Versoepeling bsa bevordert uitstelgedrag

7 september 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 7 september

Universiteiten zijn jarenlang door de politiek onder druk gezet om studenten sneller te laten studeren. Die tijd lijkt nu voorbij. Minister van Onderwijs Van Engelshoven vindt dat de onderwijsinstellingen studenten niet te veel moeten vermoeien. Concreet stelt zij voor de norm voor het bindend studieadvies (bsa) te maximeren op 40 studiepunten. Dit betekent dat eerstejaars studenten hun studie mogen vervolgen wanneer zij 40 van de 60 studiepunten halen.

Van Engelshoven meent dat wie tweederde van de studiepunten haalt, nooit op de verkeerde plek kan zitten. Dat klinkt redelijk, maar is het niet. Op het Gymnasium zal een scholier die tweederde van de vereiste studiepunten haalt het advies krijgen om over te stappen naar het Atheneum of de Havo. Doorgaan naar het volgende jaar is niet aan de orde. Maar wat normaal is in het vwo, dat studenten doorstromen na afronding van het voorgaande jaar, roept vreemd genoeg weerstand op in het hoger onderwijs. De prestatienorm waarmee de scholier is opgegroeid wordt overboord gegooid.

De minister beweert dat een hoge studiepunteneis stress veroorzaakt, maar een relatie tussen studiestress en de hoogte van de bsa-norm is nooit aangetoond. Een zekere mate van stress hoort bij een academische studie. Tentamens zijn stressmomenten. Veel studenten ervaren ook stress bij het schrijven van een scriptie. Maar dat is geen reden om die dan maar af te schaffen. Tijdens de studie leren studenten omgaan met deadlines en het presteren onder druk, iets waar studenten tijdens de beroepsloopbaan veelvuldig mee te maken zullen krijgen. Door studenten het tijdens de studie gemakkelijk te maken zal de overgang naar het bedrijfsleven des te moeizamer zijn. Daarnaast vergeet de minister dat studenten ook psychische problemen kunnen ondervinden wanneer ze te lang doormodderen in een opleiding waarvoor ze niet geschikt of gemotiveerd zijn. Hoe voelt het als familie en vrienden voor de zoveelste keer naar je gebrekkige studievoortgang informeren? Wat doet dat met je eigenwaarde? Als de studie niet wil vlotten, heeft de student baat bij een snelle overstap naar een andere opleiding. Een hoge bsa-norm helpt daarbij.

De minister refereert ook aan de aanpassingsproblemen van studenten bij de overgang van het vwo naar de universiteit. Opleidingen lossen deze problemen op met flankerend beleid, door bijvoorbeeld herkansingen toe te staan, een compensatieregeling te gebruiken of persoonlijke omstandigheden mee te wegen in de voortgangsbeslissing. Eerder dit jaar oordeelde de onderwijsrechter dat de hoge bsa-norm van 60 studiepunten die de Erasmus Universiteit hanteert niet onredelijk is, mede gelet op de maatregelen die de student in staat stellen de norm in één jaar te halen.

Vele goede en gemotiveerde studenten slagen er gelukkig in om het eerste bachelorjaar in één keer te halen. Voor hen is deze discussie irrelevant. Maar er zijn ook studenten die calculerend met de bsa-norm omgaan. Sommigen beginnen voortvarend aan de studie maar verslappen zodra de minimumeis in zicht is. Anderen beginnen te laat en weten met een eindspurt nog net aan de norm te voldoen. Een norm die bedoeld is als minimumeis, wordt in de praktijk een streefwaarde. Een lage bsa-norm faciliteert zo het uitstelgedrag van de student. Dat is uiteindelijk niet in zijn of haar belang. Het is niet leuk om als ouderejaars student nog eerstejaars vakken te moeten inhalen, terwijl je jaargenoten op internationale uitwisseling gaan of aan een stage beginnen. Een vliegende start van de studie is beter voor de motivatie.

De universiteiten worden niet de dupe van deze maatregel. Integendeel, als studenten hierdoor studievertraging oplopen incasseren ze meer collegegeld. Maar de student betaalt de rekening en wordt onder het sociaal leenstelsel met een hogere studieschuld opgescheept. De steun van de studentenvakbond aan de minister is dan ook moeilijk te begrijpen.

Het meest kwalijk is de boodschap die de maatregel uitstraalt. Een bsa-norm van maximaal 40 studiepunten geeft aan studenten het signaal af dat het OK is om eenderde van het eerste jaar te missen. Onderpresteren wordt immers wettelijk gesanctioneerd. Dat een bevoorrechte groep in de samenleving zo weinig wordt uitgedaagd is niet uit te leggen aan burgers die die kans niet krijgen.

