Archief

Archive for juni, 2011

Struisvogels op Financiën

Op 1 april jl. schreef ik in ESB een artikel over internetspaarbanken. Hierin betoog ik dat het aantrekken van buitenlands internetspaargeld via de Europese bijkantoren van de Nederlandse banken (waaronder ING Direct en Rabo Direct) de schatkist bloot stelt aan risico’s, omdat dit spaargeld onder het Nederlandse depositogarantiestelsel (DGS) valt.

Naar aanleiding hiervan heeft kamerlid Plasterk (PvdA) kamervragen gesteld aan minister De Jager. In het antwoord van de minister worden de volgende punten gemaakt:

  1. De kosten van het Nederlandse depositogarantiestelsel (DGS) worden omgeslagen over het  bankwezen. De door het DGS gedekte spaargelden mogen dus niet als een latente verplichting van de Nederlandse overheid worden aangemerkt.
  2. De kans dat alle grootbanken tegelijkertijd in de problemen komen is miniem.
  3. Het aantrekken van buitenlands spaargeld stelt Nederlandse banken in staat om hun “retail funding gap” te dichten. Dit is het verschil tussen de binnenlandse bancaire kredietverlening en de binnenlandse spaargelden. De minister suggereert hiermee dat het aantrekken van buitenlands spaargeld een goede zaak is.

Op deze antwoorden valt het nodige af te dingen.

Ad 1. De Nederlandse autoriteiten (Ministerie van Financiën en DNB) klampen zich vast aan de de jure situatie, zoals die in de bankwet is geformuleerd. Gezien de sterke concentratie in ons bankwezen is dit echter een papieren werkelijkheid. Een deconfiture van een kleine bank als DSB kan nog wel worden omgeslagen over de rest van de sector. Maar in het hypothetische geval dat ING zou omvallen kan de rest van de sector dit absoluut niet dragen. Het kapitaal is domweg te klein in verhouding tot de gegarandeerde spaargelden. De overheid moet dan wel inspringen.

Ad 2. Dit is een onzinnig punt. Zoals hierboven aangegeven hoeft er maar één grootbank in de problemen te komen om de rest via het DGS in zijn val mee te slepen. Los daarvan zijn in crisistijd risico’s vaak sterk gecorreleerd. Dit is een les van de kredietcrisis die men op Financiën toch zou moeten hebben geleerd.

Ad 3. De Nederlandse “retail funding gap” kan gemakkelijk op andere manieren worden gedicht, bijvoorbeeld door het uitgeven van zogenaamde “covered bonds”. Maar het is voor banken natuurlijk goedkoper om onder een impliciete Nederlandse overheidsgarantie buitenlands spaargeld aan te trekken. Als de “retail funding gap” echt een probleen vormt voor het Nederlandse bankwezen zijn er overigens wel betere oplossingen te verzinnen. Bijvoorbeeld via het fiscaal ontmoedigen van hypotheekproducten waarop niet wordt afgelost. Dit zou als gunstig neveneffect hebben dat de uitstaande hoeveelheid hypothecair krediet afneemt en de funding gap daalt.

Ronduit teleurstellend is dat de minister de Europese context – waarbij de activiteiten van buitenlandse bijkantoren onder de verantwoordelijkheid van het thuisland vallen – als een gegeven aanneemt. De kredietcrisis heeft toch overduidelijk de weeffouten in het Europese systeem van financiële regelgeving en toezicht aangetoond (denk maar aan de Icesave en Fortis debacles). Hieraan moet dus iets worden gedaan. Als nationale politici zich blijven verstoppen achter Europese regels moeten we niet verbaasd zijn als Europa impopulair wordt.

Wat rest in de beantwoording is een onterechte reprimande aan het adres van de Rabobank, die het heeft gewaagd om op te merken dat de keizer geen kleren aan heeft (i.e. dat de Nederlandse staat de ultieme risicodrager is bij een deconfiture van een Nederlandse grootbank).

