Beperk de uitstoot van decibellen

Opiniebijdrage in het ND van 7 mei

In Nederland wint het economisch belang het vaak van de kwaliteit van de leefomgeving. De Groningse gaswinning is te lang doorgegaan, de kolencentrales zijn nog steeds niet gesloten, Schiphol blijft maar groeien en het kabinet vraagt zich af of een CO2-heffing het bedrijfsleven niet al te veel schaadt.

In deze tijd van het jaar, wanneer de festivalorganisatoren zijn ontwaakt uit hun winterslaap, komt daar nog extra milieuleed bij. Koningsdagfestivals, bevrijdingsfestivals, zomerfestivals; elke gelegenheid wordt aangegrepen om geld te verdienen aan de productie van hard geluid in de openbare ruimte. Muziek zou ik het niet noemen, maar over smaak valt niet te twisten. Betwistbaar is wel of er bij het organiseren van deze evenementen voldoende rekening wordt gehouden met het publieke belang.

Normaliter komen alle opbrengsten en kosten van de productie voor rekening van de ondernemer. Bij een openlucht festival treden echter externe effecten op. Dit zijn kosten die niet worden betaald door de producent, maar worden afgewenteld op de omgeving. Omwonenden van festivals worden gedwongen om de dreunende bassen te ondergaan of hun huis te ontvluchten. Bezoekers kunnen zelfs gehoorschade oplopen. Deze maatschappelijke kosten van de geluidsoverlast zijn niet in de ticketprijs verwerkt, waardoor de kaartjes te goedkoop zijn en de animo voor deze evenementen te hoog is.

De aanwezigheid van externe effecten is de reden dat de organisator een vergunning moet aanvragen bij de gemeente. De gedachte hierachter is dat de gemeente de belangen van de omwonenden meeweegt in de beslissing om een vergunning te verlenen. De praktijk is meestal anders. De festivalorganisator heeft een groot zakelijk belang en stelt alles in het werk om een vergunning te bemachtigen. Hij zal wijzen op het economisch belang van het festival, de aantrekkingskracht op jonge mensen en het positieve effect op de uitstraling van een stad. Voor omwonenden is het individuele belang veel kleiner. Ze vinden het vervelend als de overlast zich voordoet, maar zullen niet zo gauw in actie komen. Na een dag is het weer voorbij; bezwaar maken kost tijd en energie. Ook ontbreekt een organisatie of politieke partij die het opneemt voor hun belangen. De festivalorganisator trekt dan al gauw aan het langste eind.

Bovendien werken de gemeentelijke procedures in het voordeel van de organisator. Een vergunning moet lang voordat het evenement plaats vindt worden aangevraagd. Dan kan er ook bezwaar worden gemaakt. Maar omwonenden zijn daar op dat moment niet mee bezig of niet van op de hoogte. Klagen op de festivaldag zelf heeft geen enkele zin. De milieudienst zal antwoorden dat de overlast binnen de grenzen van de vergunning valt. Dat is handhaving waar de burger niets aan heeft.

Moeten stadsbewoners de festivalterreur dan maar voor lief nemen of in een hutje op de hei gaan wonen? Dat lijkt mij niet wenselijk. Ook stadsbewoners hebben recht op een goede leefomgeving. Het Amsterdamse stadsbestuur laat dat zien met de ambitie om de stad in 2025 uitstootvrij te maken. Het zou fijn zijn als het ook de uitstoot van decibellen in de plannen opneemt. Bovendien zijn de meeste inwoners gebonden aan hun stad; zij kunnen zich geen hutje op de hei veroorloven. Willen we echt dat stilte een luxe-product wordt voor de rijke elite die het geld heeft om de geluidsoverlast te ontvluchten?

Nederland heeft zich helaas ontwikkeld tot een samenleving waarin geluidsoverlast de norm is en stilte de uitzondering. Als je in Nederland stilte wilt, moet dat worden georganiseerd. Denk aan de stiltegebieden in de natuur en de stiltecoupes in de trein. Slechts één keer per jaar, met dodenherdenking, is in Nederland de stilte de norm. Maar liefst twee minuten lang.