Advertenties
Categorieën:Uncategorized

Laat de brugramp een wake-up call zijn

5 september 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 5 september

De ramp met de Morandibrug in Genua is illustratief voor het falen van de Italiaanse staat. Toch is een krakende infrastructuur geenszins een exclusief Zuid-Europees verschijnsel. Wegrottende bruggen vind je ook in Duitsland. Het verschil is dat de Duitsers ze sluiten voordat ze instorten.

Al snel na de ramp wees Matteo Salvini, de Italiaanse vice-premier en Lega-leider, met de beschuldigende vinger naar Brussel. De verwaarlozing van de infrastructuur zou te wijten zijn aan de Europese begrotingsregels. Maar dat is een wel erg gemakkelijke poging om de verantwoordelijkheid af te schuiven. Nationale regeringen maken binnen de Europese spelregels hun eigen keuzes en zijn daar ook zelf verantwoordelijk voor. De Europese Commissie heeft de afgelopen jaren Italië regelmatig van zinnige adviezen voorzien, o.a. om de belastingontduiking aan te pakken en de efficiëntie van het overheidsapparaat te verbeteren. Een advies om te beknibbelen op bruggenonderhoud zat daar niet bij. De realiteit is helaas dat het voor politici gemakkelijker is om investeringen uit te stellen en onderhoudsbudgetten te snoeien dan om de overheidsfinanciën structureel te verbeteren. Als de Italiaanse regering de verantwoordelijkheid om de juiste keuzes te maken niet aankan, zou dat overigens pleiten voor meer bemoeienis vanuit Brussel. Ik vermoed dat de euro-sceptische Salvini daar niet op zit te wachten. Maar de beste manier om Brussel buiten de deur te houden is natuurlijk om zelf orde op zaken te stellen.

Het Italiaanse onvermogen neemt niet weg dat we in het eurogebied kampen met een investeringsprobleem. Ook andere probleemlanden hebben tijdens de crisis flink bezuinigd op de publieke investeringen. Volgens een recent rapport van de Europese Investeringsbank liggen de Europese investeringen in infrastructuur nog steeds 20% onder het niveau van voor de crisis. De bank constateert tevens dat dit het lange-termijn groeipotentieel van de Europese economie ondermijnt; de concurrentiekracht van een economie hangt immers ook af van de kwaliteit van de infrastructuur. Tegelijkertijd heeft Duitsland nagelaten om serieus te investeren in infrastructuur en onderwijs. Duitse politici verkeren helaas in de onjuiste veronderstelling dat een overheidsbegroting net als een huishoudboekje altijd in evenwicht moet zijn. Verblind door het exportsucces en starend naar de begrotingsdiscipline hadden de Duitsers geen oog voor de mankementen in de eigen economie. Ook Europa heeft te weinig gedaan. Het in 2014 met veel tamtam aangekondigde investeringsplan van commissievoorzitter Juncker was te gering van omvang om een groot effect te hebben op de infrastructuur, de groei en de werkgelegenheid.

Het macro-economische spiegelbeeld van dit investeringstekort is een handelsoverschot – er wordt meer geëxporteerd dan geïmporteerd: Duitse werknemers bouwen auto’s voor de export in plaats van binnenlandse wegen en scholen. Duitsland heeft nu het grootste handelsoverschot ter wereld en is daarmee in het vizier van de schietgrage Amerikaanse president Donald Trump gekomen, die vindt dat het Duitse exportsucces ten koste gaat van Amerikaanse bedrijven. In de Zuid-Europese landen hebben de bezuinigingen de ervoor gezorgd dat er minder wordt uitgegeven , waardoor deze landen minder zijn gaan importeren en hun producenten zich meer op de export zijn gaan richten. Voor het eurogebied als geheel resulteert dit in het grootste handelsoverschot sinds de introductie van de euro. Te groot volgens het Internationale Monetaire Fonds (IMF). Met enige regelmaat roept het IMF Duitsland en Nederland op om iets doen aan hun buitensporige overschotten, bijvoorbeeld door meer te investeren en hogere lonen te betalen. Zo’n stimulans zou het ook voor de andere eurolanden gemakkelijker maken om mee te groeien, door bijvoorbeeld meer naar Duitsland en Nederland te exporteren. Naar het IMF wordt echter niet geluisterd. Wellicht zijn de Duitsers gevoeliger voor de Trump’s dreiging met handelssancties.

