Archief

Archive for juni, 2011

Ringfencing: het enige effectieve macroprudentiele instrument

30 juni 2011 1 reactie

Het toverwoord in toezichtsland is macroprudentieel toezicht. Het idee hierachter is dat goed toezicht op de liquiditeit en solvabiliteit van individuele financiele instellingen – het traditionele microprudentiele toezicht – tekort schiet in een wereld waarin de onderlinge afhankelijkheid van banken en financiele markten sterk is toegenomen. Ingrepen die vanuit het perspectief van de individuele instelling prudent zijn – zoals het afstoten van risicovolle activa – kunnen immers een sneeuwbaleffect in de financiele markten teweeg brengen en daarmee de stabiliteit van het financiele stelsel als geheel in gevaar brengen. Dit is het bekende systeemrisico.

Hoe kan het systeemrisico worden beheerst? Er zijn een aantal verschillende benaderingen mogelijk. Ten eerste kunnen centrale banken proberen om de macroeconomische omgeving waarin banken opereren stabieler te maken. Dit zou betekenen dat het monetair beleid niet langer alleen in dienst komt te staan van prijsstabiliteit, maar bijvoorbeeld ook van het voorkomen of doorprikken van zeepbellen in de financiele markten. Zeepbellen zijn echter lastig te onderkennen en centrale bankiers hebben hierin geen evident comparatief voordeel. Ook Greenspan raakte er tijdens de hoogtijdagen van de dot.com bubble van overtuigd dat de ICT-revolutie ons hogere groei met een lage inflatie zou bezorgen. Als centrale banken proactief proberen om jubelende financiele markten onderuit te halen, dan zal dat bovendien politieke weerstand oproepen.

Een tweede benadering is gericht op het gedrag van banken. Het Basel raamwerk is hiervan een goed voorbeeld. Hiermee proberen toezichthouders te bereiken dat banken minder risico nemen door o.a. de kapitaaleisen te wegen naar het risico van de bankactiva. Risicoweging van activa heeft de kredietcrisis echter niet kunnen voorkomen. Het nieuwe Basel regime zal dan ook geen stabiliteit brengen, maar daagt banken vooral uit om de regels wederom te omzeilen. In de nieuwe Basel editie zit ook een extra kapitaaleis voor systeemrelevante banken (de zogenaamde sifi’s). Deze eis lijkt streng, maar is misschien een kleine prijs om officieel te worden aangemerkt als “bank die nooit mag omvallen”. De extra kapitaaleis kan dan worden terugverdiend door deze status te exploiteren (bijvoorbeeld via lagere financieringskosten).

De derde benadering grijpt aan op de structuur van de financiele sector, in plaats van op het gedrag van de spelers. Deze benadering start met het beantwoorden van een aantal existentiele vragen over de financiele sector die toezichthouders vaak niet durven te stellen. Wat is de toegevoegde waarde van verschillende financiele activiteiten? Welke activiteiten zijn maatschappelijk gezien zo belangrijk dat ze onder een publiek vangnet moeten vallen? Mijn antwoord: kredietverlening aan partijen die geen rechtstreekse toegang hebben tot de kapitaalmarkten (MKB-bedrijven en consumenten), het verzorgen van het betalingsverkeer en het in bewaring nemen van spaargeld. In dit rijtje hoort in ieder geval niet thuis het beleggen in obligaties met rommelhypotheken of van PIGS landen. De volgende stap is dan het zodanig herstructureren van de financiele sector, dat de maatschappelijke nuttige bancaire taken juridisch en economisch worden afgeschermd van activiteiten die banken onnodig blootstellen aan systeemrisico. Dit wordt ook wel ringfencing genoemd. Ringfencing grijpt rechtstreeks aan op een van de oorzaken van systeemrisico: de hoge mate van interconnectiviteit van financiele markten en instellingen.

Vooral de toezichthouders in het VK zijn gecharmeerd van de structuurbenadering. Zo bestaan er plannen om de consumentenactiviteiten van de Britse grootbanken af te schermen van de investment banking activiteiten. Ook oefent de Britse toezichthouder druk uit op buitenlandse banken om hun bijkantoren in de City of London om te zetten in aparte juridische entiteiten, zodat deze onder Brits toezicht vallen en afgeschermd zijn van het hoofdkantoor. Dit mede naar aanleiding van de Icesave saga.