Categorieën:Banken

Langstudeerders moet je vroeg aanpakken

9 juni 2011 1 reactie

De door het kabinet voorgestelde langstudeerdersregeling is een slecht vormgegeven prikkel tot sneller studeren. Hoewel de details nog onbekend zijn, lijkt de grote lijn duidelijk. Bij overschrijding van de nominale studieduur plus één jaar gaat de student een hoger collegegeld betalen en de instelling een strafkorting. Het simplisme van deze maatregel verraadt echter een gebrek aan inzicht in het fenomeen studievertraging.

Studievertraging is er in alle maten en soorten, van tijdverspillend tot maatschappelijk wenselijk. Een analyse van de verschillende vormen van studievertraging, de oorzaken hiervan en de manieren om deze aan te pakken (indien nodig) ontbreekt echter. Laat ik een korte voorzet geven.

De invoering van het bindend studieadvies (BSA) heeft bij de meeste opleidingen een duidelijke schifting in het eerste studiejaar teweeg gebracht. Aan de Erasmus School of Economics (ESE) maakt het overgrote deel van de studenten met een (voorwaardelijk) positief BSA de bacheloropleiding af. Daarmee bewijst het eerste jaar zijn selectieve waarde. Studenten die dit jaar overleven, kunnen erop vertrouwen dat ze met voldoende inspanning de opleiding zullen voltooien. Veel studenten combineren na het eerste jaar hun bachelorstudie met bijbanen, bestuurswerk, medezeggenschap, stages, buitenlandse reizen of een tweede studie, waardoor zij de bacheloropleiding niet binnen 3 of 4 jaar halen. Maar daarmee is dit nog geen probleemgroep. Integendeel, de arbeidsmarkt waardeert over het algemeen deze extra-curriculaire activiteiten. Bovendien kunnen de meeste opleidingen zelf niet zonder de efficiënte en gewaardeerde arbeidsinzet van studentassistenten. Als zij massaal het bijltje erbij neer zouden leggen om zo het hogere collegegeld te ontlopen, wordt kleinschalig hoger onderwijs onbetaalbaar.

De echte probleemgroep bestaat uit studenten die niet of veel te laat op gang komen en de eerste jaren doelloos van opleiding naar opleiding zwerven. Een voorbeeld. Een jaar geleden heette de ESE student A, na een afwezigheid van drie jaar, opnieuw welkom binnen de poorten van de faculteit. Student A schreef zich in 2005 eerder in voor de studie economie, maar kreeg in september 2006 een negatief BSA. Sinds september 2006 heeft hij geproefd aan de studies bedrijfskunde, bestuurskunde en fiscaal recht, alvorens terug te keren naar de economische wetenschap, waar blijkbaar toch zijn hart ligt. Helaas heeft student A sindsdien nog geen studiepunt gehaald. Ik voorspel dat de langstudeerdersregeling voor dit type student geen soelaas biedt. Immers, het kenmerk van deze studenten is nu juist dat ze slecht vooruit kijken en de nadelige lange-termijn consequenties van hun keuzes onvoldoende meewegen. Een financiële sanctie die pas na 4 jaar wordt opgelegd, zal geen indruk maken. Wie dan leeft, die dan zorgt. Voor deze groep heb je een vroege interventie nodig. De harde aanpak van de langstudeerdersregeling contrasteert helaas met het softe beleid bij aanvang van de studie. De wetgever staat student A toe om vrijblijvend studies uit te proberen. Wanprestaties in het eerste jaar worden met de mantel der liefde bedekt.