Sinds de start van de crisis zijn de Europese investeringen in infrastructuur het slachtoffer van de Duitse nadruk op begrotingsdiscipline en de Zuid-Europese neiging om bij bezuinigingen de weg van de minste weerstand te kiezen. Het wrange is dat juist tijdens de crisis de omstandigheden om stevig in infrastructuur te investeren ideaal waren. Het ruime monetaire beleid van de ECB zorgde voor extreem lage financieringslasten. Door de crisis was er ook voldoende overcapaciteit om investeringsprojecten snel op te pakken. Maar het is nog niet te laat. De rente blijft voorlopig laag en zeker in een land als Italië is er nog overcapaciteit. Laten we daarom hopen dat de ramp in Genua een wake-up call is. Investeringen zijn natuurlijk altijd risicovol, maar de ingestorte Morandibrug symboliseert dat er ook risico’s kleven aan nietsdoen.

Italië heeft een echte crisis nodig

Opiniebijdrage in het ND van 5 juni

Voor het geval we het vergeten waren, liet Italië vorige week nog maar eens zien hoe kwetsbaar de Europese muntunie is. Door het politieke gekrakeel in Rome steeg de onrust op de financiële markten en duikelden de aandelenkoersen. Meer dan 10 jaar na de start van de kredietcrisis is het Europese financiële systeem nog steeds niet bestand tegen politieke strubbelingen in één enkele lidstaat. Zolang staatsschuld zich onbeperkt mag ophopen op de bankbalansen vertaalt politieke onzekerheid zich in risico’s voor het financiële stelsel. Ideeën om de lotsverbondenheid tussen banken en overheden te verbreken zijn er genoeg. Zo kun je banken verplichten meer buffers aan te houden voor risicovolle staatsschuld of hun blootstelling hieraan terug te brengen. Het is pure nalatigheid dat de Europese politiek hier niets mee doet.

Terug naar Italië. Alle aandacht gaat nu uit naar de bestedingsplannen van de nieuwe regering. Noord-Europa is bezorgd dat de populisten de Europese begrotingsregels aan hun laars lappen. Die zorg is begrijpelijk. Italië heeft zichzelf en Europa een slechte dienst bewezen door in 1999 met een torenhoge staatsschuld de euro in te voeren. Deze ongunstige uitgangspositie stelt hoge eisen aan het begrotingsbeleid, om te voorkomen dat Italië terecht komt in een negatieve spiraal van stijgende rente, oplopende staatsschuld en dalend vertrouwen van de financiële markten in de kredietwaardigheid van de staat. Voorgaande Italiaanse regeringen waren zich hier terdege van bewust. Ze zijn er wonderwel in geslaagd om de begrotingstekorten binnen de perken te houden. Noord-Europese retoriek over Italiaanse begrotingszondaars doet dan ook geen recht aan het feit dat sinds de kredietcrisis de Italiaanse begrotingstekorten lager waren dan die van Spanje, Frankrijk en zelfs België. Een staatsschuld van meer dan 130% van het BBP laat weinig ruimte voor een fors stimuleringsbeleid. Hopelijk dringt dit besef snel tot de populisten door.

Het echte probleem is dat Italië kampt met een chronisch lage economische groei. Dit maakt het moeilijk om uit de schulden te groeien en de problemen bij de banken aan te pakken. Het voedt de onvrede van Italiaanse kiezer en drijft ze in de handen van de populisten, die makkelijk scoren door Brussel, Duitsland, de euro of migranten tot zondebok te maken van het falen van de Italiaanse staat. Maar de Italianen doen er beter aan de hand in eigen boezem te steken. De kwaliteit van hun openbaar bestuur was altijd al laag, maar is sinds de introductie van de euro verder verslechterd. Op maatstaven voor corruptie, de kwaliteit van de rechtstaat en de effectiviteit van de overheid scoort Italië veel lager dan andere eurolanden en bevindt het zich in het bedenkelijke gezelschap van Griekenland. De lage kwaliteit van het openbaar bestuur ondermijnt de concurrentiekracht van de economie en is slecht voor het investeringsklimaat. De prioriteit van de nieuwe regering moet dan ook liggen bij de verbetering van de efficiëntie en effectiviteit van de publieke sector, om te voorkomen dat Italiaanse ondernemingen permanent op achterstand staan in de concurrentieslag met bedrijven in andere eurolanden.

Van de vijfsterren-beweging zou je verwachten dat ze oog heeft voor het falen van de Italiaanse staat en echt een einde wil maken aan bureaucratie en corruptie. Maar eenmaal aan de macht zal blijken hoe weerbarstig deze problematiek is. Dan wordt het al gauw gemakkelijker om de uitkeringen en de pensioenleeftijd te verhogen en Brussel de schuld te geven van alle ellende. De kans op een drastische hervorming van de publieke sector is dan ook niet zo groot.

