voor geslacht relatief slecht doen. In zijn algemeenheid kun je zeggen dat de correctie voor de man-vrouw verhouding de verschillen tussen de instellingen dempt. Figuur 1: 4-jaars rendementen van Nederlandse universiteiten, cohort 2007 Er zijn vast nog andere externe studentgerelateerde factoren te bedenken die het studiesucces beinvloeden en die sterk verschillen tussen instellingen. Dit voorbeeld toont in ieder geval aan dat het onjuist is om op basis van ruwe rendementsgegevens uitspraken te doen over het succes van het onderwijsbeleid van instellingen, zoals de VSNU doet in haar rapport.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized

Vervang SMP door generieke kwantitatieve verruiming

15 juli 2012 2 reacties

Jens Weidmann liet dit weekend in het FD weer eens zijn bekende harde lijn horen ten aanzien van het opkopen van staatobligaties door de ECB. Hij trok daarbij de volgende vergelijking met de Verenigde Staten:

“De Fed pompt geld in de markt door de meest liquide staatsobligaties te kopen. Wat men van ons wil is dat we de financieringsproblemen van bepaalde landen oplossen. Dat is van een geheel andere orde. Dat is ons op basis van de Europese verdragen verboden en op goede gronden. Het zou zich ook aan de democratische controle onttrekken. Bernanke koopt toch ook geen obligaties van de afzonderlijke Amerikaanse staten?” (FD 14 juli, p. 10)

De vergelijking in de laatste zin gaat natuurlijk mank. De eurozone kent (nog) geen eurobonds, dus ECB-interventies in de obligatiemarkten kunnen alleen maar plaatsvinden door de staatsobligaties van de eurolanden op te kopen (of dit via de LTRO’s door de banken te laten doen, maar dat is een inferieure route).

Een betere vergelijking met de VS zou als volgt luiden. Net als de Fed kan de ECB de wens hebben om te intervenieren aan de lange kant van het rentespectrum. Vanwege haar mandaat dient zo’n interventie gericht te zijn op het bewaken van de financiele en monetaire stabiliteit in de eurozone. In concreto zou nu het doel van zo’n interventie het reduceren van de gemiddelde lange rente in de eurozone kunnen zijn, teneinde een deflatiescenario te voorkomen. Tegelijkertijd wil de ECB niet de indruk wekken dat zij individuele probleemlanden helpt, omdat dit in strijd is met haar mandaat. De logische oplossing is om te stoppen met het op probleemlanden gerichte SMP en over te gaan op een meer algemene vorm van kwantitatieve verruiming, waarbij obligaties van alle eurolanden worden opgekocht in verhouding tot hun aandeel in de Europese obligatiemarkt. Dus ook Nederlandse en Duitse schuld. Hier kan Weidmann geen principiele bezwaren tegen hebben. Het is ook niet in strijd met het Verdrag van Maastricht.

Mijn verwachting is dat een substantiele generieke kwantitatieve verruiming tegelijkertijd de rentespreads in de eurozone vermindert. De yield op bunds gaat dan immers richting nul en Italie en Spanje kunnen uit de gevarenzone geraken. Beleggers krijgen dan wellicht weer iets meer trek in risico.

En verder ben ik het met Weidmann eens dat je directe rentesubsidies aan individuele probleemlanden beter via de begrotingen kan laten lopen. Een mooi voorbeeld uit de VS is het Build America Bonds programma, waarbij de federale overheid een rentesubsidie verstrekte van 35% op door locale overheden uitgegeven obligaties (ter financiering van investeringsprojecten).

Paul De Grauwe heeft gelijk

Paul De Grauwe (op Vox) heeft natuurlijk groot gelijk dat het doormodderen met beperkte noodfondsen geen substantiële reductie van de rentestanden op Spaanse en Italiaanse staatsschuld zal opleveren. Integendeel, hij voorziet een verdere destabilisatie van de obligatiemarkten. Maar er is een alternatief voor zijn pleidooi om dan maar de ECB in te schakelen (wat mij persoonlijk een goed idee lijkt, maar helaas op grote weerstand bij Duitse en Nederlandse politici en centrale bankiers stuit). Trouwe lezers van mijn blog raden het al. In plaats van de huizenhoge commitments van noodfondsen kunnen we eenvoudigweg afspreken dat landen die een goed economisch beleid voeren een rentesubsidie ontvangen. Een veel goedkopere oplossing. Zie mijn oorspronkelijke blog en een recente uitwerking door collega Prof. Heinemann van de Universiteit van Mannheim.

Categorieën:Uncategorized

Verwacht geen snelle wonderen van de ECB als toezichthouder

4 juli 2012 1 reactie

Op de EU-top van 28/29 juni hebben de regeringsleiders eindelijk ingezien dat de bankenproblemen van Spanje en Ierland op Europees niveau moeten worden aangepakt. Vanwege de toevloed van Duits en Nederlands kapitaal konden de zeepbellen in de onroerend goed markten van deze landen te lang van brandstof worden voorzien. De gemeenschappelijke munt maakte het deze landen bovendien onmogelijk om zelf aan de monetaire rem te trekken. Het gaat hier dus om een gemeenschappelijk falen, waarvoor gezamenlijk een oplossing moet worden gevonden.