De politiek correcte premisse onder het BSA is dat iedereen met een vwo-diploma over voldoende intellect, motivatie, doorzettingsvermogen en discipline beschikt om een academische opleiding met goed gevolg te voltooien. Het falen van de student wordt zo gereduceerd tot een verkeerde studiekeuze. Dit zou impliceren dat studenten die na een negatief BSA overstappen, het bij de nieuwe studie beter doen dan studenten die vanuit het vwo instromen. Uit onderzoek blijkt echter dat dit niet het geval is; de tweede studiekeuze pakt in veel gevallen niet veel beter uit dan de eerste. Sommige studenten stoten zich inderdaad twee of meer keren aan dezelfde steen.1

Het verdient de voorkeur om het beleid om te draaien. Hard bij aanvang, maar soepeler na gebleken inzet of talent. Laat de student vroegtijdig kleur bekennen en bewijzen dat hij echt voor een academische opleiding wil gaan. Een eenvoudige maatregel om dit te bereiken, is om studenten na twee negatieve BSA’s verdere inschrijving in het wetenschappelijke onderwijs te weigeren (“two strikes and you’re out”). Deze generieke maatregel versterkt zowel de reflectie op de studiekeuze als de prikkel tot studeren. Overleven studenten het eerste jaar, dan is er weinig bezwaar tegen enige studievertraging voor studenten die zich gaandeweg ook op een andere manier willen ontplooien.

De botte bijl van de langstudeerdersregeling doet vermoeden dat het de minister niet te doen is om de werkelijke problemen in het wetenschappelijk onderwijs aan te pakken, maar dat het om een ordinaire bezuinigingsmaatregel gaat. En die brengt natuurlijk meer geld in het laatje naarmate de effectiviteit geringer is.

1 Zie I.J.M. Arnold en W. van den Brink, Naar een effectiever bindend studieadvies, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs en Management, 2010-5, p. 10-13.

Categorieën:Onderwijs

Betaal Griekse werknemers in hun eigen schuld

9 juni 2011 1 reactie

Economische prognoses laten zien dat de Griekse staatsschuldquote op een onhoudbaar pad is aanbeland. Toch aarzelen politici om door de zure appel van schuldherstructurering heen te bijten. Los van de risico’s voor de Europese financiële sector, zendt een herstructurering het verkeerde signaal aan de Grieken, namelijk dat de verlossing kan komen door kwijtschelding, in plaats van door economische hervormingen.

Doorgaan met begrotingspijn lijden kent echter ook zijn grenzen. Als de Grieken geen licht aan het einde van de tunnel zien, kan er hervormingsmoeheid optreden. Hieronder wordt daarom een alternatief voorgesteld, dat neerkomt op schuldherstructurering, maar de prikkels tot hervorming versterkt in plaats van verzwakt. Het idee is om Griekse werknemers gedeeltelijk uit te betalen in Griekse staatsschuld.

Renteverlaging is één van de manieren om de staatsschuldquote te reduceren. In een vrije kapitaalmarkt is deze optie niet beschikbaar, maar wanneer de overheid huishoudens dwingt om staatsschuld aan te houden kan het wel. Dit komt neer op financiële repressie. Financiële repressie neemt meestal de volgende vorm aan. De besparingen van huishoudens worden min of meer gedwongen aangehouden bij lokale banken, omdat er weinig andere beleggingsalternatieven worden aangeboden. De banken worden op hun beurt verplicht om staatsschuld aan te houden. Op deze manier financiert de burger indirect de overheid. De reden dat Japan, met een staatsschuldquote rond de 200%, geen schuldencrisis heeft is dat de meeste Japanse schuld wordt aangehouden door Japanse huishoudens via het Japanse bankwezen.

Een variatie op dit thema kan een oplossing zijn voor Griekenland. Mijn voorstel is om een stap eerder met financiële repressie te beginnen, door de Griekse lonen gedeeltelijk in overheidsobligaties uit te betalen. Op deze manier wordt de Griekse bevolking gedwongen om zelf een deel van de Griekse staatsschuld te absorberen. Het geld dat de Griekse schatkist bespaart op de loonbetalingen kan vervolgens worden gebruikt om de buitenlandse schulden af te lossen. Op deze wijze wordt hoogrentende buitenlandse schuld geleidelijk vervangen door laagrentende binnenlandse schuld. De rente die op de bij de werknemers geplaatste obligaties wordt betaald bevat immers geen risicopremie en kan eenzijdig door de overheid worden vastgesteld.