Daarbij speelt ook een rol dat Italië nog geen urgente crisissituatie heeft meegemaakt die tot onmiddellijke hervormingen dwingt. In tegenstelling tot de uiteengespatte zeepbellen in de Ierse en Spaanse huizenmarkten en de uit-het-lood geslagen overheidsfinanciën in Griekenland, zijn de afkalving van het openbaar bestuur en de uitholling van het concurrentievermogen geleidelijk gegaan. In deze crisis-in-slow-motion hebben Italiaanse politici nooit de urgentie gevoeld om hard in te grijpen, als kikkers die vergeten uit een opwarmende pan water te springen. Misschien is er een echte crisis nodig om ze in beweging te krijgen. Wanneer de populisten kiezen voor een ramkoers met Europa is een nieuwe financiële crisis niet denkbeeldig. Dan zal blijken dat vorige week nog maar het voorspel was.

Categorieën:Uncategorized

Het is stil aan het Frederiksplein

Opiniebijdrage in het ND van 13 maart

Het is stil aan het Frederiksplein, waar De Nederlandsche Bank (DNB), onze nationale bankentoezichthouder, zetelt. De rel over de beloning van ING-topman Hamers heeft nog geen reactie ontlokt van DNB. Ook niet van de Europese Centrale Bank (ECB), die sinds de start van de bankenunie samen met DNB toeziet op grote banken als ING. Toch zouden deze toezichthouders zich zorgen moeten maken.

Na het uitbreken van de crisis is DNB tot het inzicht gekomen dat cultuur en gedrag binnen de financiële sector van belang zijn voor de financiële stabiliteit. DNB heeft fors geïnvesteerd in psychologen en veranderkundigen om het toezicht hierop te verbeteren. Het is vergeefse moeite geweest. Wederom blijkt dat de graaicultuur en het haantjesgedrag onuitroeibaar zijn. In feite trekt ING een lange neus richting de toezichthouder: laat jullie psychologen maar kletsen, als wij willen graaien, dan doen wij dat gewoon.

Zorgwekkender is wat deze kwestie zegt over de koers die ING gaat varen. De loonsverhoging van de topman bestaat uit aandelen in ING, die hij na vijf jaar mag verzilveren. Dit betekent dat ING de komende jaren voluit voor groei en aandeelhouderswaarde zal gaan. Niet de klant staat centraal, maar het aandelenpakket van Hamers. President-commissaris Van der Veer wil zelfs dat ING kampioen van Europa wordt. Verwacht daarom een toename van buitenlandse avonturen en risicovolle activiteiten, zoals de financiering van commercieel onroerend goed. Verwacht ook dat ING de grenzen van de solvabiliteitseisen gaat opzoeken om het rendement op aandelen te verhogen. Voor een vooruitziende toezichthouder moeten het beloningspakket van Hamers en de uitspraken van Van der Veer de alarmbellen doen rinkelen. Alle reden om het toezicht op ING te intensiveren.

Een snelgroeiend ING is in het eigenbelang van het topmanagement. Een nog groter ING kan zich spiegelen aan nog grotere bedrijven. Over een tijdje zal Hamers weer bij de Raad van Commissarissen aankloppen voor de volgende loonsverhoging. Deze keer zei Van der Veer “Ralph Hamers is Eredivisie, maar werd Jupiler League betaald”. De volgende keer wordt het: “Ralph Hamers is Champions League, maar werd Eredivisie betaald”. Dit is de logica van haantjes die hun loopbaan als één grote wedstrijd zien.

Maar bij de groeiambitie van ING kunnen serieuze vraagtekens worden geplaatst. Een bank is geen autofabriek, waar de schaalvoordelen voor het oprapen liggen. Boven een bepaalde minimumomvang – die ING al lang heeft bereikt – is het enige echte schaalvoordeel dat de overheid je nooit failliet zal laten gaan. Een bank is dan “too big to fail”. Vanuit het perspectief van de belastingbetaler is dat geen voordeel maar een nadeel. Als je naar het bankbedrijf zelf kijkt, dan maken een toenemende omvang en complexiteit een bank al gauw “too big to manage”. Hoe groter ING wordt, hoe slechter de leiding kan overzien welke risico’s er binnen de vele bedrijfsonderdelen worden genomen om de kampioensschaal in de wacht te slepen. Graaicultuur en groeiambitie zijn een gevaarlijke mix.