Het IMF noemt het veranderen van de structuur als een instrument om het macroprudentiele risico te beperken. Ook rating agencies zijn van mening dat een bank die zijn buitenlandse activiteiten ringfenced via dochterondernemingen vanuit het oogpunt van systeemrisico veiliger is dan een bank die met buitenlandse bijkantoren werkt.

Zolang er geen bewijs is dat centrale bankiers zeepbellen kunnen voorkomen en dat toezichthouders bankiers tot maatschappelijk verantwoord gedrag kunnen aanzetten, is structuurbeleid het enige effectieve macroprudentiele instrument.

Categorieën:Banken

Studenten: een Grieks exportsucces

Niet de schuldenberg, maar de concurrentiekracht is het grootste probleem van de Griekse economie. Op één punt is de Griekse exportpositie echter uitstekend. Griekenland behoort tot de wereldwijde top in het exporteren van studenten. Per jaar gaan er meer dan 30.000 Griekse jongeren in het buitenland studeren. Omgekeerd importeert Griekenland heel weinig buitenlandse studenten (afgezien van Grieks-Cyprioten). Vanuit Nederland gaan jaarlijks circa 20 studenten in Griekenland studeren, tegen een omgekeerde stroom van 700.[1] Ook aan de Erasmus School of Economics merken we dit verschijnsel. Dit jaar kreeg de masteropleiding meer dan 200 aanmeldingen van Griekse studenten. Daarmee overtreffen ze zelfs de Chinezen.

Helaas betekent dit positieve exportsaldo weinig goeds voor de Griekse betalingsbalans. Om zoon- of dochterlief in het buitenland te laten studeren is geld nodig voor reis- en verblijfskosten en collegegelden. Gedeeltelijk zal de student dat met bijbaantjes in het gastland bijeen sprokkelen, maar vaak is er ook financiering vanuit het thuisland nodig. Dit heeft een negatief effect op de betalingsbalans. Het studentenexportsurplus is dan ook geen teken van concurrentiekracht. Integendeel, de situatie in het Griekse hoger onderwijs is symptomatisch voor de zwakke Griekse economie.

De uitstroom van Griekse studenten doet vermoeden dat het hoger onderwijs in Griekenland een schaars goed is, met hoge collegegelden of lange wachtlijsten. Verre van dat. Deelname aan het Griekse hoger onderwijs is gratis en de participatie van jongeren in het hoger onderwijs is vergeleken met andere EU-landen aan de hoge kant. Onderwijs is dus niet schaars. Goed onderwijs wel. De brain drain is dan ook een uiting van een kwaliteitsprobleem. Jongeren met ondernemingsgeest of bemiddelde ouders gaan in het buitenland studeren omdat de kwaliteit daar beter is. De zon, de zee en de Griekse oudheid kunnen omgekeerd studenten uit andere EU-landen niet verleiden tot een studie in Griekenland. De waarde van een Grieks diploma is te laag.

Het Griekse hoger onderwijs is in veel opzichten een microkosmos van wat er mis is met de Griekse economie. De Griekse burger gaat ervan uit dat het allemaal niets hoeft te kosten en dat ze recht hebben op gratis overheidsdiensten. De universiteiten zijn overbevolkt met studenten en staf. Kwaliteitszorg is onderontwikkeld. Er zijn geen prikkels om te presteren. De wetenschappelijke staf lijdt onder nepotisme en cliëntelisme. De volle campussen zijn ten slotte broedplaatsen voor anarchisme en sociale onrust. Griekse jongeren zouden productiever zijn wanneer ze de buitenlandse gastarbeiders in de horeca en de landbouw aflossen.

Hoe verder? Een voor de hand liggende maatregel is om studenten collegegeld te laten betalen. Maar dan nog zullen er extra middelen nodig zijn om het Griekse hoger onderwijs over de volle breedte een kwaliteitsimpuls te geven. Zo’n proces zal bovendien jaren duren. Een beter idee is om juist volop gebruik te maken van de grote bereidheid van Griekse studenten om in het buitenland te studeren. Deze impliceert immers dat Griekenland het volledige EU onderwijsaanbod kan benutten. De noodzaak om zelf een compleet aanbod in stand te houden vervalt daarmee. Dit stelt Griekenland in staat om prioriteiten te stellen en geld uit te sparen. Dus wel een topmaster archeologie of toerisme in Athene, maar voor economie kunnen Griekse studenten ook naar Rotterdam komen.

