Archief

Archive for juni, 2011

Ringfencing: het enige effectieve macroprudentiele instrument

30 juni 2011 1 reactie

Het toverwoord in toezichtsland is macroprudentieel toezicht. Het idee hierachter is dat goed toezicht op de liquiditeit en solvabiliteit van individuele financiele instellingen – het traditionele microprudentiele toezicht – tekort schiet in een wereld waarin de onderlinge afhankelijkheid van banken en financiele markten sterk is toegenomen. Ingrepen die vanuit het perspectief van de individuele instelling prudent zijn – zoals het afstoten van risicovolle activa – kunnen immers een sneeuwbaleffect in de financiele markten teweeg brengen en daarmee de stabiliteit van het financiele stelsel als geheel in gevaar brengen. Dit is het bekende systeemrisico.

Hoe kan het systeemrisico worden beheerst? Er zijn een aantal verschillende benaderingen mogelijk. Ten eerste kunnen centrale banken proberen om de macroeconomische omgeving waarin banken opereren stabieler te maken. Dit zou betekenen dat het monetair beleid niet langer alleen in dienst komt te staan van prijsstabiliteit, maar bijvoorbeeld ook van het voorkomen of doorprikken van zeepbellen in de financiele markten. Zeepbellen zijn echter lastig te onderkennen en centrale bankiers hebben hierin geen evident comparatief voordeel. Ook Greenspan raakte er tijdens de hoogtijdagen van de dot.com bubble van overtuigd dat de ICT-revolutie ons hogere groei met een lage inflatie zou bezorgen. Als centrale banken proactief proberen om jubelende financiele markten onderuit te halen, dan zal dat bovendien politieke weerstand oproepen.

Een tweede benadering is gericht op het gedrag van banken. Het Basel raamwerk is hiervan een goed voorbeeld. Hiermee proberen toezichthouders te bereiken dat banken minder risico nemen door o.a. de kapitaaleisen te wegen naar het risico van de bankactiva. Risicoweging van activa heeft de kredietcrisis echter niet kunnen voorkomen. Het nieuwe Basel regime zal dan ook geen stabiliteit brengen, maar daagt banken vooral uit om de regels wederom te omzeilen. In de nieuwe Basel editie zit ook een extra kapitaaleis voor systeemrelevante banken (de zogenaamde sifi’s). Deze eis lijkt streng, maar is misschien een kleine prijs om officieel te worden aangemerkt als “bank die nooit mag omvallen”. De extra kapitaaleis kan dan worden terugverdiend door deze status te exploiteren (bijvoorbeeld via lagere financieringskosten).

De derde benadering grijpt aan op de structuur van de financiele sector, in plaats van op het gedrag van de spelers. Deze benadering start met het beantwoorden van een aantal existentiele vragen over de financiele sector die toezichthouders vaak niet durven te stellen. Wat is de toegevoegde waarde van verschillende financiele activiteiten? Welke activiteiten zijn maatschappelijk gezien zo belangrijk dat ze onder een publiek vangnet moeten vallen? Mijn antwoord: kredietverlening aan partijen die geen rechtstreekse toegang hebben tot de kapitaalmarkten (MKB-bedrijven en consumenten), het verzorgen van het betalingsverkeer en het in bewaring nemen van spaargeld. In dit rijtje hoort in ieder geval niet thuis het beleggen in obligaties met rommelhypotheken of van PIGS landen. De volgende stap is dan het zodanig herstructureren van de financiele sector, dat de maatschappelijke nuttige bancaire taken juridisch en economisch worden afgeschermd van activiteiten die banken onnodig blootstellen aan systeemrisico. Dit wordt ook wel ringfencing genoemd. Ringfencing grijpt rechtstreeks aan op een van de oorzaken van systeemrisico: de hoge mate van interconnectiviteit van financiele markten en instellingen.

Vooral de toezichthouders in het VK zijn gecharmeerd van de structuurbenadering. Zo bestaan er plannen om de consumentenactiviteiten van de Britse grootbanken af te schermen van de investment banking activiteiten. Ook oefent de Britse toezichthouder druk uit op buitenlandse banken om hun bijkantoren in de City of London om te zetten in aparte juridische entiteiten, zodat deze onder Brits toezicht vallen en afgeschermd zijn van het hoofdkantoor. Dit mede naar aanleiding van de Icesave saga.

Het IMF noemt het veranderen van de structuur als een instrument om het macroprudentiele risico te beperken. Ook rating agencies zijn van mening dat een bank die zijn buitenlandse activiteiten ringfenced via dochterondernemingen vanuit het oogpunt van systeemrisico veiliger is dan een bank die met buitenlandse bijkantoren werkt.