De beslissingen om het Europees bankentoezicht te versterken en om rechtstreekse bankensteun vanuit het noodfonds mogelijk te maken zijn dan ook goede stappen vooruit, die ook de negatieve wisselwerking tussen de financiële problemen bij banken en nationale overheden kunnen doorbreken.

Een sterke centrale aansturing van het toezicht kan een einde maken aan de praktijk waarbij nationale toezichthouders hun koninkrijkjes afschermen, vrijblijvend coördineren in praatclubs als de EBA en intussen de ECB gebruiken om zombie-banken in leven te houden. Een Europese toezichthouder met tanden kan ook de ongezonde innige banden die op nationaal niveau bestaan tussen politici, toezichthouders en banken doorbreken en op een effectievere manier vroegtijdig ingrijpen. Kortom, vreemde ogen dwingen.

De vraag is nu of het goed idee is om de ECB met het Europese bankentoezicht te belasten (in plaats van een aparte Europese toezichthouder) en of dit gaat werken. Mijn antwoorden hierop zijn “ja” en “hopelijk op termijn”.

Over de voors en tegens van het laten uitvoeren van het toezicht door een centrale bank als de ECB is veel geschreven. Voor bankentoezicht door de ECB pleit haar taak als lender-of-last-resort. Als banken een beroep doen op liquiditeitsverstrekking door de centrale bank, dan zal deze moeten oordelen over de solvabiliteit van de desbetreffende bank. Een liquiditeitsprobleem vereist immers een andere behandeling dan een solvabiliteitsprobleem. Detailkennis over individuele banken is voor deze oordeelsvorming onontbeerlijk. Nationale toezichthouders hebben nu belang bij een informatievoorsprong op de ECB. Zij kunnen een solvabiliteitsprobleem voordoen als een liquiditeitsprobleem, om het probleem vooruit te schuiven in de hoop dat het vanzelf overgaat. Maar van deze praktijk moeten we af.

Een aparte Europese toezichthouder naast de ECB zou hoge eisen stellen aan de onderlinge coördinatie. Het theoretische voordeel van formeel gescheiden verantwoordelijkheden is gering vergeleken met het reële risico van competentie-geschillen, gebrekkige informatie-uitwisseling en communicatie en bureaucratische traagheid wanneer snelle besluitvorming is vereist (zie de coördinatieproblemen tussen de FSA en de Bank of England rond Northern Rock). Het is dan ook niet voor niets dat wereldwijd het bankentoezicht meestal ligt bij de centrale bank. Een praktische reden om de ECB hiermee te belasten is verder dat het Verdrag van Maastricht hierin voorziet (artikel 25.2 van het statuut van de ESCB) en dat er dus snel kan worden geschakeld.

Het zal echter tijd kosten voor de ECB om haar rol als toezichthouder waar te maken. Het opbouwen van onafhankelijke expertise kost tijd, en de ECB zal zeker in het begin sterk leunen op de nationale toezichthouders. Op termijn zou het intellectuele zwaartepunt van het toezichtsysteem naar Frankfurt kunnen verschuiven, net zoals dat bij het monetaire beleid gebeurde. Nationale toezichthouders krijgen dan de rol van bijkantoor. In dit langzame proces zal de ECB mogen rekenen op extreme bureaucratische weerstand bij de nationale toezichthouders en politici, die niet graag de macht over “hun” banken willen verliezen. Als dit proces op termijn gaat werken leidt dit tot een grotere machtsconcentratie bij de ECB. Er valt dus veel voor te zeggen om gelijktijdig de democratische controle op deze instelling te versterken.

Wanneer de ECB eenmaal in de driver’s seat zit is haar grootste uitdaging om het macro-prudentiële toezicht (i.e. het toezicht op het systeemrisico) verder te verbeteren. Hoe voorkomen we dat in de toekomst het kapitaal wederom vrij spel krijgt om de macro-economische instabiliteit binnen de eurozone te vergroten. Hoe begrenzen we bijvoorbeeld de grensoverschrijdende bancaire kredietverlening aan oververhitte regio’s binnen de eurozone? Dit vergt een cultuurverandering binnen de ECB, die tot nu toe de eurozone als een entiteit zag en financiële integratie binnen de eurozone als een groot goed beschouwde. Voor een prominente Europese institutie als de ECB is het misschien tegennatuurlijk om de financiële integratie binnen de eurozone een halt toe te roepen. Maar toch kan dat nodig zijn om de euro te redden. (zie ook deze eerdere blog over de ESRB  en dit ESB-artikel).

De BSA-norm: minimumeis of streefwaarde?

De norm voor het bindend studieadvies was oorspronkelijk bedoeld als een minimum prestatie-eis. In de praktijk fungeert deze echter voor veel studenten als een streefwaarde. Wanneer de norm behaald is, verslapt de studie-inspanning. In dit artikel in het Tijdschrift voor Hoger Onderwijs en Management betoog ik dat hierdoor het uitstelgedrag van studenten wordt geaccommodeerd. Het is beter om de norm voor het bindend studieadvies op te hogen naar het maximum van zestig studiepunten.

Categorieën:Onderwijs, Uncategorized