[1] Cijfers zijn voor 2008 en komen uit Education at a Glance, OECD, 2010

Soepeler Basel III in ruil voor vrijwillige bijdrage aan Griekse redding?

Overheden en banken ontmoeten elkaar op vele verschillende dossiers. Soms ga je vermoeden dat deze met elkaar in verband worden gebracht, ook daar waar dat eigenlijk niet hoort. Dat gevoel kreeg ik dit weekend, toen de Wall Street Journal twee op het oog losstaande berichten naar buiten bracht:

  • Frankrijk en Duitsland pleiten voor een soepele implementatie van de Basel III bankenregulering (WSJ, 18 juni)
  • Sarkozy en Merkel worden het eens over een vrijwillige bijdrage van banken aan het Griekse reddingsplan (ook WSJ, 18 juni)

Nu zal in ieder geval de timing wel toeval zijn geweest, maar toch valt het niet uit te sluiten dat hier een quid pro quo in de maak is. Op beide dossiers zijn de Europese banken en overheden sterk afhankelijk van elkaar. De banken hebben de lobby van Europese regeringen hard nodig om ervoor te zorgen dat de Basel III soep minder heet wordt gegeten dan ze wordt opgediend. Omgekeerd hebben de politici de banken hard nodig in het Griekse reddingsplan, om met een private bijdrage de verdere staatssteun nog enigszins verteerbaar te maken voor een steeds Eurosceptischer electoraat.

Ziehier de ingredienten voor een typisch Europese grand bargain, waarbij partijen afspreken blind te zijn voor elkaars zwakheden en samen door te modderen. Waarmee overigens niet is gezegd dat dit het slechtste scenario is.

De Rabobank ziet het licht

17 juni 2011 1 reactie

 

“Schuld moet, schuld doet je goed”, was decennia lang het mantra in de financiele sector. Huizenkopers werd geadviseerd om bij aankoop van een huis een zo hoog mogelijke hypotheek te nemen, geen eigen geld in te brengen en vooral niet tussentijds af te lossen. Dit alles om het fiscaal voordeel maximaal uit te buiten. Nu niet meer. De Rabobank is een intitatief gestart om hypotheekconstructies waarbij niet wordt afgelost uit te bannen (zie het FD van vandaag) en terug te keren naar de annuiteitenhypotheek. Een hele goede zaak. Op termijn zou hierdoor zowel de financiele positie van de Nederlandse gezinnen als die van de schatkist kunnen worden versterkt. Tien jaar geleden hield ik in ESB een soortgelijk pleidooi (zie Aflossen is een deugd).

Als deze vogel gaat vliegen, bewijst de Rabobank de politiek een hele grote dienst. Natuurlijk hadden achtereenvolgende regeringen hetzelfde kunnen bereiken door de renteaftrek te beperken tot hypotheekvormen waarop wordt afgelost. Dan was de aflossingvrije hypotheek vanzelf van de aardbodem verdwenen. Maar hiervoor ontbrak de politieke moed. Nu kan de regering erop wijzen dat dit een initiatief vanuit de sector is om risicovolle hypotheekconstructies en misbruik van de renteaftrek tegen te gaan. Dat is veel beter te verkopen richting het electoraat.

Dit gaat de banken geld kosten, omdat de rentemarge niet meer gedurende de gehele looptijd over de volledige hypotheek wordt ontvangen. Kadootjes vanuit het bankwezen moeten in principe worden gewantrouwd. Welke wederdiensten zal de sector vragen? Genoemd zijn al de verruiming van de hypotheekverstrekkingscriteria door de AFM en de afschaffing van de overdrachtsbelasting. De laatste is een goede zaak, de eerste niet.

 

Categorieën:Uncategorized

Brede bachelor geen panacee voor studieuitval

16 juni 2011 4 reacties

 

Het kabinet wil dat universitaire bacheloropleidingen ‘verbreden’. Dat schrijft Trouw op basis van vertrouwelijke stukken. Studenten moeten een brede basis krijgen en zich pas aan het eind van de bachelor en in hun master specialiseren. Zo zijn er minder opleidingen nodig, waardoor de studiekeuze makkelijker wordt en de studieuitval vermindert.