Zolang er geen bewijs is dat centrale bankiers zeepbellen kunnen voorkomen en dat toezichthouders bankiers tot maatschappelijk verantwoord gedrag kunnen aanzetten, is structuurbeleid het enige effectieve macroprudentiele instrument.

Categorieën:Banken

Studenten: een Grieks exportsucces

Niet de schuldenberg, maar de concurrentiekracht is het grootste probleem van de Griekse economie. Op één punt is de Griekse exportpositie echter uitstekend. Griekenland behoort tot de wereldwijde top in het exporteren van studenten. Per jaar gaan er meer dan 30.000 Griekse jongeren in het buitenland studeren. Omgekeerd importeert Griekenland heel weinig buitenlandse studenten (afgezien van Grieks-Cyprioten). Vanuit Nederland gaan jaarlijks circa 20 studenten in Griekenland studeren, tegen een omgekeerde stroom van 700.[1] Ook aan de Erasmus School of Economics merken we dit verschijnsel. Dit jaar kreeg de masteropleiding meer dan 200 aanmeldingen van Griekse studenten. Daarmee overtreffen ze zelfs de Chinezen.

Helaas betekent dit positieve exportsaldo weinig goeds voor de Griekse betalingsbalans. Om zoon- of dochterlief in het buitenland te laten studeren is geld nodig voor reis- en verblijfskosten en collegegelden. Gedeeltelijk zal de student dat met bijbaantjes in het gastland bijeen sprokkelen, maar vaak is er ook financiering vanuit het thuisland nodig. Dit heeft een negatief effect op de betalingsbalans. Het studentenexportsurplus is dan ook geen teken van concurrentiekracht. Integendeel, de situatie in het Griekse hoger onderwijs is symptomatisch voor de zwakke Griekse economie.

De uitstroom van Griekse studenten doet vermoeden dat het hoger onderwijs in Griekenland een schaars goed is, met hoge collegegelden of lange wachtlijsten. Verre van dat. Deelname aan het Griekse hoger onderwijs is gratis en de participatie van jongeren in het hoger onderwijs is vergeleken met andere EU-landen aan de hoge kant. Onderwijs is dus niet schaars. Goed onderwijs wel. De brain drain is dan ook een uiting van een kwaliteitsprobleem. Jongeren met ondernemingsgeest of bemiddelde ouders gaan in het buitenland studeren omdat de kwaliteit daar beter is. De zon, de zee en de Griekse oudheid kunnen omgekeerd studenten uit andere EU-landen niet verleiden tot een studie in Griekenland. De waarde van een Grieks diploma is te laag.

Het Griekse hoger onderwijs is in veel opzichten een microkosmos van wat er mis is met de Griekse economie. De Griekse burger gaat ervan uit dat het allemaal niets hoeft te kosten en dat ze recht hebben op gratis overheidsdiensten. De universiteiten zijn overbevolkt met studenten en staf. Kwaliteitszorg is onderontwikkeld. Er zijn geen prikkels om te presteren. De wetenschappelijke staf lijdt onder nepotisme en cliëntelisme. De volle campussen zijn ten slotte broedplaatsen voor anarchisme en sociale onrust. Griekse jongeren zouden productiever zijn wanneer ze de buitenlandse gastarbeiders in de horeca en de landbouw aflossen.

Hoe verder? Een voor de hand liggende maatregel is om studenten collegegeld te laten betalen. Maar dan nog zullen er extra middelen nodig zijn om het Griekse hoger onderwijs over de volle breedte een kwaliteitsimpuls te geven. Zo’n proces zal bovendien jaren duren. Een beter idee is om juist volop gebruik te maken van de grote bereidheid van Griekse studenten om in het buitenland te studeren. Deze impliceert immers dat Griekenland het volledige EU onderwijsaanbod kan benutten. De noodzaak om zelf een compleet aanbod in stand te houden vervalt daarmee. Dit stelt Griekenland in staat om prioriteiten te stellen en geld uit te sparen. Dus wel een topmaster archeologie of toerisme in Athene, maar voor economie kunnen Griekse studenten ook naar Rotterdam komen.

[1] Cijfers zijn voor 2008 en komen uit Education at a Glance, OECD, 2010

Soepeler Basel III in ruil voor vrijwillige bijdrage aan Griekse redding?