De echte aberratie is niet dat burgers behoefte hebben aan rust, maar dat festivals de geluidsvolumes zo hoog opschroeven dat bezoekers oordoppen meenemen om zich te beschermen. Het wordt tijd dat politici dit inzien en maatregelen treffen. Het ligt voor de hand om de geluidsnormen aan te scherpen, niet alleen om omwonenden te ontzien maar ook om een epidemie aan gehoorschade te voorkomen. Ook zou het goed zijn om festivals met harde muziek te verbannen naar afgelegen locaties. Dus liever geen festivals meer in het Kralingse bos, dat volgens de Rotterdamse gemeenteraad van 1911 bedoeld is “om aan de bevolking van Rotterdam een plaats te schenken, waar ze zich, na moeizamen arbeid, zal kunnen ontspannen in de vrije natuur.” De Maasvlakte is een prima alternatief.

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

Bankenconsolidatie is te belangrijk om aan de markt over te laten

21 februari 2019 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 21 februari

Bij de presentatie van de jaarcijfers kon ING de kater van het witwasschandaal wegspoelen met mooie groeicijfers. Maar liefst één miljoen klanten had ING er in 2018 bij gekregen. Daaruit blijkt maar weer dat de financiële sector nog steeds wordt gedreven door een drang naar groei. Bij onze oosterburen wordt intussen volop gespeculeerd over het samengaan van Deutsche Bank en Commerzbank, waarmee in Duitsland een nationale bankenkampioen zou ontstaan. Een grote bank is echter niet noodzakelijkwijze een betere bank. Megabanken oefenen veel marktmacht uit en vormen een risico voor het financiële systeem. Het publieke belang is vooral gediend met veilige banken die de klant goed bedienen.

De afgelopen jaren is er in Europa veel energie gestoken in het optuigen van een bankenunie, met als resultaat dat de regelgeving en het bankentoezicht nu een Europese aangelegenheid zijn. De politiek heeft echter geen idee hoe de bankensector er binnen die bankenunie uit zou moeten zien. Ze lijkt er ook niet echt in geïnteresseerd. Ten onrechte, want ontwikkelingen binnen het bankwezen zijn te belangrijk om aan de banken zelf over te laten. Voor je het weet ontwikkelt de markt zich in een onwenselijke richting.

Wat dat betreft is Nederland ervaringsdeskundige. Tot 1990 waren Nederlandse financiële instellingen onderworpen aan het zogenaamde structuurbeleid, dat tot doel had om economische machtsconcentraties rondom banken tegen te gaan. Fusies van grote banken werden in beginsel niet toegestaan, vanwege de daaruit voortvloeiende verschraling van het bancaire aanbod. Het structuurbeleid hield de diversiteit van de sector in stand en zette het een rem op de groeidrang van bankiers. Het werd afgeschaft omdat de regering destijds van mening was dat grotere Nederlandse banken zich beter zouden kunnen redden op de interne Europese markt. Na de afschaffing volgde een periode van binnenlandse samenklontering die het systeemrisico van Nederlandse banken sterk heeft vergroot. In plaats van Europese concurrentie kreeg de consument een verschraald bankenaanbod. Bijna 30 jaar na de afschaffing van het structuurbeleid klaagt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in haar recente rapport “Geld en schuld” over het gebrek aan diversiteit in het bankenlandschap en de dominantie van de drie systeembanken. Dit is ons niet overkomen, maar een uitvloeisel van een bewuste politieke keuze om de banken vrij spel te geven.

Wat er gebeurt als we de Europese banken vrij spel geven in de bankenunie laat zich raden. Voor hen is de meest profijtelijke strategie om eerst samen te klonteren op de nationale thuismarkt, waar ze gemakkelijk kostenbesparingen kunnen realiseren en hun marktmacht ten koste van de consument kunnen vergroten. Dat proces heeft Nederland helaas al doorlopen, maar is in landen als Duitsland en Italië nog in het beginstadium. Ik verwacht dat nationale systeembanken vervolgens zullen willen fuseren om Europese megabanken te vormen, want bankiers meten hun prestige en beloning primair af aan de omvang van de bankbalans. Ook kunnen ze zo het enige echte schaalvoordeel, dat ze in de Europese markt te groot zijn om failliet te laten gaan en dus op de impliciete steun van de overheid kunnen rekenen, realiseren. Het bovenstaande scenario is in het belang van de bankiers, maar daarmee nog niet in het publiek belang.