Waar ING de plank volledig misslaat is in de beloningsvergelijking met Europese niet-financiële topbedrijven. ING is geen privaat bedrijf dat volledig los staat van de Nederlandse overheid. Als het erop aankomt zal een systeembank als ING door de overheid worden gered. Een groot deel van het spaargeld dat ING ophaalt in het buitenland valt bovendien onder het Nederlandse depositogarantiestelsel. Als ING omvalt zal de buitenlandse spaarder de hand ophouden bij de Nederlandse overheid. Bij ING ontbreekt ook het besef dat niet de aandeelhouder, maar de spaarder de meeste brandstof voor haar winstmachine levert. Zonder goedkoop en gegarandeerd spaargeld zou ING nooit zoveel winst maken. De spaarder interesseert het niet of ING Europees kampioen wordt. De spaarder wil een klantvriendelijke service, storingsvrije ICT en een zo hoog mogelijke spaarrente. En liever niet een bank die teveel risico neemt met zijn spaarcenten. Om al deze redenen moet ING in haar beloningsbeleid rekening houden met de overheid en de spaarder. ING is dus eerder een semi-publiek dan een privaat bedrijf. Daarbij hoort een lagere beloning dan bij volledig private bedrijven gebruikelijk is.

Voetballiefhebbers zullen het waarderen dat ING als hoofdsponsor bijdraagt aan de ambitie van Oranje om ooit weer kampioen te worden. Maar het is nergens voor nodig dat de sponsor deze ambitie overneemt. Een te sterke focus op groei verhoogt het systeemrisico en is niet in het belang van de Nederlandse samenleving. Voor de crisis stond DNB-president Wellink als een cheerleader te juichen bij de buitenlandse expansie van de Nederlandse grootbanken. Als DNB iets van de crisis heeft geleerd zou er nu een ander geluid vanaf de zijlijn moeten klinken. Bijvoorbeeld dat de toezichthouders met zorg kennis hebben genomen van het beloningspakket van Hamers en dat ze het toezicht op ING zullen aanscherpen.

Categorieën:Uncategorized

Extreme armoede de wereld uit?

26 januari 2018 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND van 26 januari

Elk jaar in januari, wanneer de rijken en machtigen der aarde bijeen komen in Davos, publiceert de ontwikkelingsorganisatie Oxfam een rapport over de wereldwijde ongelijkheid. Met pakkende statistieken wil Oxfam de elite een ongemakkelijk gevoel geven en tot actie aansporen. Vorig jaar luidde de boodschap dat de rijkste acht mensen evenveel vermogen bezitten als de helft van de wereldbevolking. Dit jaar kopt Oxfam dat de rijkste 1% maar liefst 82% van de groei van onze rijkdom “kaapt”. Het zijn cijfers die appelleren aan ons gevoel voor rechtvaardigheid en suggereren dat de superrijken blaam treffen voor de wereldwijde armoede. Het is koren op de molen van voorstanders van een drastische herverdeling van rijk naar arm. Oxfam zelf concludeert dat het bestrijden van extreme armoede vereist dat we een einde maken aan extreme rijkdom.

Tegenstanders van deze redenering vinden dat Oxfam een te eenzijdig beeld schetst. In de afgelopen decennia is de armoede wereldwijd sterk gedaald. In China is een rijke middenklasse ontstaan. Het aantal mensen dat daar in extreme armoede leeft is sterk verminderd. En ja, er zijn ook heel veel Chinese miljardairs bijgekomen. Maar geen Chinees zal terug willen naar de tijd van Mao’s Grote Sprong Voorwaarts, toen de ongelijkheid ongetwijfeld een stuk lager lag, maar miljoenen Chinezen stierven door honger en terreur. Voor de bestrijding van extreme armoede in China was het dus blijkbaar niet vereist om de extreme rijkdom aan te pakken. Integendeel, extreme rijkdom was een bij-effect van een zeer voorspoedige economische ontwikkeling. Of kijk naar Venezuela, door Duncan Green (hoofd onderzoek Oxfam) in het verleden aangeprezen als het Latijns-Amerikaanse succesverhaal op het gebied van ongelijkheid. Venezuela is inderdaad één van de minst ongelijke landen in Latijns-Amerika, maar ook een land waar de inwoners vertrekken omdat ze niet in hun eerste levensbehoeften kunnen voorzien. Geen gidsland dus. Herverdeling is ook geen kant-en-klare oplossing voor taaie bestuurlijke problemen. In Congo is veel armoede, maar het land heeft een enorme rijkdom aan bodemschatten. Congo heeft vooral behoefte aan vrede en goed bestuur, niet aan het geld van de rijkste acht. Meer in het algemeen geldt dat het oppassen is geblazen met extreme herverdeling. In de economie geldt immers dat hoe je een taart verdeelt invloed heeft op de omvang van de taart. Als Mark Zuckerberg niet het vooruitzicht had gehad op grote rijkdom, had hij de wereld wellicht niet blij gemaakt met Facebook.