Overheden en banken ontmoeten elkaar op vele verschillende dossiers. Soms ga je vermoeden dat deze met elkaar in verband worden gebracht, ook daar waar dat eigenlijk niet hoort. Dat gevoel kreeg ik dit weekend, toen de Wall Street Journal twee op het oog losstaande berichten naar buiten bracht:

  • Frankrijk en Duitsland pleiten voor een soepele implementatie van de Basel III bankenregulering (WSJ, 18 juni)
  • Sarkozy en Merkel worden het eens over een vrijwillige bijdrage van banken aan het Griekse reddingsplan (ook WSJ, 18 juni)

Nu zal in ieder geval de timing wel toeval zijn geweest, maar toch valt het niet uit te sluiten dat hier een quid pro quo in de maak is. Op beide dossiers zijn de Europese banken en overheden sterk afhankelijk van elkaar. De banken hebben de lobby van Europese regeringen hard nodig om ervoor te zorgen dat de Basel III soep minder heet wordt gegeten dan ze wordt opgediend. Omgekeerd hebben de politici de banken hard nodig in het Griekse reddingsplan, om met een private bijdrage de verdere staatssteun nog enigszins verteerbaar te maken voor een steeds Eurosceptischer electoraat.

Ziehier de ingredienten voor een typisch Europese grand bargain, waarbij partijen afspreken blind te zijn voor elkaars zwakheden en samen door te modderen. Waarmee overigens niet is gezegd dat dit het slechtste scenario is.

De Rabobank ziet het licht

17 juni 2011 1 reactie

 

“Schuld moet, schuld doet je goed”, was decennia lang het mantra in de financiele sector. Huizenkopers werd geadviseerd om bij aankoop van een huis een zo hoog mogelijke hypotheek te nemen, geen eigen geld in te brengen en vooral niet tussentijds af te lossen. Dit alles om het fiscaal voordeel maximaal uit te buiten. Nu niet meer. De Rabobank is een intitatief gestart om hypotheekconstructies waarbij niet wordt afgelost uit te bannen (zie het FD van vandaag) en terug te keren naar de annuiteitenhypotheek. Een hele goede zaak. Op termijn zou hierdoor zowel de financiele positie van de Nederlandse gezinnen als die van de schatkist kunnen worden versterkt. Tien jaar geleden hield ik in ESB een soortgelijk pleidooi (zie Aflossen is een deugd).

Als deze vogel gaat vliegen, bewijst de Rabobank de politiek een hele grote dienst. Natuurlijk hadden achtereenvolgende regeringen hetzelfde kunnen bereiken door de renteaftrek te beperken tot hypotheekvormen waarop wordt afgelost. Dan was de aflossingvrije hypotheek vanzelf van de aardbodem verdwenen. Maar hiervoor ontbrak de politieke moed. Nu kan de regering erop wijzen dat dit een initiatief vanuit de sector is om risicovolle hypotheekconstructies en misbruik van de renteaftrek tegen te gaan. Dat is veel beter te verkopen richting het electoraat.

Dit gaat de banken geld kosten, omdat de rentemarge niet meer gedurende de gehele looptijd over de volledige hypotheek wordt ontvangen. Kadootjes vanuit het bankwezen moeten in principe worden gewantrouwd. Welke wederdiensten zal de sector vragen? Genoemd zijn al de verruiming van de hypotheekverstrekkingscriteria door de AFM en de afschaffing van de overdrachtsbelasting. De laatste is een goede zaak, de eerste niet.

 

Categorieën:Uncategorized

Brede bachelor geen panacee voor studieuitval

16 juni 2011 4 reacties

 

Het kabinet wil dat universitaire bacheloropleidingen ‘verbreden’. Dat schrijft Trouw op basis van vertrouwelijke stukken. Studenten moeten een brede basis krijgen en zich pas aan het eind van de bachelor en in hun master specialiseren. Zo zijn er minder opleidingen nodig, waardoor de studiekeuze makkelijker wordt en de studieuitval vermindert.

Deze plannen gaan er vanuit dat het Nederlandse studierichtingenstelsel de voornaamste oorzaak is van de uitval van veel studenten. Een bredere inrichting van de bachelor-fase, zoals bijvoorbeeld bij University College Utrecht en de Roosevelt Academy, zou het stelsel “uitval-proof” maken. Maar deze hypothese is nooit goed onderzocht. De  goede rendementen van deze Colleges zijn waarschijnlijk het gevolg van de strenge selectie die zij toepassen, en niet van het brede onderwijsprogramma. Voor de effectiviteit van selectie aan de poort is voldoende evidentie. Opleidingen met een numerus fixus en decentrale selectie, zoals geneeskunde, kennen minder uitval dan studies als bedrijfskunde, rechten en economie, waar twijfelaars zich nog op het laatste moment kunnen inschrijven en niet mogen worden geweigerd. Selectie kan een effectief instrument zijn om de studieuitval bij een aantal niche opleidingen terug te dringen. Maar wanneer de maatschappij van universiteiten verwacht dat zij de huidige aantallen studenten sneller aan een academische graad helpen, kan selectie per definitie geen uitkomst bieden.

