Archief

Archive for januari, 2012

Compensatorische toetsing kent alleen maar voordelen

30 januari 2012 2 reacties

UPDATE: zie ook een opiniebijdrage met Wouter van den Brink op vk.nl

“Vijven, en toch een UvA diploma”, bericht de Volkskrant vandaag op hijgerige toon. Wat is er aan de hand? Niet zoveel. De faculteit der geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam wil studenten toestaan om in het eerste jaar vijven te compenseren. Dat is niets nieuws. Compensatorische toetsing in het hoger onderwijs is zo oud als de weg naar Rome.

De ophef in de Volkskrant laat echter zien dat compensatorische toetsing nog steeds controversieel is. Behalve onder onderwijskundigen, waar ik alleen maar voorstanders ken. In diverse recente instellingsrapporten ter verbetering van het studiesucces (van onder meer de VU, de UvA en Leiden) wordt compensatorische toetsing dan ook genoemd als één van de maatregelen ter bevordering van studiesucces.

De meeste examenregelingen in het hoger onderwijs kennen nog een traditionele conjunctieve regeling, waarbij studenten verplicht zijn om alle onderwijsonderdelen met een voldoende af te sluiten. Hiertegenover staat de compensatorische regeling, waarbij studenten goede resultaten bij het ene onderdeel gebruiken als compensatie voor een onvoldoende bij een ander onderdeel. In beide regelingen wordt een extra inspanning gevraagd van de student die een onvoldoende haalt (respectievelijk een betere herkansing of een betere prestatie op een ander vak).

Het belangrijkste psychometrische argument voor compensatie is dat een tentamen altijd een zekere mate van onnauwkeurigheid kent. Vanwege meetfouten zullen sommige studenten een tentamen moeten overdoen, zelfs als ze de stof in voldoende mate beheersen. De verwachte studievertraging stijgt wanneer studenten voor een groot aantal afzonderlijke tentamens een voldoende dienen te halen. Een clustergemiddelde, zoals voorgesteld aan de UvA, verhoogt dan de betrouwbaarheid.

Een ander belangrijk voordeel is dat het beroep op herkansingen kan worden teruggebracht. In de loop der tijd zijn studenten de herkansingsronde steeds meer gaan zien als een extra tentamenronde, in plaats van als een noodvoorziening. Hierdoor is de urgentie om vanaf de start van de studie een goed resultaat neer te zetten verslapt. De invoering van compensatie stelt opleidingen in staat om de herkansing terug te brengen tot een noodvoorziening. Met beperkte herkansingsmogelijkheden zal de student minder geneigd zijn de studieinspanning uit te stellen.

Tegenover deze voordelen staat een vage angst voor kwaliteitsverlies. In de literatuur is hiervoor geen bewijs. Volgens Cohen Schotanus (1995) is er bij de opleiding geneeskunde aan de RUG geen standaard moeilijk vak dat vaak wordt gecompenseerd. Zij concludeert dan ook dat de angst dat compensatie ten koste gaat van belangrijke vakken ongegrond is. Voor de Erasmus School of Economics concluderen Arnold en Van den Brink (2009) dat compensatie de selectieve functie van het eerste bachelorjaar niet aantast, maar wel de doorstroom verbetert. Compensabele studiepunten komen terecht bij studenten die ook zonder compensatie hun eerste jaar zouden hebben gehaald. In een ander artikel (Arnold, 2011) wordt getoetst of de compensatie een nadelig effect heeft op de studieprestaties in het vervolg van de studie. Dit blijkt niet het geval te zijn. Deze uitkomst ondersteunt het psychometrische argument dat een tentamen een imperfect meetinstrument is.

Er is dus geen reden om zo defensief te reageren op de door de Volkskrant veroorzaakte commotie als Frank van Vree, de decaan van de faculteit der geesteswetenschappen, doet. Een goed vormgegeven compensatieregeling is een aanwinst voor een opleiding.

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

De bal ligt nu bij de student

27 januari 2012 Plaats een reactie

Zie EconomieOpinie voor een bijdrage over langstudeerders en het plan van de Erasmus Universiteit om een bindend studieadvies van 60 credits in te voeren.

Categorieën:Onderwijs

Meer (over) monetaire financiering

20 januari 2012 Plaats een reactie

Twee stukken geschreven over de nadelen van indirecte monetaire financiering. In de ESB van deze week over het verband tussen monetaire financiering, de geldhoeveelheid en het Verdrag van Maastricht. En op Me Judice over de kredietfaciliteit van de ECB. Conclusie: kwantitatieve verruiming door de ECB is toch echt het minste kwaad.

ING Direct: het einde van een bedrijfsmodel

13 januari 2012 1 reactie

Een boeiende presentatie vandaag door Eli Leenaars (CEO Retail Banking Direct & International ING) over de toekomstvisie van ING ten aanzien van haar internetbank ING Direct.

In de jaren voor de kredietcrisis was ING Direct zeer succesvol in het bijeen schrapen van internationaal spaargeld. Met goede ICT, slimme marketing en aantrekkelijke rentes kon ING Direct snel groeien. Soms zo snel, dat de bank niet wist waar ze het geld moest laten en er domme dingen mee ging doen (de beruchte Alt-A beleggingsportefeuille).