Deze kanttekeningen nemen niet weg dat Oxfam terecht aandacht vraagt voor extreme rijkdom. Enige nuance is daarbij wel op zijn plaats. De meeste mensen zullen een succesvol ondernemer zijn rijkdom gunnen. Door globalisering en technologische ontwikkelingen vertaalt succesvol ondernemerschap zich meer dan vroeger in mondiaal succes en dus ook in grotere rijkdom. Dat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn. Het wordt anders wanneer rijkdom niet op eigen kracht is verkregen, zoals in landen waar de elite zich via vriendjespolitiek natuurlijke hulpbronnen of monopolieposities toe-eigent. De Russische oligarchen zijn een bekend voorbeeld. Bij de rijkste acht van Oxfam zit er één – de Mexicaanse telecom-monopolist Carlos Slim – die een duwtje in de rug heeft gekregen van zijn politieke vrienden. Het wordt ook anders wanneer de superrijken zich met belastingconstructies en via belastingparadijzen onttrekken aan het medefinancieren van publieke voorzieningen. Verder kan de waardering voor ondernemerssucces verdampen wanneer giganten als Google, Facebook en Amazon hun marktmacht misbruiken, bijvoorbeeld om de concurrentie te elimineren of hun werknemers uit te buiten. Al deze misstanden bevestigen het gevoel van de gewone burger dat de markteconomie er niet voor hem is, maar voor de rijken. Daarmee wordt het draagvlak voor ons economisch systeem uitgehold. Het overheidsbeleid moet er dan ook op gericht zijn om deze problemen aan te pakken, met betere internationale belastingafspraken, een strenger toezicht op (tech)giganten en meer aandacht voor de arbeidsvoorwaarden en de loonontwikkeling van werknemers.

Extreme armoede moeten we de wereld uitbannen. Dat geldt wat mij betreft niet per se voor extreme rijkdom. Tenminste, als deze het resultaat is van waardevolle innovatie, goed ondernemerschap of hard werken. En als de ondernemer keurig zijn belasting betaalt, zijn werknemers en toeleveranciers netjes behandelt en zijn concurrenten niet uit de markt drukt. Het is van groot belang dat overheden deze spelregels aanscherpen en handhaven. Niet uit een ideologische weerzin tegen extreme rijkdom, maar omdat de acceptatie van onze vrije markteconomie vereist dat de superrijken zich niet onttrekken aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Categorieën:Uncategorized

Bitcoin voor dummies

1 december 2017 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 1 december

Bitcoin voor dummies, zo heet de workshop waarvoor een consultant adverteert in de dagbladen. Hierin worden leken geïntroduceerd in de geheimen van dit electronisch ruilmiddel, dat als unieke eigenschap heeft dat het decentraal wordt gecreëerd en geregistreerd in een wereldwijd computernetwerk. De advertentie bevat een aantal klassieke verleidingstrucs. Er wordt schaarste en urgentie gecreëerd (“slechts 50 plekken”) en er wordt een beroep gedaan op autoriteit (“gevestigde financiële instellingen beginnen warm te lopen voor bitcoin”), sociale bewijskracht (“er lijkt geen rem te zitten op de vraag naar de cryptomunt”) en wederkerigheid (“gratis uitgebreide catering”). In de workshop leer je wat bitcoin is en hoe je in bitcoin moet beleggen. De waarom-vraag staat niet op het programma. Toch is dit de belangrijkste vraag. Als bitcoin-insiders besluiten om geld te gaan verdienen met afgeleide producten als workshops is het oppassen geblazen voor de leek. Blijkbaar zien ze meer brood in bijscholing dan in de bitcoin zelf. O ja, de prijs van de workshop is 50 ouderwetse euro (30 euro voor vroegboekers). Zou de bitcoin-consultant het niet aandurven om een prijs af te geven in bitcoin?

Het is heel goed mogelijk dat de techniek achter de bitcoin waardevol is en nuttige toepassingen zal vinden in de economie, al zijn er nog genoeg vragen (bijvoorbeeld over het hoge energieverbruik). De huidige hype kan echter alleen worden verklaard uit hebzucht en de angst van particuliere beleggers om de boot te missen. De bitcoin is geen serieus alternatief voor geld en zegt niets over het vertrouwen in ons geldstelsel.