Wat dan wel? Betere studievoorlichting wordt vaak geopperd. Maar dit is vooral een politiek correcte maatregel waarbij de student niet hoeft te worden aangesproken op zijn keuze of inspanning, maar waarbij de bal gemakshalve bij de universiteiten wordt neergelegd. Het is gelukkig een onschuldige en relatief goedkope maatregel. Baadt het niet dan schaadt het niet. De kabinetsplannen om door te gaan op het pad van de bachelorverbreding zijn echter allesbehalve onschuldig en raken de eindtermen van veel universitaire opleidingen in het hart. Bij invoering hiervan stuiten we in Nederland op het probleem van de eenjarige masteropleidingen, die uitgaan van een solide disciplinaire voorkennis uit de bachelor-fase. Wanneer afgestudeerden van een brede bachelor eerst nog een jaar moeten schakelen om te worden toegelaten tot de master, dan krijgen we de studievertraging via de achterdeur weer terug. Een brede bachelor kan alleen zonder kwaliteitsverlies worden ingevoerd in combinatie met een twee-jarig mastertraject. En dat zal geld kosten.

In plaats van ons kwalitatief hoogwaardige studierichtingenstelsel op zijn kop te zetten, kunnen we ons beter afvragen waarom veel studenten zo slordig omgaan met hun studiekeuze. Misschien heeft het wel te maken met het feit dat we het de student wel erg gemakkelijk maken om veel te wisselen. Blijkbaar zijn de kosten van een studiewissel voor de individuele student te gering of te ver weg in de toekomst. Dit zou ervoor pleiten om deze kosten te verhogen, zodat ook bij de student het besef ontstaat dat aan het wisselen van studie een prijskaartje hangt. Daarvoor hoeft niet eens het collegegeld te worden verhoogd. De wetgever zou ook grenzen kunnen stellen aan het aantal pogingen tot academische studie dat een student mag wagen. Een “two strikes and you are out”-regel, waarbij studenten na twee negatieve bindend studieadviezen het universitair onderwijs moeten verlaten, zou wel eens heel effectief kunnen zijn om de scholier te prikkelen tot een passende studiekeuze en de focus van studenten op de studie te versterken.

 

Categorieën:Onderwijs

Wellink in het FD

Een opmerkelijke uitspraak van Wellink in het FD van vanochtend:

“Toen de euro kwam, hadden we wel zorgen over het bouwwerk. Ik ben er altijd voorstander van geweest dat de eurolanden eerst economisch naar elkaar toe zouden groeien en dat bij het eind van zo’n convergentieproces er een monetaire unie zou komen. De politieke aanpak was uiteindelijk dat de lidstaten economisch wel zouden convergeren als we eenmaal een monetaire unie hebben. Ik heb dat nooit zo hard geloofd.”

Dit is een oude discussie in de economie. Natuurlijk is het gemakkelijker om een gemeenschappelijke munt in te voeren als de deelnemende landen economisch zijn geconvergeerd. Maar dan was de euro er nooit gekomen. Ik zie niet in hoe landen als Griekenland uit zichzelf de hervormingen zouden doorvoeren die nu onder druk tot stand komen. Wat dat betreft is de euro een soort breekijzer.

Kwalijker is dat Wellink hier wel heel gemakkelijk achteraf over praat. Als hij echt al die tijd van mening was dat monetaire integratie pas kan als de reele economie is geconvergeerd, dan had hij in 1999 moeten zeggen: dit gaat fout; hier begin ik niet aan; ik stap op.

Kritiek Open Europe/PVV op ECB is onterecht

De PVV-fractie in het Europees parlement wil een onderzoek naar de ECB en twijfelt openlijk aan haar integriteit en onafhankelijkheid. De aanleiding hiervoor is een rapport van Open Europe, waarin de blootstelling van de ECB aan schulden van probleemlanden nog eens wordt voorgerekend. De feiten zijn niet nieuw, maar worden door deze denktank van eurosceptische snit (en – niet verrassend – van Britse oorsprong) sterk negatief ingekleurd.

Waar gaat het om? Open Europe berekent dat de ECB voor meer dan 400 miljard euro is blootgesteld aan PIIGS-schulden. Deze blootstelling neemt twee vormen aan: 1) staatsschuld op de ECB balans; 2) staatsschuld als onderpand bij kredietverstrekking aan Europese banken. Gaat de ECB hiermee haar boekje te buiten? Dat is een lastige vraag waarop geen eenvoudig antwoord mogelijk is.