Europa kan leren van de blunder die Nederland met de afschaffing van het structuurbeleid heeft begaan. Een Europese instantie moet de regie nemen over de marktordening binnen de bankensector en daarbij de publieke belangen bewaken. Er is dus een Europees structuurbeleid nodig. Dit betekent niet dat er niets moet veranderen. Een aantal Europese landen zijn “overbanked”, met teveel kleine en inefficiënte banken. Het zou geen kwaad kunnen als de efficiëntere middelgrote Europese banken over de grens actief worden en hun zwakkere buitenlandse broeders overnemen. Maar de randvoorwaarden hierbij moeten zijn dat de concurrentie er niet onder lijdt en dat het systeemrisico binnen de perken blijft. Op die manier kan worden gewerkt aan echte integratie van de Europese bankenmarkt, waarbij de klant baat heeft bij betere dienstverlening en de belastingbetaler niet het risico draagt van omvallende megabanken.

Categorieën:Banken

Minder risicodeling voor een stabielere eurozone

4 december 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 4 december

Moeten de eurolanden meer risico’s met elkaar delen? Veel economen vinden van wel. Een euroland dat te maken krijgt met een negatieve economische schok kan niet, zoals vroeger, de klap opvangen met een waardedaling van de eigen munt. De gemeenschappelijke munt maakt dat onmogelijk. In theorie kan meer onderlinge risicodeling tussen de eurolanden dan uitkomst bieden, bijvoorbeeld via een gemeenschappelijke begroting. Landen waar het goed gaat dragen geld af aan een pot met stabilisatiegeld, waaruit landen waar het slecht gaat financiële steun ontvangen. Deze redenering ligt ten grondslag aan de hervormingen die nu in Brussel op tafel liggen. Europese regeringsleiders beslissen deze maand over voorstellen voor een eigen begroting voor de eurozone, een Europees garantiestelsel voor banktegoeden en een hervorming van het noodfonds ESM. Op de achtergrond sluimert een Italiaanse crisis, veroorzaakt door een populistische regering die ageert tegen Europa en lak heeft aan de Europese begrotingsafspraken. Het vooruitzicht om meer risico’s te delen met onwillige partners is niet aanlokkelijk. Het is een goede reden om nog eens stil te staan bij de vraag welke risico’s we wel en niet willen delen in Europa.

Op het eerste gezicht lijkt het stabiliseren van economische schokken een goede zaak. Wie kan daar nu tegen zijn? Maar dit economisch jargon verhult meer dan het verduidelijkt. Schokken zijn er namelijk in alle soorten en maten. Sommige schokken rechtvaardigen Europese solidariteit, andere niet. Een echte schok komt onverwacht en van buitenaf, wat wil zeggen dat politici er geen invloed op hebben. De migratiecrisis is daarvan een goed voorbeeld. Griekenland en Italië worden als grenslanden onevenredig getroffen door de migratiestroom vanuit Afrika en het Midden-Oosten. Dat Europa hiervoor uit solidariteit de portemonnee trekt is goed uit te leggen aan de belastingbetaler. Hetzelfde geldt voor kernrampen, overstromingen en aardbevingen. Een politieke aardverschuiving is echter een andere zaak. Wanneer de Italiaanse kiezer een regering in het zadel helpt die de kwetsbare overheidsfinanciën verder uit het lood laat slaan en verzaakt om structurele hervormingen door te voeren, is risicodeling geen optie. Dat is niet alleen onverteerbaar voor kiezers in Noord-Europa, maar ook economisch een onverstandig idee. Als je de consequenties van slecht beleid deelt verzwak je de prikkel om het beleid te verbeteren. Wanneer Europa de rekening toch wel oppakt verslapt bij nationale regeringen de wil om pijnlijke maar noodzakelijke maatregelen te nemen.

Het oorspronkelijke hervormingsplan van de Franse president Macron omvatte een eurozonebegroting van honderden miljarden euro’s. Onder Noord-Europese invloed wordt dat bedrag substantieel teruggebracht. In de woorden van Minister van Financiën Hoekstra: van een olifant in een muis. Vanwege de geringe omvang zal de impact op de Europese economie verwaarloosbaar klein zijn. Maar het blijft een slecht plan. Als we toestaan dat er een embryonale stabilisatiepot komt, zal na verloop van tijd de roep vanuit Zuid-Europa klinken om de omvang te vergroten. Met als argument dat de pretenties van de stabilisatiepot moeten worden waargemaakt. Het is dan ook een veilige voorspelling dat de omvang van Macron’seurobegroting maar één kant op zal gaan. En dat is omhoog. Een eurozonebegroting lost echter de structurele economische problemen in landen als Italië en Griekenland niet op. Integendeel, het leidt af van de oplossing. Een stabilisatiepot geeft immers het verkeerde signaal af dat de voorspoed uit Brussel komt, in plaats van door verbeteringen van de concurrentiekracht en de kwaliteit van het openbaar bestuur op nationaal niveau.