Deze plannen gaan er vanuit dat het Nederlandse studierichtingenstelsel de voornaamste oorzaak is van de uitval van veel studenten. Een bredere inrichting van de bachelor-fase, zoals bijvoorbeeld bij University College Utrecht en de Roosevelt Academy, zou het stelsel “uitval-proof” maken. Maar deze hypothese is nooit goed onderzocht. De  goede rendementen van deze Colleges zijn waarschijnlijk het gevolg van de strenge selectie die zij toepassen, en niet van het brede onderwijsprogramma. Voor de effectiviteit van selectie aan de poort is voldoende evidentie. Opleidingen met een numerus fixus en decentrale selectie, zoals geneeskunde, kennen minder uitval dan studies als bedrijfskunde, rechten en economie, waar twijfelaars zich nog op het laatste moment kunnen inschrijven en niet mogen worden geweigerd. Selectie kan een effectief instrument zijn om de studieuitval bij een aantal niche opleidingen terug te dringen. Maar wanneer de maatschappij van universiteiten verwacht dat zij de huidige aantallen studenten sneller aan een academische graad helpen, kan selectie per definitie geen uitkomst bieden.

Wat dan wel? Betere studievoorlichting wordt vaak geopperd. Maar dit is vooral een politiek correcte maatregel waarbij de student niet hoeft te worden aangesproken op zijn keuze of inspanning, maar waarbij de bal gemakshalve bij de universiteiten wordt neergelegd. Het is gelukkig een onschuldige en relatief goedkope maatregel. Baadt het niet dan schaadt het niet. De kabinetsplannen om door te gaan op het pad van de bachelorverbreding zijn echter allesbehalve onschuldig en raken de eindtermen van veel universitaire opleidingen in het hart. Bij invoering hiervan stuiten we in Nederland op het probleem van de eenjarige masteropleidingen, die uitgaan van een solide disciplinaire voorkennis uit de bachelor-fase. Wanneer afgestudeerden van een brede bachelor eerst nog een jaar moeten schakelen om te worden toegelaten tot de master, dan krijgen we de studievertraging via de achterdeur weer terug. Een brede bachelor kan alleen zonder kwaliteitsverlies worden ingevoerd in combinatie met een twee-jarig mastertraject. En dat zal geld kosten.

In plaats van ons kwalitatief hoogwaardige studierichtingenstelsel op zijn kop te zetten, kunnen we ons beter afvragen waarom veel studenten zo slordig omgaan met hun studiekeuze. Misschien heeft het wel te maken met het feit dat we het de student wel erg gemakkelijk maken om veel te wisselen. Blijkbaar zijn de kosten van een studiewissel voor de individuele student te gering of te ver weg in de toekomst. Dit zou ervoor pleiten om deze kosten te verhogen, zodat ook bij de student het besef ontstaat dat aan het wisselen van studie een prijskaartje hangt. Daarvoor hoeft niet eens het collegegeld te worden verhoogd. De wetgever zou ook grenzen kunnen stellen aan het aantal pogingen tot academische studie dat een student mag wagen. Een “two strikes and you are out”-regel, waarbij studenten na twee negatieve bindend studieadviezen het universitair onderwijs moeten verlaten, zou wel eens heel effectief kunnen zijn om de scholier te prikkelen tot een passende studiekeuze en de focus van studenten op de studie te versterken.

 

Categorieën:Onderwijs

Wellink in het FD

Een opmerkelijke uitspraak van Wellink in het FD van vanochtend:

“Toen de euro kwam, hadden we wel zorgen over het bouwwerk. Ik ben er altijd voorstander van geweest dat de eurolanden eerst economisch naar elkaar toe zouden groeien en dat bij het eind van zo’n convergentieproces er een monetaire unie zou komen. De politieke aanpak was uiteindelijk dat de lidstaten economisch wel zouden convergeren als we eenmaal een monetaire unie hebben. Ik heb dat nooit zo hard geloofd.”

Dit is een oude discussie in de economie. Natuurlijk is het gemakkelijker om een gemeenschappelijke munt in te voeren als de deelnemende landen economisch zijn geconvergeerd. Maar dan was de euro er nooit gekomen. Ik zie niet in hoe landen als Griekenland uit zichzelf de hervormingen zouden doorvoeren die nu onder druk tot stand komen. Wat dat betreft is de euro een soort breekijzer.