De uitgangspunten bij de start van de EMU waren dat de ECB:
a) de prijsstabiliteit zou bewaken;
b) geen staatsschuld monetair zou financieren;
c) alleen liquiditeit zou verstrekken aan het bankwezen op basis van adequaat onderpand;
maar ook dat:
d) de ECB zou bijdragen aan de financiele stabiliteit in het eurogebied.

Het rechtstreeks opkopen door de ECB van Zuid-Europese en Ierse staatsschuld via het Securities Markets Programme (SMP) druist in tegen uitgangspunt b). En het accepteren van Griekse staatsschuld als onderpand voor liquiditeitsverstrekking aan Griekse banken druist in tegen uitgangspunt c). In beide gevallen kan de ECB echter aanvoeren dat deze acties nodig waren om de stabiliteit van het financiele stelsel te bewaken (uitgangspunt d). Wanneer de uitgangspunten conflicteren is het aan de ECB om een afweging te maken.

Mijns inziens heeft de ECB grosso modo de juiste afwegingen gemaakt. Het SMP is nog het meest discutabel. In mei 2010 achtte de ECB deze interventie noodzakelijk om de financiele markten te stabiliseren, nadat het geklungel van Europese politici rond de Griekse crisis het vertrouwen van de markten op de proef had gesteld. Het SMP is relatief gering in omvang (76 miljard euro) en ligt al geruime tijd stil. Het was fraaier geweest als het SMP er niet was geweest en de strikte scheiding tussen monetair en begrotingsbeleid was gehandhaafd. We zullen echter nooit weten hoe de crisis in mei 2010 was verlopen zonder SMP. De ECB heeft toen het zekere voor het onzekere genomen, zoals het een centrale bank betaamd, en daarmee haar reputatie op het spel gezet. Dat kun je ook moedig noemen.

Dan de staatsschuld die aan de ECB in onderpand is gegeven. Als de ECB strikte kwaliteitscriteria zou hanteren ten aanzien van dit onderpand, dan was het Griekse bankwezen failliet gegaan (evenals banken in andere PIGS landen). Kenmerkend voor het Europese bankwezen is immers dat banken bovenmatig veel beleggen in de staatsschuld van het thuisland. Deze op zichzelf onwenselijke situatie is een erfenis uit het verleden, waar gegeven de marktsituatie op korte termijn weinig aan te doen valt. Griekse banken zullen daarom Griekse staatsobligaties in onderpand geven. Deze weigeren staat gelijk aan het tekenen van een doodsvonnis. Dit heeft de ECB gelukkig tot nu toe niet gedaan.

Feitelijk heeft de ECB de klappen opgevangen van falende Europese politici en toezichthouders, die Europa onvoldoende hebben voorbereid op een crisissituatie. In de goede jaren is er door Europese regeringen te weinig geinvesteerd in begrotingscoordinatie en – discipline en in een goed en geintegreerd Europees bankentoezicht. De ECB mag de rotzooi opruimen. Een ondankbare taak, die zij tot nu toe uitstekend uitvoert.

Struisvogels op Financiën

Op 1 april jl. schreef ik in ESB een artikel over internetspaarbanken. Hierin betoog ik dat het aantrekken van buitenlands internetspaargeld via de Europese bijkantoren van de Nederlandse banken (waaronder ING Direct en Rabo Direct) de schatkist bloot stelt aan risico’s, omdat dit spaargeld onder het Nederlandse depositogarantiestelsel (DGS) valt.

Naar aanleiding hiervan heeft kamerlid Plasterk (PvdA) kamervragen gesteld aan minister De Jager. In het antwoord van de minister worden de volgende punten gemaakt:

  1. De kosten van het Nederlandse depositogarantiestelsel (DGS) worden omgeslagen over het  bankwezen. De door het DGS gedekte spaargelden mogen dus niet als een latente verplichting van de Nederlandse overheid worden aangemerkt.
  2. De kans dat alle grootbanken tegelijkertijd in de problemen komen is miniem.
  3. Het aantrekken van buitenlands spaargeld stelt Nederlandse banken in staat om hun “retail funding gap” te dichten. Dit is het verschil tussen de binnenlandse bancaire kredietverlening en de binnenlandse spaargelden. De minister suggereert hiermee dat het aantrekken van buitenlands spaargeld een goede zaak is.

Op deze antwoorden valt het nodige af te dingen.