Door hun fixatie op meer risicodeling zijn de hervormers van de eurozone blind voor de olifant in de kamer. Dat is de opeenhoping van staatsschuld op de balansen van Europese banken, waardoor Italiaanse begrotingsperikelen een directe bedreiging vormen voor de stabiliteit van het financiële stelsel. Dit jaar hebben we gezien dat twijfels over de kredietwaardigheid van de Italiaanse overheid overslaan op de aandelenkoersen van Europese banken en tot onrust in de financiële markten leiden. Als het begrotingsconflict uit de hand loopt zal de eurocrisis weer oplaaien. Zo wordt heel Europa deelgenoot van een Italiaans probleem. De beste manier om de eurozone te stabiliseren is dan ook om de blootstelling van banken aan risicovolle staatsschuld drastisch te verminderen. De hervormers hebben het dus mis. Een stabielere eurozone vereist niet meer, maar minder risicodeling.

Categorieën:Uncategorized

Versoepeling bsa bevordert uitstelgedrag

7 september 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 7 september

Universiteiten zijn jarenlang door de politiek onder druk gezet om studenten sneller te laten studeren. Die tijd lijkt nu voorbij. Minister van Onderwijs Van Engelshoven vindt dat de onderwijsinstellingen studenten niet te veel moeten vermoeien. Concreet stelt zij voor de norm voor het bindend studieadvies (bsa) te maximeren op 40 studiepunten. Dit betekent dat eerstejaars studenten hun studie mogen vervolgen wanneer zij 40 van de 60 studiepunten halen.

Van Engelshoven meent dat wie tweederde van de studiepunten haalt, nooit op de verkeerde plek kan zitten. Dat klinkt redelijk, maar is het niet. Op het Gymnasium zal een scholier die tweederde van de vereiste studiepunten haalt het advies krijgen om over te stappen naar het Atheneum of de Havo. Doorgaan naar het volgende jaar is niet aan de orde. Maar wat normaal is in het vwo, dat studenten doorstromen na afronding van het voorgaande jaar, roept vreemd genoeg weerstand op in het hoger onderwijs. De prestatienorm waarmee de scholier is opgegroeid wordt overboord gegooid.

De minister beweert dat een hoge studiepunteneis stress veroorzaakt, maar een relatie tussen studiestress en de hoogte van de bsa-norm is nooit aangetoond. Een zekere mate van stress hoort bij een academische studie. Tentamens zijn stressmomenten. Veel studenten ervaren ook stress bij het schrijven van een scriptie. Maar dat is geen reden om die dan maar af te schaffen. Tijdens de studie leren studenten omgaan met deadlines en het presteren onder druk, iets waar studenten tijdens de beroepsloopbaan veelvuldig mee te maken zullen krijgen. Door studenten het tijdens de studie gemakkelijk te maken zal de overgang naar het bedrijfsleven des te moeizamer zijn. Daarnaast vergeet de minister dat studenten ook psychische problemen kunnen ondervinden wanneer ze te lang doormodderen in een opleiding waarvoor ze niet geschikt of gemotiveerd zijn. Hoe voelt het als familie en vrienden voor de zoveelste keer naar je gebrekkige studievoortgang informeren? Wat doet dat met je eigenwaarde? Als de studie niet wil vlotten, heeft de student baat bij een snelle overstap naar een andere opleiding. Een hoge bsa-norm helpt daarbij.

De minister refereert ook aan de aanpassingsproblemen van studenten bij de overgang van het vwo naar de universiteit. Opleidingen lossen deze problemen op met flankerend beleid, door bijvoorbeeld herkansingen toe te staan, een compensatieregeling te gebruiken of persoonlijke omstandigheden mee te wegen in de voortgangsbeslissing. Eerder dit jaar oordeelde de onderwijsrechter dat de hoge bsa-norm van 60 studiepunten die de Erasmus Universiteit hanteert niet onredelijk is, mede gelet op de maatregelen die de student in staat stellen de norm in één jaar te halen.