Kwalijker is dat Wellink hier wel heel gemakkelijk achteraf over praat. Als hij echt al die tijd van mening was dat monetaire integratie pas kan als de reele economie is geconvergeerd, dan had hij in 1999 moeten zeggen: dit gaat fout; hier begin ik niet aan; ik stap op.

Kritiek Open Europe/PVV op ECB is onterecht

De PVV-fractie in het Europees parlement wil een onderzoek naar de ECB en twijfelt openlijk aan haar integriteit en onafhankelijkheid. De aanleiding hiervoor is een rapport van Open Europe, waarin de blootstelling van de ECB aan schulden van probleemlanden nog eens wordt voorgerekend. De feiten zijn niet nieuw, maar worden door deze denktank van eurosceptische snit (en – niet verrassend – van Britse oorsprong) sterk negatief ingekleurd.

Waar gaat het om? Open Europe berekent dat de ECB voor meer dan 400 miljard euro is blootgesteld aan PIIGS-schulden. Deze blootstelling neemt twee vormen aan: 1) staatsschuld op de ECB balans; 2) staatsschuld als onderpand bij kredietverstrekking aan Europese banken. Gaat de ECB hiermee haar boekje te buiten? Dat is een lastige vraag waarop geen eenvoudig antwoord mogelijk is.

De uitgangspunten bij de start van de EMU waren dat de ECB:
a) de prijsstabiliteit zou bewaken;
b) geen staatsschuld monetair zou financieren;
c) alleen liquiditeit zou verstrekken aan het bankwezen op basis van adequaat onderpand;
maar ook dat:
d) de ECB zou bijdragen aan de financiele stabiliteit in het eurogebied.

Het rechtstreeks opkopen door de ECB van Zuid-Europese en Ierse staatsschuld via het Securities Markets Programme (SMP) druist in tegen uitgangspunt b). En het accepteren van Griekse staatsschuld als onderpand voor liquiditeitsverstrekking aan Griekse banken druist in tegen uitgangspunt c). In beide gevallen kan de ECB echter aanvoeren dat deze acties nodig waren om de stabiliteit van het financiele stelsel te bewaken (uitgangspunt d). Wanneer de uitgangspunten conflicteren is het aan de ECB om een afweging te maken.

Mijns inziens heeft de ECB grosso modo de juiste afwegingen gemaakt. Het SMP is nog het meest discutabel. In mei 2010 achtte de ECB deze interventie noodzakelijk om de financiele markten te stabiliseren, nadat het geklungel van Europese politici rond de Griekse crisis het vertrouwen van de markten op de proef had gesteld. Het SMP is relatief gering in omvang (76 miljard euro) en ligt al geruime tijd stil. Het was fraaier geweest als het SMP er niet was geweest en de strikte scheiding tussen monetair en begrotingsbeleid was gehandhaafd. We zullen echter nooit weten hoe de crisis in mei 2010 was verlopen zonder SMP. De ECB heeft toen het zekere voor het onzekere genomen, zoals het een centrale bank betaamd, en daarmee haar reputatie op het spel gezet. Dat kun je ook moedig noemen.

Dan de staatsschuld die aan de ECB in onderpand is gegeven. Als de ECB strikte kwaliteitscriteria zou hanteren ten aanzien van dit onderpand, dan was het Griekse bankwezen failliet gegaan (evenals banken in andere PIGS landen). Kenmerkend voor het Europese bankwezen is immers dat banken bovenmatig veel beleggen in de staatsschuld van het thuisland. Deze op zichzelf onwenselijke situatie is een erfenis uit het verleden, waar gegeven de marktsituatie op korte termijn weinig aan te doen valt. Griekse banken zullen daarom Griekse staatsobligaties in onderpand geven. Deze weigeren staat gelijk aan het tekenen van een doodsvonnis. Dit heeft de ECB gelukkig tot nu toe niet gedaan.

Feitelijk heeft de ECB de klappen opgevangen van falende Europese politici en toezichthouders, die Europa onvoldoende hebben voorbereid op een crisissituatie. In de goede jaren is er door Europese regeringen te weinig geinvesteerd in begrotingscoordinatie en – discipline en in een goed en geintegreerd Europees bankentoezicht. De ECB mag de rotzooi opruimen. Een ondankbare taak, die zij tot nu toe uitstekend uitvoert.