Dit voorstel grijpt aan op de drie belangrijkste aspecten van de Griekse crisis:
1) de extreme afhankelijkheid van externe financiering;
2) het feit dat Griekenland jarenlang boven zijn stand heeft geleefd, de consumptieve bestedingen zal moeten verminderen en de externe balans in evenwicht zal moeten brengen;
3) het gebrek aan probleemeigenaarschap bij de Griekse bevolking.

Het laatste punt is misschien wel het belangrijkste. Met het terugplaatsen van Griekse schuld in handen van het Griekse publiek wordt het probleemeigenaarschap gelegd waar het hoort: bij de Griekse bevolking, niet alleen bij hun regering of bij hun mede-Europeanen. Het geeft de Grieken een aandeel in hun publieke sector, een persoonlijk financieel belang bij het succes van de hervormingen en hopelijk daarmee de stamina om de hervormingen vol te houden. Kortom, het geeft ze “skin in the game”, aangezien de waarde van hun obligaties zal stijgen met het succes van de hervormingen.

Naar verwachting zullen Griekse vakbonden hevig protesteren tegen een gedeeltelijke betaling van de loonsom in staatsobligaties. Maar extreme omstandigheden noodzaken extreme maatregelen. In oorlogstijd vinden samenlevingen het heel normaal dat burgers een aanzienlijk deel van hun inkomen teruginvesteren in de nationale inspanning via zogenaamde “war bonds”. Ik geef toe dat dit in het verleden meestal op vrijwillige basis gebeurde en voor het succes afhing van vaderlandsliefde, propaganda en sociale druk. Mijn verwachting is dat deze factoren in Griekenland in onvoldoende mate aanwezig zijn en dat een verplichte deelname nodig is.

Kan dit voorstel de staatsschuldquote ombuigen naar een beheersbaar pad? In potentie, ja. Het arbeidsinkomen maakt een substantieel deel uit van het BBP; het gaat dus om grote bedragen. De precieze jaarlijkse besparingen hangen af van het percentage van het loon dat wordt betaald in obligaties en van het aantal werknemers dat meedoet. Voor de Griekse onderlinge solidariteit zou het goed zijn wanneer werknemers in zowel de publieke als de private sector meedoen en zo de last verdelen. Dan nog zal het enige tijd duren voordat buitenlandse door binnenlandse financiering is vervangen. Op dit punt kan de EU een constructieve rol spelen.

Met het steunpakket van mei 2010 heeft de EU tijd gekocht. Dat zal ook in het bovenstaande plan nodig blijven. Maar in dit voorstel wordt de Europese steun politiek beter verkoopbaar. Wanneer Grieken hun eigen staatsschuld aanhouden en daarmee het eigenaarschap van en de verantwoordelijkheid voor de problemen in hun publieke sector aanvaarden, kan het Noord-Europese electoraat gemakkelijker worden overtuigd van de wijsheid om de Grieken krediet te verlenen op gunstige voorwaarden (met een lage rente en een lange looptijd). De combinatie van Griekse financiële repressie en Europese solidariteit kan zo een de facto schuldherstructurering bewerkstelligen, zonder de nadelige consequenties van een echte.

Eerder verschenen op EconomieOpinie, 16 maart 2011

Profieleisen voor gevallen goden

Eind jaren negentig bereikte de reputatie van centrale bankiers een hoogtepunt. Het inflatiespook van de jaren zeventig was overwonnen en centrale bankiers gingen met de eer strijken. Dit was de tijd waarin Allan Greenspan nog op handen werd gedragen en de ECB op de onafhankelijke leest van de Bundesbank werd geschoeid.