Vele goede en gemotiveerde studenten slagen er gelukkig in om het eerste bachelorjaar in één keer te halen. Voor hen is deze discussie irrelevant. Maar er zijn ook studenten die calculerend met de bsa-norm omgaan. Sommigen beginnen voortvarend aan de studie maar verslappen zodra de minimumeis in zicht is. Anderen beginnen te laat en weten met een eindspurt nog net aan de norm te voldoen. Een norm die bedoeld is als minimumeis, wordt in de praktijk een streefwaarde. Een lage bsa-norm faciliteert zo het uitstelgedrag van de student. Dat is uiteindelijk niet in zijn of haar belang. Het is niet leuk om als ouderejaars student nog eerstejaars vakken te moeten inhalen, terwijl je jaargenoten op internationale uitwisseling gaan of aan een stage beginnen. Een vliegende start van de studie is beter voor de motivatie.

De universiteiten worden niet de dupe van deze maatregel. Integendeel, als studenten hierdoor studievertraging oplopen incasseren ze meer collegegeld. Maar de student betaalt de rekening en wordt onder het sociaal leenstelsel met een hogere studieschuld opgescheept. De steun van de studentenvakbond aan de minister is dan ook moeilijk te begrijpen.

Het meest kwalijk is de boodschap die de maatregel uitstraalt. Een bsa-norm van maximaal 40 studiepunten geeft aan studenten het signaal af dat het OK is om eenderde van het eerste jaar te missen. Onderpresteren wordt immers wettelijk gesanctioneerd. Dat een bevoorrechte groep in de samenleving zo weinig wordt uitgedaagd is niet uit te leggen aan burgers die die kans niet krijgen.

Categorieën:Uncategorized

Laat de brugramp een wake-up call zijn

5 september 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 5 september

De ramp met de Morandibrug in Genua is illustratief voor het falen van de Italiaanse staat. Toch is een krakende infrastructuur geenszins een exclusief Zuid-Europees verschijnsel. Wegrottende bruggen vind je ook in Duitsland. Het verschil is dat de Duitsers ze sluiten voordat ze instorten.

Al snel na de ramp wees Matteo Salvini, de Italiaanse vice-premier en Lega-leider, met de beschuldigende vinger naar Brussel. De verwaarlozing van de infrastructuur zou te wijten zijn aan de Europese begrotingsregels. Maar dat is een wel erg gemakkelijke poging om de verantwoordelijkheid af te schuiven. Nationale regeringen maken binnen de Europese spelregels hun eigen keuzes en zijn daar ook zelf verantwoordelijk voor. De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren Italië regelmatig van zinnige adviezen voorzien, o.a. om de belastingontduiking aan te pakken en de efficiëntie van het overheidsapparaat te verbeteren. Een advies om te beknibbelen op bruggenonderhoud zat daar niet bij. De realiteit is helaas dat het voor politici gemakkelijker is om investeringen uit te stellen en onderhoudsbudgetten te snoeien dan om de overheidsfinanciën structureel te verbeteren. Als de Italiaanse regering de verantwoordelijkheid om de juiste keuzes te maken niet aankan, zou dat overigens pleiten voor meer bemoeienis vanuit Brussel. Ik vermoed dat de euro-sceptische Salvini daar niet op zit te wachten. Maar de beste manier om Brussel buiten de deur te houden is natuurlijk om zelf orde op zaken te stellen.

Het Italiaanse onvermogen neemt niet weg dat we in het eurogebied kampen met een investeringsprobleem. Ook andere probleemlanden hebben tijdens de crisis flink bezuinigd op de publieke investeringen. Volgens een recent rapport van de Europese Investeringsbank liggen de Europese investeringen in infrastructuur nog steeds 20% onder het niveau van voor de crisis. De bank constateert tevens dat dit het lange-termijn groeipotentieel van de Europese economie ondermijnt; de concurrentiekracht van een economie hangt immers ook af van de kwaliteit van de infrastructuur. Tegelijkertijd heeft Duitsland nagelaten om serieus te investeren in infrastructuur en onderwijs. Duitse politici verkeren helaas in de onjuiste veronderstelling dat een overheidsbegroting net als een huishoudboekje altijd in evenwicht moet zijn. Verblind door het exportsucces en starend naar de begrotingsdiscipline hadden de Duitsers geen oog voor de mankementen in de eigen economie. Ook Europa heeft te weinig gedaan. Het in 2014 met veel tamtam aangekondigde investeringsplan van commissievoorzitter Juncker was te gering van omvang om een groot effect te hebben op de infrastructuur, de groei en de werkgelegenheid.