In het dagelijks leven blijft de bitcoin vooralsnog onzichtbaar. Slechts een beperkt aantal partijen accepteert de bitcoin als ruilmiddel, maar daarmee is het nog geen geld. Sigarenbandjes kun je ook ruilen. Bitcoin mist twee belangrijke eigenschappen die geld moet hebben: stabiliteit en een elastisch aanbod. De koersfluctuaties van de bitcoin zijn veel te hoog voor gebruik in het normale geldverkeer. Niemand zal het aandurven om zijn salaris voor een lange termijn vast te leggen in bitcoin; als die crasht blijft er van je salaris niets over. De geldhoeveelheid moet ook kunnen mee-ademen met de economie: als economieën groeien is er meer geld nodig om het toegenomen betalingsverkeer te ondersteunen. Dit was vroeger het nadeel van het gebruik van goud in het geldstelsel. De beschikbare voorraad goud was beperkt en kon de naoorlogse economische groei niet aan. Eenzelfde probleem zou zich voordoen bij de bitcoin, waarvan de uitgifte door de uitvinder is beperkt tot maximaal 21 miljoen exemplaren, als bescherming tegen overproductie en inflatie. Net als bij goud kopen beleggers bitcoin niet vanwege de intrinsieke waarde, maar vanwege de inschatting dat andere beleggers (grotere dummies) zullen volgen. De bitcoin is dus beter te vergelijken met goud dan met geld, met als extra nadeel dat er geen decoratieve toepassingen zijn. Aanduidingen als coin, munt en valuta en het gebruik van de verticale dollarstreepjes in het bitcoin-logo roepen echter associaties met geld op. Dat is misleidend en zou moeten worden verboden. Een betere benaming is e-goud (bitgoud kan ook, maar geeft spraakverwarring bij de tandarts).

Libertijnen zijn aanhangers van een ideologie die bekend staat om haar wantrouwen jegens alles wat van de overheid komt. Zij schrijven de populariteit van bitcoin graag toe aan het falen van de centrale banken. Hun theorie is dat het onorthodoxe geldbeleid dat sinds de kredietcrisis is gevoerd het vertrouwen in ons geldstelsel heeft ondermijnd. Daarom zouden burgers hun toevlucht nemen tot e-goud. Hiervoor is echter geen enkel bewijs. De inflatie ligt op een zeer laag niveau en de euro is de laatste tijd weer sterker geworden. Geldontwaarding is momenteel wel het minst grote probleem in het eurogebied. Opinieonderzoek laat verder zien dat het vertrouwen in de euro en de ECB weer licht gestegen is, nadat het ten tijde van de eurocrisis een flinke deuk had opgelopen. Er is dus geen enkele relatie tussen de explosieve koersstijging van de bitcoin van $1000 in januari naar meer dan $10.000 deze week en gangbare maatstaven voor het vertrouwen in ons geld. Het ontgaat mij ook volledig waarom burgers die geen vertrouwen zouden hebben in ons geldstelsel wel opeens vertrouwen hebben in een geheimzinnige cryptomunt die cybercrime en andere zaken die het daglicht niet kunnen verdragen faciliteert. Libertijnen projecteren dan ook vooral hun eigen ideologie op bitcoin beleggers. Kortom, de bitcoin is er voor libertijnen, waaghalzen en natuurlijk voor dummies. Wat dat betreft is de naam van de workshop goed gekozen.

Categorieën:Uncategorized

De euro is nog niet in veilig vaarwater

15 augustus 2017 Plaats een reactie

Opiniebijdrage in het ND, 15 augustus

Tien jaar geleden begon de kredietcrisis. In de zomer van 2007 werd duidelijk dat het globale financiële stelsel was geïnfecteerd met Amerikaanse rommelleningen en smolt het vertrouwen in banken als sneeuw voor de zon. Centrale banken moesten op grote schaal geld in het systeem pompen om het overeind te houden. Een jaar later werd na het omvallen van de zakenbank Lehman Brothers de crisis zichtbaarder voor het grote publiek. Een diepe en langdurige recessie volgde, waarin veel welvaart, groei en banen verloren gingen. De crisis was tevens de vuurdoop voor de euro. Griekse begrotingsperikelen en instortende huizenmarkten in Ierland en Spanje deden de eurozone trillen op haar grondvesten.

En toch bestaat de Euro nog. Sterker nog, het vertrouwen in de euro is nu op het hoogste niveau sinds het uitbreken van de crisis. Terwijl nog maar een paar jaar geleden vele experts het uiteenvallen van de eurozone voorspelden. Heeft deze ommekeer dankzij of ondanks het gevoerde beleid plaatsgevonden? En betekent dit dat de euro nu in veilig vaarwater is?

Vriend en vijand zijn het erover eens dat zonder het leiderschap van de Europese Centrale Bank de euro niet meer zou bestaan. Vanaf het begin van de crisis stond de ECB klaar om een implosie van het Europese bankwezen te voorkomen en de kapitaalvlucht uit Zuid-Europa op te vangen. ECB president Draghi’s “finest hour” kwam in juli 2012 toen hij met zijn befaamde “whatever it takes” uitspraak de onrust in de financiële markten over de toekomst van de euro wist te bezweren. Het opbreekrisico nam daarna drastisch af. In 2015 begon de ECB met het in Noord-Europa controversiële opkoopprogramma van staatsobligaties, om de economie te stimuleren en het deflatiegevaar te bestrijden. De effectiviteit hiervan is moeilijk aan te tonen, omdat we nooit zullen weten hoe de Europese economie zich zou hebben ontwikkeld zonder dit programma. Het is wel een feit dat sindsdien de economische groei is aangetrokken en het deflatiegevaar is geweken.