Ad 1. De Nederlandse autoriteiten (Ministerie van Financiën en DNB) klampen zich vast aan de de jure situatie, zoals die in de bankwet is geformuleerd. Gezien de sterke concentratie in ons bankwezen is dit echter een papieren werkelijkheid. Een deconfiture van een kleine bank als DSB kan nog wel worden omgeslagen over de rest van de sector. Maar in het hypothetische geval dat ING zou omvallen kan de rest van de sector dit absoluut niet dragen. Het kapitaal is domweg te klein in verhouding tot de gegarandeerde spaargelden. De overheid moet dan wel inspringen.

Ad 2. Dit is een onzinnig punt. Zoals hierboven aangegeven hoeft er maar één grootbank in de problemen te komen om de rest via het DGS in zijn val mee te slepen. Los daarvan zijn in crisistijd risico’s vaak sterk gecorreleerd. Dit is een les van de kredietcrisis die men op Financiën toch zou moeten hebben geleerd.

Ad 3. De Nederlandse “retail funding gap” kan gemakkelijk op andere manieren worden gedicht, bijvoorbeeld door het uitgeven van zogenaamde “covered bonds”. Maar het is voor banken natuurlijk goedkoper om onder een impliciete Nederlandse overheidsgarantie buitenlands spaargeld aan te trekken. Als de “retail funding gap” echt een probleen vormt voor het Nederlandse bankwezen zijn er overigens wel betere oplossingen te verzinnen. Bijvoorbeeld via het fiscaal ontmoedigen van hypotheekproducten waarop niet wordt afgelost. Dit zou als gunstig neveneffect hebben dat de uitstaande hoeveelheid hypothecair krediet afneemt en de funding gap daalt.

Ronduit teleurstellend is dat de minister de Europese context – waarbij de activiteiten van buitenlandse bijkantoren onder de verantwoordelijkheid van het thuisland vallen – als een gegeven aanneemt. De kredietcrisis heeft toch overduidelijk de weeffouten in het Europese systeem van financiële regelgeving en toezicht aangetoond (denk maar aan de Icesave en Fortis debacles). Hieraan moet dus iets worden gedaan. Als nationale politici zich blijven verstoppen achter Europese regels moeten we niet verbaasd zijn als Europa impopulair wordt.

Wat rest in de beantwoording is een onterechte reprimande aan het adres van de Rabobank, die het heeft gewaagd om op te merken dat de keizer geen kleren aan heeft (i.e. dat de Nederlandse staat de ultieme risicodrager is bij een deconfiture van een Nederlandse grootbank).

Categorieën:Banken

Langstudeerders moet je vroeg aanpakken

9 juni 2011 1 reactie

De door het kabinet voorgestelde langstudeerdersregeling is een slecht vormgegeven prikkel tot sneller studeren. Hoewel de details nog onbekend zijn, lijkt de grote lijn duidelijk. Bij overschrijding van de nominale studieduur plus één jaar gaat de student een hoger collegegeld betalen en de instelling een strafkorting. Het simplisme van deze maatregel verraadt echter een gebrek aan inzicht in het fenomeen studievertraging.

Studievertraging is er in alle maten en soorten, van tijdverspillend tot maatschappelijk wenselijk. Een analyse van de verschillende vormen van studievertraging, de oorzaken hiervan en de manieren om deze aan te pakken (indien nodig) ontbreekt echter. Laat ik een korte voorzet geven.

De invoering van het bindend studieadvies (BSA) heeft bij de meeste opleidingen een duidelijke schifting in het eerste studiejaar teweeg gebracht. Aan de Erasmus School of Economics (ESE) maakt het overgrote deel van de studenten met een (voorwaardelijk) positief BSA de bacheloropleiding af. Daarmee bewijst het eerste jaar zijn selectieve waarde. Studenten die dit jaar overleven, kunnen erop vertrouwen dat ze met voldoende inspanning de opleiding zullen voltooien. Veel studenten combineren na het eerste jaar hun bachelorstudie met bijbanen, bestuurswerk, medezeggenschap, stages, buitenlandse reizen of een tweede studie, waardoor zij de bacheloropleiding niet binnen 3 of 4 jaar halen. Maar daarmee is dit nog geen probleemgroep. Integendeel, de arbeidsmarkt waardeert over het algemeen deze extra-curriculaire activiteiten. Bovendien kunnen de meeste opleidingen zelf niet zonder de efficiënte en gewaardeerde arbeidsinzet van studentassistenten. Als zij massaal het bijltje erbij neer zouden leggen om zo het hogere collegegeld te ontlopen, wordt kleinschalig hoger onderwijs onbetaalbaar.