Het macro-economische spiegelbeeld van dit investeringstekort is een handelsoverschot – er wordt meer geëxporteerd dan geïmporteerd: Duitse werknemers bouwen auto’s voor de export in plaats van binnenlandse wegen en scholen. Duitsland heeft nu het grootste handelsoverschot ter wereld en is daarmee in het vizier van de schietgrage Amerikaanse president Donald Trump gekomen, die vindt dat het Duitse exportsucces ten koste gaat van Amerikaanse bedrijven. In de Zuid-Europese landen hebben de bezuinigingen de ervoor gezorgd dat er minder wordt uitgegeven , waardoor deze landen minder zijn gaan importeren en hun producenten zich meer op de export zijn gaan richten. Voor het eurogebied als geheel resulteert dit in het grootste handelsoverschot sinds de introductie van de euro. Te groot volgens het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Met enige regelmaat roept het IMF Duitsland en Nederland op om iets doen aan hun buitensporige overschotten, bijvoorbeeld door meer te investeren en hogere lonen te betalen. Zo’n stimulans zou het ook voor de andere eurolanden gemakkelijker maken om mee te groeien, door bijvoorbeeld meer naar Duitsland en Nederland te exporteren. Naar het IMF wordt echter niet geluisterd. Wellicht zijn de Duitsers gevoeliger voor de Trump’s dreiging met handelssancties.

Sinds de start van de crisis zijn de Europese investeringen in infrastructuur het slachtoffer van de Duitse nadruk op begrotingsdiscipline en de Zuid-Europese neiging om bij bezuinigingen de weg van de minste weerstand te kiezen. Het wrange is dat juist tijdens de crisis de omstandigheden om stevig in infrastructuur te investeren ideaal waren. Het ruime monetaire beleid van de ECB zorgde voor extreem lage financieringslasten. Door de crisis was er ook voldoende overcapaciteit om investeringsprojecten snel op te pakken. Maar het is nog niet te laat. De rente blijft voorlopig laag en zeker in een land als Italië is er nog overcapaciteit. Laten we daarom hopen dat de ramp in Genua een wake-up call is. Investeringen zijn natuurlijk altijd risicovol, maar de ingestorte Morandibrug symboliseert dat er ook risico’s kleven aan nietsdoen.

Italië heeft een echte crisis nodig

Opiniebijdrage in het ND van 5 juni

Voor het geval we het vergeten waren, liet Italië vorige week nog maar eens zien hoe kwetsbaar de Europese muntunie is. Door het politieke gekrakeel in Rome steeg de onrust op de financiële markten en duikelden de aandelenkoersen. Meer dan 10 jaar na de start van de kredietcrisis is het Europese financiële systeem nog steeds niet bestand tegen politieke strubbelingen in één enkele lidstaat. Zolang staatsschuld zich onbeperkt mag ophopen op de bankbalansen vertaalt politieke onzekerheid zich in risico’s voor het financiële stelsel. Ideeën om de lotsverbondenheid tussen banken en overheden te verbreken zijn er genoeg. Zo kun je banken verplichten meer buffers aan te houden voor risicovolle staatsschuld of hun blootstelling hieraan terug te brengen. Het is pure nalatigheid dat de Europese politiek hier niets mee doet.

Terug naar Italië. Alle aandacht gaat nu uit naar de bestedingsplannen van de nieuwe regering. Noord-Europa is bezorgd dat de populisten de Europese begrotingsregels aan hun laars lappen. Die zorg is begrijpelijk. Italië heeft zichzelf en Europa een slechte dienst bewezen door in 1999 met een torenhoge staatsschuld de euro in te voeren. Deze ongunstige uitgangspositie stelt hoge eisen aan het begrotingsbeleid, om te voorkomen dat Italië terecht komt in een negatieve spiraal van stijgende rente, oplopende staatsschuld en dalend vertrouwen van de financiële markten in de kredietwaardigheid van de staat. Voorgaande Italiaanse regeringen waren zich hier terdege van bewust. Ze zijn er wonderwel in geslaagd om de begrotingstekorten binnen de perken te houden. Noord-Europese retoriek over Italiaanse begrotingszondaars doet dan ook geen recht aan het feit dat sinds de kredietcrisis de Italiaanse begrotingstekorten lager waren dan die van Spanje, Frankrijk en zelfs België. Een staatsschuld van meer dan 130% van het BBP laat weinig ruimte voor een fors stimuleringsbeleid. Hopelijk dringt dit besef snel tot de populisten door.