Gezien het economisch herstel is het logisch dat er nu volop wordt nagedacht over een stapsgewijze normalisatie van het monetair beleid. Waarschijnlijk zal de ECB eerst de maandelijkse aankopen van staatsobligaties in omvang terugbrengen, alvorens ze helemaal stop te zetten. Gedurende dit proces zal de ECB tevens de rente verhogen. In de laatste fase zal de ECB overgaan tot de verkoop van de staatsobligaties die ze in de loop der jaren heeft verzameld. Om twee redenen is hierbij geleidelijkheid en voorzichtigheid geboden. Ten eerste moet de ECB vermijden dat de normalisatie teveel verwarring en onrust in de financiële markten teweeg brengt. Ten tweede is het economisch herstel in veel Europese landen nog fragiel en ligt de inflatie nog steeds onder de ECB doelstelling van 2%. Ook is de euro de afgelopen maanden sterker geworden, wat een dempend effect op de inflatie heeft. Er is dan ook absoluut geen reden om nu abrupt aan de monetaire rem te trekken. 

Dankzij de ECB heeft de euro de crisis overleeft, maar er zijn grenzen aan wat monetair beleid kan bereiken. Monetair beleid kan de fundamenten van de muntunie niet sterker maken. Dat blijft hard nodig, maar politici hebben het hierbij helaas grotendeels laten afweten.

De meeste progressie is nog geboekt bij de vorming van een Europese bankenunie. Europees bankentoezicht en het op Europees niveau afwikkelen van probleembanken moeten de financiële stabiliteit bevorderen. Dit project blijft vooralsnog werk in uitvoering. De bankenunie heeft niet kunnen voorkomen dat de Italiaanse belastingbetaler recentelijk moest meebetalen aan de redding van twee Italiaanse banken. En veel Europese banken hebben nog steeds een te hoge blootstelling aan de staatsschuld van hun eigen overheid. Wanneer de zorgen over de overheidsfinanciën in Zuid-Europese landen terugkeren, zullen die wederom een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het Europese bankwezen.

Die zorgen zijn niet denkbeeldig. In veel Europese landen zijn overheidsfinanciën nog niet op orde. Wanneer de ECB haar opkoopprogramma afbouwt en de rentelasten stijgen, kan de staatsschuld in een aantal eurolanden onbeheersbaar worden. Het is de vraag of het noodfonds dat tijdens de crisis in allerijl is opgetuigd dan volstaat. De eurozone heeft een structurele oplossing voor de beheersing van begrotingsrisico’s nodig. In dit verband roept de terugkeer van Griekenland naar de kapitaalmarkt vraagtekens op. In juli haalde de Griekse overheid € 3 mld op bij private beleggers, tegen een rente van 4,6%. Deze actie werd gezien als een teken dat Griekenland op de goede weg is en binnenkort wellicht geen Europese steun meer nodig heeft. Dit is een illusie. Als Griekenland haar volledige staatsschuld van meer dan €300 miljard tegen zo’n hoge rente zou moeten financieren wordt haar schuld onbeheersbaar. De Europese partners proberen met een zachte rente en looptijdverlenging de Griekse schuld draagbaar te houden en worden onder druk gezet om tot kwijtschelding over te gaan. Intussen worden private beleggers op een mooi rendement getrakteerd. Deze verdeling van lusten en lasten kan beter, dunkt mij.

Zelfs met een stabiel bankwezen en gezonde overheidsfinanciën is de euro niet in veilig vaarwater. Daarvoor zijn groei en banen nodig. Als burgers het gevoel krijgen dat de eurozone synoniem is voor economische stagnatie blijft er altijd het politieke risico dat er ergens een partij aan de macht komt die beweert dat het gras groener is buiten de eurozone. In veel eurolanden kan het groeipotentieel worden verhoogd met structurele hervormingen, gericht op een versterking van het ondernemingsklimaat en een efficiënt en goed openbaar bestuur. Europa kan hierbij helpen, maar uiteindelijk zullen de landen het zelf moeten doen. Niet omdat het van Europa moet, maar omdat het in hun eigenbelang is. Voor de euro betekent dit dat haar voortbestaan op de lange termijn afhankelijk is van de hervormingsbereidheid van individuele lidstaten. Een ongemakkelijke conclusie.

 

 

Categorieën:Uncategorized