Het Britse weekblad The Economist publiceerde in 1998 zelfs een artikel met als titel “The central banker as god”.1

Sindsdien is de monetaire elite hard van de Olympus geduikeld. Een te ruim monetair beleid voor de kredietcrisis, mede als gevolg van blindheid voor vermogensprijsinflatie, een te groot vertrouwen in de werking van de financiële markten, een te welwillende opstelling jegens banken en grove toezichtfouten, hebben de mythe van de alwetendheid van centrale bankiers voor altijd doorgeprikt. Als klap op de vuurpijl is er nu het schandaal rond DSK.

Deze lente doet zich de unieke situatie voor dat bij zowel DNB, de ECB als het IMF de opvolgingskwestie speelt. De opvolgers van Wellink, Trichet en DSK zullen echter niet in serene rust de Olympus bestijgen. Hen wordt, net als gewone mensen, publiekelijk de maat genomen. Discussies over geschiktheid alom, dus. Maar kunnen we hier wel iets zinnigs over zeggen? Ik laat twee veelgehoorde profieleisen kort de revue passeren.

De eerste is onafhankelijkheid. Sommige economen maken hier een groot punt van, laatstelijk nog bij de benoeming van Klaas Knot tot president van DNB. De vrees is dat met een te snelle overstap van het Ministerie van Financiën naar DNB de afhankelijkheidsrelatie tussen ambtenaar en minister onvoldoende zou zijn gesleten. Mijns inziens is deze vrees ongegrond. De benoemingstermijn van 7 jaar biedt afdoende bescherming tegen het risico dat de nieuwe president een slaaf van de politiek zou worden.

Misschien nog wel belangrijker dan onafhankelijkheid van de politiek is onafhankelijkheid van de financiële sector. Een centrale bankier hoort het publiek belang boven het belang van de sector te stellen. Het is te hopen dat Knot het op dit punt beter doet dan zijn voorganger, die weinig oog had voor de systeemrisico’s die voortvloeiden uit de groeistrategieën van de Nederlandse grootbanken.

Absolute onafhankelijkheid is overigens een waanidee en voor geen enkele beroepsgroep gezond. Centrale banken opereren niet in een politiek of maatschappelijk vacuüm. Een centrale bankier kan het zich niet veroorloven om het respect en de steun van de publieke opinie te verliezen, zoals Wellink heeft ondervonden. In plaats van een onafhankelijke god, is een centrale bankier vooral een feilbare dienaar van het publieke belang, met een tijdshorizon die verder strekt dan die van de gemiddelde politicus.

De tweede profieleis betreft de monetaire school waaruit de kandidaat voortkomt. Rond de kandidatuur van Draghi voor het presidentschap van de ECB is er enige discussie over de vraag of hij wel uit het juiste Teutoonse hout is gesneden. De vrees is dat zijn monetaire visie een te Angelsaksische signatuur zou hebben. In macro-economische termen: dat Draghi een wat groter gewicht in de monetaire beleidsfunctie geeft aan hoge groei in plaats van lage inflatie, vergeleken met centrale bankiers uit de traditie van de Duitse Bundesbank. Deze redenering getuigt vooral van nostalgie naar de jaren zeventig, toen de centrale bank van Duitsland inderdaad een beter monetair beleid voerde dan de Angelsaksische of Zuid-Europese landen. Maar sinds de introductie van de euro is er weinig verschil in monetair beleid aan beide kanten van de Atlantische oceaan. Het belang van monetaire expertise voor centrale bank presidenten wordt overigens overschat. Centrale bankiers worden ondersteund door een uitstekend ambtelijk apparaat. Het is vooral van belang dat ze door de bomen het bos kunnen zien.

Belangrijker dan monetaire kennis is dan ook dat een centrale bankier kalmte, rust en vertrouwen uitstraalt en in tijden van crisis flexibiliteit van geest heeft en boven zichzelf kan uitstijgen. Maar deze eigenschappen zijn onmogelijk van een afstand te beoordelen, waardoor de discussies in de media over de monetaire poppetjes tamelijk zinloos zijn. We zullen erop moeten vertrouwen dat “the powers that be” de juiste keuze maken.

 1The Economist, 12 november 1998

Categorieën:Banken