De echte probleemgroep bestaat uit studenten die niet of veel te laat op gang komen en de eerste jaren doelloos van opleiding naar opleiding zwerven. Een voorbeeld. Een jaar geleden heette de ESE student A, na een afwezigheid van drie jaar, opnieuw welkom binnen de poorten van de faculteit. Student A schreef zich in 2005 eerder in voor de studie economie, maar kreeg in september 2006 een negatief BSA. Sinds september 2006 heeft hij geproefd aan de studies bedrijfskunde, bestuurskunde en fiscaal recht, alvorens terug te keren naar de economische wetenschap, waar blijkbaar toch zijn hart ligt. Helaas heeft student A sindsdien nog geen studiepunt gehaald. Ik voorspel dat de langstudeerdersregeling voor dit type student geen soelaas biedt. Immers, het kenmerk van deze studenten is nu juist dat ze slecht vooruit kijken en de nadelige lange-termijn consequenties van hun keuzes onvoldoende meewegen. Een financiële sanctie die pas na 4 jaar wordt opgelegd, zal geen indruk maken. Wie dan leeft, die dan zorgt. Voor deze groep heb je een vroege interventie nodig. De harde aanpak van de langstudeerdersregeling contrasteert helaas met het softe beleid bij aanvang van de studie. De wetgever staat student A toe om vrijblijvend studies uit te proberen. Wanprestaties in het eerste jaar worden met de mantel der liefde bedekt.

De politiek correcte premisse onder het BSA is dat iedereen met een vwo-diploma over voldoende intellect, motivatie, doorzettingsvermogen en discipline beschikt om een academische opleiding met goed gevolg te voltooien. Het falen van de student wordt zo gereduceerd tot een verkeerde studiekeuze. Dit zou impliceren dat studenten die na een negatief BSA overstappen, het bij de nieuwe studie beter doen dan studenten die vanuit het vwo instromen. Uit onderzoek blijkt echter dat dit niet het geval is; de tweede studiekeuze pakt in veel gevallen niet veel beter uit dan de eerste. Sommige studenten stoten zich inderdaad twee of meer keren aan dezelfde steen.1

Het verdient de voorkeur om het beleid om te draaien. Hard bij aanvang, maar soepeler na gebleken inzet of talent. Laat de student vroegtijdig kleur bekennen en bewijzen dat hij echt voor een academische opleiding wil gaan. Een eenvoudige maatregel om dit te bereiken, is om studenten na twee negatieve BSA’s verdere inschrijving in het wetenschappelijke onderwijs te weigeren (“two strikes and you’re out”). Deze generieke maatregel versterkt zowel de reflectie op de studiekeuze als de prikkel tot studeren. Overleven studenten het eerste jaar, dan is er weinig bezwaar tegen enige studievertraging voor studenten die zich gaandeweg ook op een andere manier willen ontplooien.

De botte bijl van de langstudeerdersregeling doet vermoeden dat het de minister niet te doen is om de werkelijke problemen in het wetenschappelijk onderwijs aan te pakken, maar dat het om een ordinaire bezuinigingsmaatregel gaat. En die brengt natuurlijk meer geld in het laatje naarmate de effectiviteit geringer is.

1 Zie I.J.M. Arnold en W. van den Brink, Naar een effectiever bindend studieadvies, Tijdschrift voor Hoger Onderwijs en Management, 2010-5, p. 10-13.

Categorieën:Onderwijs

Betaal Griekse werknemers in hun eigen schuld

9 juni 2011 1 reactie

Economische prognoses laten zien dat de Griekse staatsschuldquote op een onhoudbaar pad is aanbeland. Toch aarzelen politici om door de zure appel van schuldherstructurering heen te bijten. Los van de risico’s voor de Europese financiële sector, zendt een herstructurering het verkeerde signaal aan de Grieken, namelijk dat de verlossing kan komen door kwijtschelding, in plaats van door economische hervormingen.

Doorgaan met begrotingspijn lijden kent echter ook zijn grenzen. Als de Grieken geen licht aan het einde van de tunnel zien, kan er hervormingsmoeheid optreden. Hieronder wordt daarom een alternatief voorgesteld, dat neerkomt op schuldherstructurering, maar de prikkels tot hervorming versterkt in plaats van verzwakt. Het idee is om Griekse werknemers gedeeltelijk uit te betalen in Griekse staatsschuld.