Het echte probleem is dat Italië kampt met een chronisch lage economische groei. Dit maakt het moeilijk om uit de schulden te groeien en de problemen bij de banken aan te pakken. Het voedt de onvrede van Italiaanse kiezer en drijft ze in de handen van de populisten, die makkelijk scoren door Brussel, Duitsland, de euro of migranten tot zondebok te maken van het falen van de Italiaanse staat. Maar de Italianen doen er beter aan de hand in eigen boezem te steken. De kwaliteit van hun openbaar bestuur was altijd al laag, maar is sinds de introductie van de euro verder verslechterd. Op maatstaven voor corruptie, de kwaliteit van de rechtstaat en de effectiviteit van de overheid scoort Italië veel lager dan andere eurolanden en bevindt het zich in het bedenkelijke gezelschap van Griekenland. De lage kwaliteit van het openbaar bestuur ondermijnt de concurrentiekracht van de economie en is slecht voor het investeringsklimaat. De prioriteit van de nieuwe regering moet dan ook liggen bij de verbetering van de efficiëntie en effectiviteit van de publieke sector, om te voorkomen dat Italiaanse ondernemingen permanent op achterstand staan in de concurrentieslag met bedrijven in andere eurolanden.

Van de vijfsterren-beweging zou je verwachten dat ze oog heeft voor het falen van de Italiaanse staat en echt een einde wil maken aan bureaucratie en corruptie. Maar eenmaal aan de macht zal blijken hoe weerbarstig deze problematiek is. Dan wordt het al gauw gemakkelijker om de uitkeringen en de pensioenleeftijd te verhogen en Brussel de schuld te geven van alle ellende. De kans op een drastische hervorming van de publieke sector is dan ook niet zo groot.

Daarbij speelt ook een rol dat Italië nog geen urgente crisissituatie heeft meegemaakt die tot onmiddellijke hervormingen dwingt. In tegenstelling tot de uiteengespatte zeepbellen in de Ierse en Spaanse huizenmarkten en de uit-het-lood geslagen overheidsfinanciën in Griekenland, zijn de afkalving van het openbaar bestuur en de uitholling van het concurrentievermogen geleidelijk gegaan. In deze crisis-in-slow-motion hebben Italiaanse politici nooit de urgentie gevoeld om hard in te grijpen, als kikkers die vergeten uit een opwarmende pan water te springen. Misschien is er een echte crisis nodig om ze in beweging te krijgen. Wanneer de populisten kiezen voor een ramkoers met Europa is een nieuwe financiële crisis niet denkbeeldig. Dan zal blijken dat vorige week nog maar het voorspel was.

Categorieën:Uncategorized

Het is stil aan het Frederiksplein

Opiniebijdrage in het ND van 13 maart

Het is stil aan het Frederiksplein, waar De Nederlandsche Bank (DNB), onze nationale bankentoezichthouder, zetelt. De rel over de beloning van ING-topman Hamers heeft nog geen reactie ontlokt van DNB. Ook niet van de Europese Centrale Bank (ECB), die sinds de start van de bankenunie samen met DNB toeziet op grote banken als ING. Toch zouden deze toezichthouders zich zorgen moeten maken.

Na het uitbreken van de crisis is DNB tot het inzicht gekomen dat cultuur en gedrag binnen de financiële sector van belang zijn voor de financiële stabiliteit. DNB heeft fors geïnvesteerd in psychologen en veranderkundigen om het toezicht hierop te verbeteren. Het is vergeefse moeite geweest. Wederom blijkt dat de graaicultuur en het haantjesgedrag onuitroeibaar zijn. In feite trekt ING een lange neus richting de toezichthouder: laat jullie psychologen maar kletsen, als wij willen graaien, dan doen wij dat gewoon.