De kredietcrisis heeft echter duidelijk gemaakt dat banken geen beleggingsfondsen horen te zijn, en zeker geen beleggingsfondsen waarbij het neerwaartse risico wordt afgedekt door de belastingbetaler. Het pure internetbank bedrijfsmodel bleek dan ook riskant (zie ook dit paper in het JBF). Hoog tijd dus voor een herorientatie.

Het goede nieuws is dat ING Direct van spaargeldoogstmachine zal transformeren naar een volledige bank, inclusief kredietverlening aan bedrijven. In Duitsland zijn ze al flink op weg, andere landen zullen volgen. De presentatie staat vol met verstandige desiderata, zoals “improving stickiness of savings”, “exploring face-to-face contact”, “reducing investment portfolio”, “higher yield from commercial banking” en zelfs een “branch network” (maar dan wel “lite”). Allemaal zaken die je bij een normale bank verwacht. Ik juich deze transformatie dan ook van harte toe.

Toch een aantal kanttekeningen:

1) Het is wenselijk dat ING in het kader van deze transformatie haar internationale bijkantoren omzet naar dochterondernemingen. Internationaal ondernemerschap is mooi, maar niet voor risico van de Nederlandse belastingbetaler. Zie ook deze IMF studie, waarin wordt opgemerkt: “For a global retail bank, however, a more decentralized subsidiary model may work better because of its focus on serving local retail clients and its reliance on local deposits and local deposit guarantees”.

2) Het zal spannend worden of ING erin zal slagen om haar low-cost concurrentievoordeel te behouden. Kredietverlening en face-to-face contact zullen nu eenmaal tot hogere kosten leiden. ING Direct wordt – om begrijpelijke redenen – minder uniek, maar zal het daardoor in de markt ook moeilijker krijgen.

3) Er blijft een spanning bestaan tussen de ambitie van ING (de klant centraal, “customer centricity”) en haar low-cost, commoditized productportefeuille. Natuurlijk zijn veel klanten gebaat bij simpele bankproducten met gunstige tarieven, maar een slogan als customer centricity suggereert een niveau van aandacht voor de individuele klant die ING nooit zal kunnen waarmaken.

En bij deze low-cost ambitie hoort natuurlijk niet alleen een lagere rendementsdoelstelling voor aandeelhouders, zoals ING vandaag aankondigde, maar ook een lagere beloning voor het personeel en het management. Voor wat ze leveren, blijft het bankwezen immers een overbetaalde sector.

Categorieën:Banken

Toezichthouders past geen bankenpluche

2 januari 2012 Plaats een reactie

Voormalig DNB president Wellink was deze dagen weer volop in de media. Het interview van vandaag in het FD bevat echter weinig nieuws. Wellink verwijt de politici wederom dat ze voorafgaand aan de crisis meer hadden moeten hervormen: “Als de zuidelijke landen die lage rente zinvol hadden gebruikt, hadden ze hun economie kunnen versterken”. Dit is even waar als naief. Het is immers politieke zelfmoord om in een gunstige macroeconomische omgeving (lage rente, hoge groei) pijnlijke maatregelen te nemen. De disciplinering had dus van elders moeten komen. Van de Europese Commissie, maar ook van de financiele toezichthouders, die toekeken terwijl noordelijke banken geld pompten in zuidelijke zeepbellen en overheden. Heeft Wellink ooit bij ABN AMRO geinformeerd of die lening aan de Griekse spoorwegen wel zo’n goed idee was? Maar daarover in het interview natuurlijk geen woord.

Nieuwswaardiger was de onthulling in het NRC van afgelopen weekend dat Wellink in 2008 een aanbod afsloeg om bestuursvoorzitter van de Rabobank te worden. Dat is prijzenswaardig, al plaats ik een kanttekening bij de argumentatie. Volgens het NRC wilde Wellink DNB niet verlaten vanwege de kredietcrisis (u weet wel, kapitein-schip-storm). We weten echter uit de verhoren van de commissie De Wit dat het Ministerie van Financien de regie had bij de bestrijding van de kredietcrisis. Het is dus de vraag of het zo erg was geweest als Wellink wat eerder was vertrokken (behalve voor ING natuurlijk).

De goede argumentatie om het aanbod van de Rabobank af te slaan is dat het bestuursleden van een centrale bank niet past om over te stappen naar de sector waarop zij jarenlang toezicht hebben gehouden. Ik weet dat het niet verboden is, maar dat zou het wel moeten zijn. De onafhankelijkheid van toezichthouders is erbij gebaat dat zij geen enkele kans maken om ooit in het pluche van de Rabobank, ING of ABN AMRO terecht te komen. Alleen dan kan de burger er zeker van zijn dat loopbaanoverwegingen geen rol spelen in het beleid.

In het tijdperk Wellink is de toezichthouder zich veel te veel met de sector gaan identificeren. Het ging DNB om de groei en bloei van de Nederlandse banken; het systeemrisico was bijzaak. De innigheid tussen de toezichthouder en de sector is daarmee kenmerkend voor de cultuur van Wellink. Het zou een goede zaak zijn wanneer zij opvolger Knot hier openlijk afstand van neemt. Enige wetgeving van de hand van De Jager om toekomstige transfers uit te sluiten kan overigens geen kwaad.