Renteverlaging is één van de manieren om de staatsschuldquote te reduceren. In een vrije kapitaalmarkt is deze optie niet beschikbaar, maar wanneer de overheid huishoudens dwingt om staatsschuld aan te houden kan het wel. Dit komt neer op financiële repressie. Financiële repressie neemt meestal de volgende vorm aan. De besparingen van huishoudens worden min of meer gedwongen aangehouden bij lokale banken, omdat er weinig andere beleggingsalternatieven worden aangeboden. De banken worden op hun beurt verplicht om staatsschuld aan te houden. Op deze manier financiert de burger indirect de overheid. De reden dat Japan, met een staatsschuldquote rond de 200%, geen schuldencrisis heeft is dat de meeste Japanse schuld wordt aangehouden door Japanse huishoudens via het Japanse bankwezen.

Een variatie op dit thema kan een oplossing zijn voor Griekenland. Mijn voorstel is om een stap eerder met financiële repressie te beginnen, door de Griekse lonen gedeeltelijk in overheidsobligaties uit te betalen. Op deze manier wordt de Griekse bevolking gedwongen om zelf een deel van de Griekse staatsschuld te absorberen. Het geld dat de Griekse schatkist bespaart op de loonbetalingen kan vervolgens worden gebruikt om de buitenlandse schulden af te lossen. Op deze wijze wordt hoogrentende buitenlandse schuld geleidelijk vervangen door laagrentende binnenlandse schuld. De rente die op de bij de werknemers geplaatste obligaties wordt betaald bevat immers geen risicopremie en kan eenzijdig door de overheid worden vastgesteld.

Dit voorstel grijpt aan op de drie belangrijkste aspecten van de Griekse crisis:
1) de extreme afhankelijkheid van externe financiering;
2) het feit dat Griekenland jarenlang boven zijn stand heeft geleefd, de consumptieve bestedingen zal moeten verminderen en de externe balans in evenwicht zal moeten brengen;
3) het gebrek aan probleemeigenaarschap bij de Griekse bevolking.

Het laatste punt is misschien wel het belangrijkste. Met het terugplaatsen van Griekse schuld in handen van het Griekse publiek wordt het probleemeigenaarschap gelegd waar het hoort: bij de Griekse bevolking, niet alleen bij hun regering of bij hun mede-Europeanen. Het geeft de Grieken een aandeel in hun publieke sector, een persoonlijk financieel belang bij het succes van de hervormingen en hopelijk daarmee de stamina om de hervormingen vol te houden. Kortom, het geeft ze “skin in the game”, aangezien de waarde van hun obligaties zal stijgen met het succes van de hervormingen.

Naar verwachting zullen Griekse vakbonden hevig protesteren tegen een gedeeltelijke betaling van de loonsom in staatsobligaties. Maar extreme omstandigheden noodzaken extreme maatregelen. In oorlogstijd vinden samenlevingen het heel normaal dat burgers een aanzienlijk deel van hun inkomen teruginvesteren in de nationale inspanning via zogenaamde “war bonds”. Ik geef toe dat dit in het verleden meestal op vrijwillige basis gebeurde en voor het succes afhing van vaderlandsliefde, propaganda en sociale druk. Mijn verwachting is dat deze factoren in Griekenland in onvoldoende mate aanwezig zijn en dat een verplichte deelname nodig is.

Kan dit voorstel de staatsschuldquote ombuigen naar een beheersbaar pad? In potentie, ja. Het arbeidsinkomen maakt een substantieel deel uit van het BBP; het gaat dus om grote bedragen. De precieze jaarlijkse besparingen hangen af van het percentage van het loon dat wordt betaald in obligaties en van het aantal werknemers dat meedoet. Voor de Griekse onderlinge solidariteit zou het goed zijn wanneer werknemers in zowel de publieke als de private sector meedoen en zo de last verdelen. Dan nog zal het enige tijd duren voordat buitenlandse door binnenlandse financiering is vervangen. Op dit punt kan de EU een constructieve rol spelen.

Met het steunpakket van mei 2010 heeft de EU tijd gekocht. Dat zal ook in het bovenstaande plan nodig blijven. Maar in dit voorstel wordt de Europese steun politiek beter verkoopbaar. Wanneer Grieken hun eigen staatsschuld aanhouden en daarmee het eigenaarschap van en de verantwoordelijkheid voor de problemen in hun publieke sector aanvaarden, kan het Noord-Europese electoraat gemakkelijker worden overtuigd van de wijsheid om de Grieken krediet te verlenen op gunstige voorwaarden (met een lage rente en een lange looptijd). De combinatie van Griekse financiële repressie en Europese solidariteit kan zo een de facto schuldherstructurering bewerkstelligen, zonder de nadelige consequenties van een echte.

Eerder verschenen op EconomieOpinie, 16 maart 2011