Zorgwekkender is wat deze kwestie zegt over de koers die ING gaat varen. De loonsverhoging van de topman bestaat uit aandelen in ING, die hij na vijf jaar mag verzilveren. Dit betekent dat ING de komende jaren voluit voor groei en aandeelhouderswaarde zal gaan. Niet de klant staat centraal, maar het aandelenpakket van Hamers. President-commissaris Van der Veer wil zelfs dat ING kampioen van Europa wordt. Verwacht daarom een toename van buitenlandse avonturen en risicovolle activiteiten, zoals de financiering van commercieel onroerend goed. Verwacht ook dat ING de grenzen van de solvabiliteitseisen gaat opzoeken om het rendement op aandelen te verhogen. Voor een vooruitziende toezichthouder moeten het beloningspakket van Hamers en de uitspraken van Van der Veer de alarmbellen doen rinkelen. Alle reden om het toezicht op ING te intensiveren.

Een snelgroeiend ING is in het eigenbelang van het topmanagement. Een nog groter ING kan zich spiegelen aan nog grotere bedrijven. Over een tijdje zal Hamers weer bij de Raad van Commissarissen aankloppen voor de volgende loonsverhoging. Deze keer zei Van der Veer “Ralph Hamers is Eredivisie, maar werd Jupiler League betaald”. De volgende keer wordt het: “Ralph Hamers is Champions League, maar werd Eredivisie betaald”. Dit is de logica van haantjes die hun loopbaan als één grote wedstrijd zien.

Maar bij de groeiambitie van ING kunnen serieuze vraagtekens worden geplaatst. Een bank is geen autofabriek, waar de schaalvoordelen voor het oprapen liggen. Boven een bepaalde minimumomvang – die ING al lang heeft bereikt – is het enige echte schaalvoordeel dat de overheid je nooit failliet zal laten gaan. Een bank is dan “too big to fail”. Vanuit het perspectief van de belastingbetaler is dat geen voordeel maar een nadeel. Als je naar het bankbedrijf zelf kijkt, dan maken een toenemende omvang en complexiteit een bank al gauw “too big to manage”. Hoe groter ING wordt, hoe slechter de leiding kan overzien welke risico’s er binnen de vele bedrijfsonderdelen worden genomen om de kampioensschaal in de wacht te slepen. Graaicultuur en groeiambitie zijn een gevaarlijke mix.

Waar ING de plank volledig misslaat is in de beloningsvergelijking met Europese niet-financiële topbedrijven. ING is geen privaat bedrijf dat volledig los staat van de Nederlandse overheid. Als het erop aankomt zal een systeembank als ING door de overheid worden gered. Een groot deel van het spaargeld dat ING ophaalt in het buitenland valt bovendien onder het Nederlandse depositogarantiestelsel. Als ING omvalt zal de buitenlandse spaarder de hand ophouden bij de Nederlandse overheid. Bij ING ontbreekt ook het besef dat niet de aandeelhouder, maar de spaarder de meeste brandstof voor haar winstmachine levert. Zonder goedkoop en gegarandeerd spaargeld zou ING nooit zoveel winst maken. De spaarder interesseert het niet of ING Europees kampioen wordt. De spaarder wil een klantvriendelijke service, storingsvrije ICT en een zo hoog mogelijke spaarrente. En liever niet een bank die teveel risico neemt met zijn spaarcenten. Om al deze redenen moet ING in haar beloningsbeleid rekening houden met de overheid en de spaarder. ING is dus eerder een semi-publiek dan een privaat bedrijf. Daarbij hoort een lagere beloning dan bij volledig private bedrijven gebruikelijk is.

Voetballiefhebbers zullen het waarderen dat ING als hoofdsponsor bijdraagt aan de ambitie van Oranje om ooit weer kampioen te worden. Maar het is nergens voor nodig dat de sponsor deze ambitie overneemt. Een te sterke focus op groei verhoogt het systeemrisico en is niet in het belang van de Nederlandse samenleving. Voor de crisis stond DNB-president Wellink als een cheerleader te juichen bij de buitenlandse expansie van de Nederlandse grootbanken. Als DNB iets van de crisis heeft geleerd zou er nu een ander geluid vanaf de zijlijn moeten klinken. Bijvoorbeeld dat de toezichthouders met zorg kennis hebben genomen van het beloningspakket van Hamers en dat ze het toezicht op ING zullen aanscherpen.

Categorieën:Uncategorized